Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3924

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
200.178.470/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schijn van bevoegdheid ook indien vennoot is uitgetreden. Zie tussenarrest ECLI:NL:GHAMS:2015:4430.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2016/1038
AR 2016/2865
NJF 2016/487
NTHR 2016, afl. 6, p. 325
OR-Updates.nl 2016-0258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.178.470/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3439651 CV EXPL 14-27099

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 september 2016

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. R.A. van Seumeren te Amsterdam,

tegen

BATIST ADMINISTRATIEVE DIENSTVERLENING V.O.F.,

gevestigd te Diemen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.M.J. Muit te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Batist genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 1 juni 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 2 maart 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als opposante en Batist als geopposeerde.

Het hof heeft bij arrest van 27 oktober 2015 een comparitie van partijen bepaald. Deze is blijkens een daartoe opgemaakt proces-verbaal gehouden op 18 januari 2016. Daaraan voorafgaand heeft [appellante] nog een aantal producties in het geding gebracht.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord;

- akte zijdens [appellante] ;

- antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van Batist alsnog zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – Batist zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Batist heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van die betaling, met veroordeling van Batist in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.

Batist heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met wettelijke rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden onder 1.1 tot en met 1.7 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Weliswaar geeft [appellante] in haar inleiding in de memorie van grieven haar relaas van de feiten en concludeert dan onder randnummer 4 van die memorie dat de feitenvaststelling zoals weergegeven door de kantonrechter voor zover afwijkend, wordt betwist en weersproken, maar dat is niet een naar behoren voorgedragen grief, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

Aldus komen de feiten neer op het volgende.

( i) [appellante] is in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 30 april 2013 vennoot

geweest van de vennootschap onder firma Snackbar [X] (verder [X] ). De vennootschap is op 1 mei 2013 geëindigd.

(ii) [X] is opgericht door [A] , de echtgenoot van [appellante] . Per

1 augustus 2012 is [A] als vennoot uitgetreden.

(iii) [A] heeft in 2009 aan Batist opdracht gegeven om de boekhouding te

verzorgen ten behoeve van [X] , ten behoeve van een andere onderneming

van [A] , te weten [Z] , alsmede om de aangifte inkomstenbelasting te

verzorgen voor [A] en [appellante] .

(iv) Bij factuur van 30 augustus 2013 heeft Batist een bedrag van € 508,20 bij [X]

in rekening gebracht voor het verwerken van de administratie over

2012.

( v) Bij factuur van 28 september 2013 heeft Batist bij [X] een bedrag van

€ 2.014,00 in rekening gebracht. De factuur heeft betrekking op het verwerken

van de administratie 2012 en het voorbereiden van werk inzake het opstellen

van de jaarrekening 2012.

(vi) [X] heeft de genoemde facturen gedeeltelijk niet betaald.

(vii) Bij verstekvonnis van 13 mei 2014 (kenmerk CV EXPL 14-11666) zijn [X]

, [appellante] en [B] , veroordeeld tot betaling aan Batist van een

bedrag van € 2.022,00 aan hoofdsom, de wettelijke rente daarover, € 303,30 aan

buitengerechtelijke kosten, alsmede € 28,85 aan rente en de proceskosten.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat zij zal worden ontheven van de onder rov. 2 (vii) bedoelde veroordeling en dat Batist alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen, althans dat deze zullen worden afgewezen. [appellante] voert daartoe kort samengevat aan dat op het moment dat zij vennoot werd van [X] het verzorgen van de boekhouding was overgedragen aan een ander ( [Y] B.V.) en dat [A] in 2013 weliswaar opdracht heeft gegeven om de boekhouding over 2012 af te ronden, maar dat deze destijds niet (meer) bevoegd was om [X] te vertegenwoordigen. [A] heeft bovendien aan Batist aangegeven dat de verzorging van de boekhouding per 1 augustus 2012 was overgedragen. Ten slotte stelt [appellante] dat de facturen reeds zijn betaald, en dat ze verder onredelijk hoog zijn en deels betrekking hebben op [Z] , waar [appellante] buiten staat.

3.2

Batist heeft de stellingen van [appellante] betwist. [appellante] is als vennoot aansprakelijk voor betaling van de onder 2 (iv) en (v) genoemde facturen, ook al hebben die mede betrekking op een periode dat [appellante] nog geen vennoot was. De volledige administratie over 2012 is door [A] beschikbaar gesteld, waaruit volgens Batist blijkt dat [A] mede handelde namens [appellante] .

3.3

De kantonrechter heeft het verzet ongegrond verklaard en hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. Als vaststaand wordt aangenomen dat de in rekening gebrachte werkzaamheden uitsluitend betrekking hebben op [X] . De gefactureerde werkzaamheden voor het boekjaar 2012 zijn verricht nadat Batist begin 2013 op verzoek van [X] met spoed de aangifte over 2011 had gedaan. [A] heeft voor het boekjaar 2012 de gehele administratie aan Batist verstrekt. Aldus mocht Batist er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [A] [X] rechtsgeldig vertegenwoordigde bij het geven van de opdracht tot het opstellen van de jaarrekening over 2012. [appellante] heeft verder in het licht van de betwisting van Batist niet aannemelijk kunnen maken dat met de betaling van een bedrag van € 500,20 alle werkzaamheden voor het boekjaar 2012 waren voldaan. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering komt [appellante] op met twee grieven.

