Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4023

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
200.175.391/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Vordering tot nakoming premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Verjaring. Overgangsrecht: artikel 3:307 BW is van toepassing. Vordering is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/12

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.175.391/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/14/158096 / HA ZA 14-359

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 oktober 2016

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. E.M. Bosscher te Amsterdam,

tegen:

de naamloze vennootschap

AEGON LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.C.A. Stevens te ’s-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Aegon genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 11 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 20 mei 2015, gewezen tussen haar als eiseres en Aegon als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met een productie;

- akte van [appellante] , met producties;

- akte van Aegon.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen en Aegon zal veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Aegon heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.16 de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten, die hierna onder 2.2 tot en met 2.17 worden weergegeven, zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof deze als vaststaand zal beschouwen.

2.2.

[appellante] is geboren [in] 1945. Op 1 januari 1988 is zij in dienst getreden bij [X] Systems B.V.

2.3.

Op 30 maart 1988 heeft [appellante] via een toenmalige inspecteur van Aegon - [A] - een aanvraag ingediend voor een levensverzekering met als omschrijving “spaarverzekering met restitutie van premie bij overlijden, met winstgarantie”. Op het aanvraagformulier is de optie bij Aanvullende verzekeringen ‘Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, wel meeverzekeren’ aangekruist. Daarnaast is bij ‘Bijzonderheden’ vermeld ‘zie ook best. polis onder no. [polisnummer 1 ] ’. Als premie is een bedrag van f. 574,20 per maand vermeld en als kapitaal een bedrag van f. 171.798, met winstgarantie f. 188.978,-.

2.4.

Bij brief van 29 maart 1988 heeft Aegon aan [X] Systems B.V. een voorstel voor een pensioenvoorziening ten behoeve van [appellante] gedaan. In dit voorstel is een jaarpremie van 1 januari 1989 tot 1 februari 2010 van f. 6.098,- en een opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1989 tot 1 maart 2005 van f. 427,- opgenomen. Als kapitaal is een bedrag van f. 171.798, met winstgarantie f. 188.978,-, vermeld. Verder staat in het voorstel dat het voor het aangaan van de verzekering(en) noodzakelijk is dat de verzekerde wordt gekeurd door een arts (niet de eigen huisarts).

2.5.

Bij brief van 3 augustus 1988 heeft Aegon aan [appellante] een polis met nummer [polisnummer 2] toegezonden en daarbij vermeld dat de polis naar aanleiding van de ingediende aanvraag is opgemaakt. De polis met nummer [polisnummer 2] betreft blijkens het hierbij behorende clausuleblad 3 een zogenoemde c-polis, dat is een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (oud). In de polis is als verzekerd kapitaal vermeld f. 182.237,-, uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde op 1 februari 2010.
Dit kapitaal zal ten gevolge van overrentewinstdeling toenemen tot ten minste f. 200.461,-. Als premie is een bedrag opgenomen van f. 574,20 per maand van 1 juli 1988 tot 1 februari 2010. Op de polis staat niets vermeld over een (opslag voor) premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

2.6.

[X] Systems B.V. heeft niet alle verschuldigde premies voldaan. In 1989 is [X] Systems B.V. failliet gegaan. [appellante] is nadien in dienst getreden bij Datapoint Nederland B.V. (hierna: Datapoint).

2.7.

In 1990 heeft [appellante] opnieuw bij Aegon een aanvraagformulier ingediend voor een levensverzekering. Als omschrijving is op het formulier weergegeven “spaarverzekering met restitutie van betaalde premies bij overlijden”. Verder is de optie bij Aanvullende verzekeringen ‘Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, wel meeverzekeren’ aangekruist en is bij ‘Bijzonderheden’ vermeld ‘zie offertes dd 14 juni 2010’. Als premie is een bedrag van f. 2.052,46 per kwartaal genoemd en als kapitaal een bedrag van ongeveer f. 202.203,-. Onderaan het formulier staat geschreven ‘Keuring geregeld bij dokter: nvt’.

2.8.

Bij brief van 13 maart 1990 heeft Aegon aan Datapoint een voorstel voor een pensioenvoorziening ten behoeve van [appellante] gedaan. In dit voorstel is een jaarpremie van 1 januari 1991 tot 1 februari 2010 van f. 5.741,- en een opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1991 tot 1 april 2005 van f. 402,- opgenomen. Als kapitaal is een bedrag van f. 139.509,-, met winstgarantie f. 167.174,-, vermeld. Verder is vermeld dat het voor het aangaan van de verzekering(en) noodzakelijk is dat de verzekerde wordt gekeurd door een arts (niet de eigen huisarts).

