Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4017

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.138.372/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 24 november 2015. Verdere instructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.138.372/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/492274/HA ZA 11-1855

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 oktober 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J. de Wit te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: voorheen mr. R.D. Lubach te Amsterdam, thans mr. V.H. Affourtit te Amsterdam.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer [appellant] en de Gemeente genoemd.

In deze zaak heeft het hof laatstelijk op 24 november 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.

Partijen hebben vervolgens ieder een akte, [appellant] onder overlegging van een productie, genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

In het laatste tussenarrest heeft het hof [appellant] geslaagd geacht in het hem opgedragen bewijs en geoordeeld dat sprake is van een termijnoverschrijding door stilzitten van de Gemeente van 23 maanden, welke overschrijding het hof als onrechtmatig jegens [appellant] heeft aangemerkt. Het hof heeft overwogen dat de Gemeente aansprakelijk is voor de daardoor door [appellant] geleden schade.

2.2.

Het hof heeft ter zake van twee schadeposten (kosten voor rechtsbijstand en kosten voor extra werkzaamheden van de architect) een beslissing gegeven. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [appellant] , waarin [appellant] naar voren kan brengen wat zijn schade is ter zake van de gemiste huurinkomsten van de woning in [woning] . Uitgangspunt is dat uiterlijk 31 juli 2010 de vergunning had kunnen worden verleend.

2.3.

[appellant] heeft bij akte een “waardeverklaring” van [X] Makelaardij Zaandam B.V. van 18 december 2015 in het geding gebracht. Daarin is vermeld dat de huurwaarde van de woning van [appellant] te [woning] € 2.500,- per maand bedraagt. Uitgaande van de periode van huurderving van 1 augustus 2010 tot en met 30 juni 2012 (23 maanden) stelt [appellant] de schade vervolgens op € 57.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over de gederfde maandelijkse huursom.

2.4.

De Gemeente betwist in haar vervolgens genomen akte dat [appellant] in de periode 1 augustus 2010 tot en met 30 juni 2012 daadwerkelijk de woning had kunnen verhuren. Zij voert aan dat niet is gesteld dat er voor het hoge segment vrijstaande huurwoningen (met een huurprijs van meer dan € 1.250,- per maand) in [woning] een markt bestaat en dat ook eigen (initieel) onderzoek van de Gemeente daar niet op wijst. Particulieren zijn niet in staat of bereid dergelijke bedragen te betalen voor een huurwoning en vanuit bedrijven (dan wel ‘expats’) is er niet of nauwelijks vraag naar vrijstaande huurwoningen in [woning] , aldus de Gemeente. De Gemeente verzoekt het hof daarom primair de schade als gevolg van gemiste huurinkomsten op nihil te begroten. Subsidiair betwist de Gemeente dat de huurwaarde in de relevante periode € 2.500,- bedroeg. Zij wijst er daarbij op dat de makelaar niet heeft verklaard wat de gemiddelde huurwaarde van de woning in de periode 1 augustus 2010 tot en met 30 juni 2012 is, maar wat de huurwaarde (volgens hem) is per 18 december 2015, dat referentieobjecten ontbreken en dat niet duidelijk is waarop de waarde van € 2.500,- is gebaseerd. Subsidiair verzoekt de Gemeente het hof de schade te begroten aan de hand van een huurwaarde van maximaal € 1.250,- per maand, de bovengrens van de particuliere huurmarkt in [woning] . De Gemeente heeft voorts enkele opmerkingen gemaakt over de proceskosten.

2.5.

Gelet op enerzijds de “waardeverklaring” waarop [appellant] zich bij akte baseert en anderzijds hetgeen de Gemeente daartegen heeft ingebracht bij antwoordakte, weergegeven onder 2.4, acht het hof zich thans onvoldoende in staat de schade ter zake van de gemiste huurinkomsten te begroten. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over hetgeen de Gemeente heeft aangevoerd, bij voorkeur onder overlegging van een verklaring van een makelaar waarin wordt ingegaan op het verweer van de Gemeente. De Gemeente zal daarop bij akte mogen reageren.

2.6.

Omdat inmiddels duidelijk is dat het procesbelang in deze zaak van beperkte omvang is, geeft het hof partijen in overweging met elkaar in overleg te treden teneinde te bezien of zij het resterende geschil in onderling overleg tot een oplossing kunnen brengen opdat verder procederen en verdere proceskosten achterwege kunnen blijven.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 november 2016 voor akte aan de zijde van [appellant] tot het onder 2.5 genoemde doel en bepaalt dat de gemeente daarop bij akte zal kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, R.J.M. Smit en E.J. Rotshuizen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016.