3.4.1

De eerste grief ziet op de door de kantonrechter in positieve zin beantwoorde vraag of Batist erop mocht vertrouwen dat [A] bevoegd was om namens [X] een opdracht te verstrekken tot het verzorgen van de jaarrekening over 2012. Ter toelichting heeft [appellante] aangevoerd dat [A] onbevoegdelijk een opdracht heeft gegeven om de jaarrekening over de periode vanaf januari 2012 tot 1 augustus 2012 te verzorgen, terwijl hij ook slechts de boekhouding over de eerste twee kwartalen 2012 en, naar het hof begrijpt, telkens na afloop van het desbetreffende kwartaal heeft overhandigd en verder geen stukken ter beschikking heeft gesteld in 2013. Verder stelt [appellante] dat Batist wist dat [A] met ingang van 1 augustus 2012 als vennoot in [X] was teruggetreden.

3.4.2

Het hof merkt allereerst op dat uit de reactie van Batist in de memorie van antwoord (randnummer 6) valt af te leiden dat de door [A] gegeven opdracht zag op de jaarrekening 2012, waarbij rekening diende te worden gehouden met het uittreden van [A] als vennoot per 1 augustus 2012. Het hof leidt uit hetgeen in de memorie van antwoord aldaar is opgemerkt tevens af dat Batist op het moment van het geven van die opdracht door [A] ervan op de hoogte was dan wel raakte dat [A] per 1 augustus 2012 als vennoot was uitgetreden uit [X] . Naar het hof begrijpt stelt [appellante] feitelijk dat die laatste wetenschap van Batist in de weg staat aan de vordering van Batist tot betaling van de onder 2 (iv) en (v) genoemde facturen, nu [A] immers op het moment van het geven van de opdracht geen vennoot meer was van [X] .

3.4.3

Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of de onbevoegdheid van een vertegenwoordiger aan een derde kan worden tegengeworpen het uitgangspunt is dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval Batist gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan [A] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van [X] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (vgl HR 19 februari 2010, NJ 2010, 115 ING/Bera). De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan daarbij ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling (vgl. HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, NJ 2001/157 (Kuijpers/Wijnveen).

3.4.4

Het hof stelt in dit verband vast dat Batist bij het verlenen van de opdracht door [A] ervan op de hoogte was dat deze laatste sedert 1 augustus 2012 geen vennoot meer was van [X] . De contacten door de jaren heen tussen Batist en [X] in het kader van het voeren van de boekhouding, waaronder ook het opstellen van jaarrekeningen en het doen van aangiftes, zijn kennelijk steeds feitelijk verlopen via [A] . Verder is duidelijk dat alle gegevens om de jaarrekening over 2012 op te stellen, daarbij rekening houdend met de positie van [A] als terugtredend vennoot per 31 juli 2012, feitelijk zijn verstrekt door [A] . De stelling van [appellante] dat [A] slechts de gegevens had verstrekt over de eerste twee kwartalen van 2012 en in 2013 geen nadere stukken meer aan Batist heeft overhandigd wordt ontkracht door de verder niet bestreden rapportage omtrent de jaarrekening 2012, zoals deze door Batist op 1 oktober 2013 is opgemaakt. Het is immers niet wel denkbaar en ook niet gesteld dat Batist op een andere wijze deze gegevens heeft verkregen dan via [A] . Met andere woorden: Batist wist weliswaar dat [A] als vennoot was teruggetreden per 1 augustus 2012 maar voor het overige is [A] zich naar Batist toe blijven gedragen als vertegenwoordiger van [X] , waarbij hij kennelijk en met medeweten van [appellante] ook kon beschikken over de relevante stukken uit de boekhouding van [X] over 2012. Batist was er bovendien beroepshalve mee bekend dat [A] en [appellante] echtelieden waren. Onder deze omstandigheden mocht Batist er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de haar verleende opdracht in 2013 tot het opstellen van de jaarrekening tot en met 31 juli 2012 en andere bijkomende werkzaamheden was gegeven namens [X] , waarvan [appellante] op 1 augustus 2012 vennoot was geworden.

De grief wordt verworpen.

3.5.1

De tweede grief ziet op de hoogte van de vorderingen van Batist. [appellante] betoogt dat tussen [A] en Batist de afspraak is gemaakt dat voor het opstellen van de (beperkte) jaarstukken over 2012 een loon is overeengekomen van € 500,= en subsidiair dat dit ook een redelijk bedrag is.

3.5.2

Het hof overweegt als volgt. Batist heeft reeds in eerste aanleg gemotiveerd betwist dat een dergelijk bedrag is overeengekomen. Batist erkent dat een bedrag van € 500,= is betaald in 2013, maar dat zag op een vooruitbetaling voor de nog te verrichten werkzaamheden over 2012, zoals ook valt af te leiden uit de brief van 10 februari 2014 van Batist aan [A] . Tegen de achtergrond van die in wezen niet weersproken brief heeft [appellante] ook thans onvoldoende gesteld voor de gevolgtrekking dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Een daarop gericht min of meer specifiek bewijsaanbod heeft [appellante] verder ook niet gedaan.

3.5.3

Met betrekking tot de door [appellante] gestelde onredelijkheid van de hoogte van de facturen geldt het volgende. Het betreft hier een overeenkomst van opdracht waarop artikel 7:405 BW van toepassing is. Batist heeft de in het geding zijnde facturen gespecificeerd naar uren en het daarbij gehanteerde tarief, zoals blijkt uit de productie 4 bij conclusie van antwoord in oppositie. Dat de daaraan ten grondslag gelegde werkzaamheden zijn verricht wordt op zich niet, althans onvoldoende, betwist door [appellante] . Dat het hierbij om tarieven gaat die bij beroepsgenoten niet gebruikelijk zijn, is door [appellante] niet aangevoerd. Daarom faalt de grief.

3.6

De slotsom is dat beide grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Batist begroot op € 711,= aan verschotten en € 1.264,= voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan, tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, C.M. Aarts en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 september 2016.