2.9.

Bij brieven van 14 juni 1990 heeft Aegon aan [A] twee verschillende voorstellen voor verhoging van de verzekering onder polisnummer [polisnummer 2] gedaan. De beschikbare premie bedraagt in de ene brief f. 574,20 en in de andere brief f. 662,94 vanwege een vermeerdering van salaris voor [appellante] bij Datapoint. Over een premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is in deze brieven niets vermeld.

2.10.

Bij brief van 13 september 1990 heeft Datapoint aan [appellante] bevestigd dat Datapoint bereid is de premie te voldoen en dat [appellante] te kennen heeft gegeven dat zij niet wenst deel te nemen aan de collectieve pensioenregeling ten behoeve van het personeel in dienst van Datapoint.

2.11.

Vervolgens heeft Aegon op 19 december 1990 een polis met nummer [polisnummer 3] opgemaakt. Hierin is als verzekerd kapitaal vermeld f. 207.343,-, uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde op 1 februari 2010. Als premie is een bedrag opgenomen van f. 2.052,46 per kwartaal van 1 april 1990 tot 1 januari 2010 en van f. 684,15 van 1 januari 2010 tot 1 februari 2010. In de polis staat niets vermeld over een (opslag voor) premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

2.12.

Met ingang van 18 oktober 1991 is [appellante] volledig arbeidsongeschikt geworden. [appellante] is per 1 maart 1992 uit dienst getreden.

2.13.

Bij brief van 15 juni 1992 heeft [appellante] Aegon verzocht om de premievrijstelling voor de polis met nummer [polisnummer 3] in te laten gaan. Bij brief van 8 september 1992 heeft Aegon geantwoord dat [appellante] de polis privé kan voortzetten of laten overnemen door de nieuwe werkgever.

2.14.

Bij brieven van 28 februari 2007, 27 juli 2007 en 20 september 2007 heeft [A] , die inmiddels werkzaam was als tussenpersoon, namens [appellante] aan Aegon verzocht om opheldering over de afwikkeling en het bestaan van de polis met nummer [polisnummer 2] .

2.15.

Bij brief van 8 februari 2008 heeft Aegon aan [A] meegedeeld dat er nooit vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid is verzekerd en dat er dan ook geen vrijstelling op basis van de huidige arbeidsongeschiktheid kan worden verleend. Vervolgens is er tussen Aegon en [A] in de periode 2008-2010 gecorrespondeerd over de polissen en de daaronder liggende stukken.

2.16.

Op 1 februari 2010 heeft [appellante] de pensioengerechtelijke leeftijd bereikt.

2.17.

Bij brieven van 6 april 2011 en 7 oktober 2013 heeft rechtsbijstandverlener DAS namens [appellante] Aegon opnieuw verzocht om de polis alsnog met inbegrip van premievrijstelling te doen uitkeren. Aegon heeft dit herhaalde verzoek bij brieven van 13 april 2011 en 21 januari 2014 afgewezen, omdat volgens haar nooit premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is meeverzekerd.

3 Beoordeling

3.1.

De vorderingen van [appellante] strekken ertoe – heel kort weergegeven – dat wordt vastgesteld dat onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering een premievrijstelling is meeverzekerd, zodat Aegon met toepassing daarvan is gehouden een pensioen uit te keren. Een meeverzekerde premievrijstelling houdt in dat gedurende de arbeidsongeschiktheid van de verzekerde de pensioenopbouw blijft doorlopen, waarbij de pensioenpremies voor rekening komen van Aegon.

3.2.

Aegon heeft ter afwering van de vorderingen van [appellante] onder andere een beroep gedaan op verjaring.

3.3.

De rechtbank heeft de rechtsvordering van [appellante] gekwalificeerd als een nakomingsvordering. Daarop is in beginsel Titel 7.17 BW van toepassing. Artikel 7:942 BW regelt de verjaring met betrekking tot vorderingen die strekken tot nakoming van een verzekering. Deze bepaling heeft onmiddellijke werking, maar het overgangsrecht eerbiedigt een vóór 1 januari 2006 reeds verstreken verjaringstermijn. Een dergelijke situatie doet zich volgens de rechtbank in dit geval voor. De vordering van [appellante] werd opeisbaar toen het verzekerde risico van arbeidsongeschiktheid zich verwezenlijkte. [appellante] is volledig arbeidsongeschikt geworden per 18 oktober 1991. Vervolgens zijn meer dan vijf jaren verstreken zonder dat de verjaring is gestuit. De nakomingsvordering van [appellante] is aldus volgens de rechtbank verjaard op grond van artikel 3:307 BW.
De rechtbank is voorbij gegaan aan de stelling van [appellante] dat artikel 3:307 BW niet van toepassing is, omdat in dit geding een verklaring voor recht wordt gevorderd. Via de ‘omweg’ van een verklaring voor recht kan de toepasselijke verjaringstermijn van artikel 3:307 BW niet worden omzeild, aldus de rechtbank.

3.4.

Met grief 1 betoogt [appellante] dat haar vordering tot nakoming niet per 18 oktober 1991 opeisbaar was, vanwege de in de verzekering opgenomen wachttijd. De wachttijd bedraagt een jaar, zodat de verzekeringsuitkering op zijn vroegst opeisbaar was nadat zij uit dienst trad op 1 maart 1992, dan wel toen de wachttijd verstreek op 18 oktober 1992.

3.5.

Verder betoogt [appellante] het volgende. Zij heeft Aegon bij brief van 15 juni 1992 verzocht over te gaan tot premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 8 september 1992 heeft Aegon [appellante] bericht dat zij de polis privé kon voortzetten of kon laten overnemen door een andere werkgever. Bij akte heeft [appellante] als productie 26 een brief overgelegd van 18 december 1992 van haar aan Aegon, waaruit volgens [appellante] blijkt dat zij heeft gereageerd op de genoemde brief van Aegon van 8 september 1992. Vervolgens heeft [A] namens [appellante] bij brief van 27 juli 2007 getracht opheldering te verkrijgen bij Aegon over de premievrijstelling. Pas op 8 februari 2008 heeft Aegon een inhoudelijk standpunt ingenomen, zodat pas toen een (eventuele) verjaringstermijn is aangevangen. Daarna heeft [A] herhaaldelijk per brief en e-mail vragen aan Aegon gesteld en opheldering gevraagd over de premievrijstelling. Vervolgens heeft rechtsbijstandsverzekeraar DAS zich namens [appellante] tot Aegon gewend. Door dit alles is de verjaring gestuit. Daarbij is essentieel dat [appellante] een consument is en Aegon een professionele verzekeraar met een verregaande zorgplicht jegens haar klanten, aldus [appellante] .

3.6.

Aegon voert in het kader van haar verweer bij haar akte aan dat de door [appellante] overgelegde brief van 18 december 1992 haar niet bekend is en nu pas boven tafel komt.

3.7.

Het hof overweegt het volgende. De door de rechtbank gehanteerde uitgangspunten voor de beoordeling die hiervoor in r.o. 3.3 zijn genoemd, zijn door [appellante] niet bestreden, zodat ook het hof daarvan dient uit te gaan. Weliswaar stelt [appellante] dat zij slechts een verklaring voor recht vordert en dat het vaststellen van een rechtsverhouding een doel op zich is, maar zij voegt daaraan zelf toe dat ‘daaruit vervolgens voortvloeit dat een nakomingsverplichting ontstaat’. Die vordering, strekkende tot betaling, heeft zij ook ingesteld. Dit betekent dat een rechtens te respecteren belang bij de gevorderde verklaring voor recht ontbreekt. De vordering van [appellante] dient aldus te worden gekwalificeerd als een nakomingsvordering waarop de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:307 BW van toepassing is. Ook als met [appellante] wordt aangenomen dat deze verjaringstermijn op zijn vroegst aanving op 18 oktober 1992 (na het verstrijken van de wachttermijn), zij op 18 december 1992 de door haar gestelde brief aan Aegon heeft gezonden en deze brief stuitende werking heeft gehad, kan het hof niet tot een ander oordeel komen dan de rechtbank. De vijfjarige verjaringstermijn verstreek als wordt uitgegaan van deze omstandigheden op 18 december 1997, zodat op 8 februari 2008, de datum die [appellante] noemt als het aanvangstijdstip, de verjaring al lang was voltooid. Aan haar grieven legt [appellante] niet de stelling ten grondslag dat vóór of op 18 december 1997 een rechtsgeldige stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft onvoldoende concreet duidelijk gemaakt waarom de omstandigheid dat [appellante] een consument is en Aegon een professionele verzekeraar aan het intreden van de verjaring in de weg kan staan.

3.8.

Met deze stand van zaken falen de grieven en dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. Het overige dat partijen hebben aangevoerd kan buiten bespreking blijven.

3.9.

[appellante] heeft bewijs aangeboden, maar het bewijsaanbod ziet niet op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst van de zaak dienen te leiden. Het bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.10.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Aegon begroot op € 711,00 aan verschotten en € 1.788,00 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en M.E.M.G. Peletier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016.