Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:382

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
200.172.879/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; wijst het verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen af

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/780
ARO 2016/50
AR 2016/2160
JONDR 2016/571
JIN 2016/127 met annotatie van F. Oostlander
OR-Updates.nl 2016-0141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.172.879/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 2 februari 2016

inzake

1 [A] ,

wonende te [....] ,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, kantoorhoudende te Wassenaar,

2. [B],

wonende te [....] ,

advocaat: mr. F.J. Kremer, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

VERZOEKERS,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. J. Koekkoek, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen worden hierna (ook) als volgt aangeduid:

  • -

    verzoeker sub 1 met: [A]

  • -

    verzoekster sub 2 met: [B]

  • -

    verweerster met: [C]

Voorts worden de volgende personen hierna (ook) als volgt aangeduid:

  • -

    [D] met: [D]

  • -

    [E] met: [E]

  • -

    [F] met: [F]

1.2

[A] en [B] hebben bij op 8 juli 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven –:

  1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [C] , primair over de periode vanaf 2003 tot 8 juli 2015, subsidiair vanaf 2010;

  2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

a. [D] te schorsen als bestuurder van [C] ;

b. de aandeelhoudersrechten van [D] , [E] en [F] op te schorten;

c. te bepalen dat [D] gedurende zijn schorsing als bestuurder geen aanspraak heeft op enigerlei bestuurders- of onkostenvergoeding;

d. [D] te veroordelen tot terugbetaling aan [C] van het salaris / de bestuurdersvergoedingen / de onkosten dat/die hij heeft opgenomen dan wel genoten als gevolg van besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders sinds 31 oktober 2011;

e. het bestuur te verbieden juridische procedures te entameren welke vallen buiten de statutaire doelomschrijving van [C] ;

f. het bestuur te verbieden om activa van [C] over te dragen aan een derde, of om de administratie van [C] buiten haar macht te brengen;

g. te verbieden dat [D] optreedt als voorzitter van de algemene vergadering van aandeelhouders van [C] , zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50.000 per overtreding;

h. te verbieden dat J.B. Maarschalk AA (hierna: Maarschalk) en/of Horlings Accountants & Belastingadviseurs B.V. (hierna: Horlings) optreden/optreedt als boekhouder, projectbegeleider of opsteller van de jaarrekening van [C] en controle daarop uitvoeren/uitvoert, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50.000 per overtreding, subsidiair een vervangende accountant te benoemen die de taken van Maarschalk en/of Horlings overneemt;

i. een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [C] , met bepaling van een zodanig salaris als de Ondernemingskamer geraden acht;

j. ook overigens een scheiding der machten te gelasten binnen [C] en de bij [C] betrokkenen;

met veroordeling van [C] in de kosten van het geding.

1.3

[C] heeft bij op 7 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk zelfstandig verzoek, met producties, de Ondernemingskamer verzocht [A] en [B] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek althans hun verzoek af te wijzen, althans de beslissing op hun verzoek aan te houden totdat de eindrapportage van drs. P. Hoiting RA RV (hierna: Hoiting) gereed is, en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding, [A] en [B] te veroordelen om hun aandelen om niet, althans ten titel van beheer over te dragen aan [C] dan wel aan [D] , dan wel aan [E] , dan wel aan [F] , dan wel aan deze drie personen gezamenlijk, althans zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht, met veroordeling van [A] en [B] in de volledige in dit geding gemaakte en nog te maken rechtsbijstandskosten van [C] en van [D] , [E] en [F] .

1.4

Ter griffie van de Ondernemingskamer is ingekomen op 23 oktober 2015 een tweetal nadere producties, ingediend door mr. Dietz de Loos voornoemd, met afschrift aan [C] .

1.5

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 29 oktober 2015. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht. Mr. Dietz de Loos en mr. Kremer voornoemd hebben dit ieder afzonderlijk gedaan aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en [C] overgelegde – aantekeningen. Mr. Dietz de Loos heeft namens – naar de Ondernemingskamer begrijpt – zowel [A] als [B] , het verzoek met betrekking tot de primair verzochte onderzoeksperiode ingetrokken en in aanvulling op het in 1.2 weergegeven verzoek, de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – [C] te veroordelen in de in dit geding werkelijk gemaakte volledige rechtsbijstandskosten van [A] en [B] . Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.

2 De feiten

2.1

[C] is een familievennootschap die op 22 mei 2003 is opgericht en waarin een aantal onroerende zaken is ondergebracht, met als doel deze te ontwikkelen.

2.2

[D] , [B] , [A] en [E] zijn broers en zus van elkaar. [F] is een neef van hen. [D] , [B] , [A] en [E] houden ieder 12,5% van de aandelen in [C] . [F] houdt 50% van de aandelen. [D] is enig bestuurder van [C] .

2.3

[C] hield de aandelen in De Maalderij Heemstede B.V. (hierna: Maalderij) en Projectontwikkeling Glipstede B.V. (hierna: Glipstede). Deze twee vennootschappen zijn op 1 april 2010 ontbonden en op 10 september 2010 geliquideerd.

2.4

Tussen [A] en [B] enerzijds en [D] , [E] en [F] alsmede [C] anderzijds zijn, zowel zakelijk als privé, verschillende geschillen ontstaan. Hierover zijn en worden verscheidene gerechtelijke procedures gevoerd.

2.5

Op 7 februari 2012 hebben [A] en [B] een verzoekschrift met producties tot het houden van een enquête naar het beleid en de gang van zaken van [C] en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen ingediend. Het verzoek – in de zaak die is geadministreerd onder zaaknummer 200.101.649/01 OK – is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 april 2012. Bij die gelegenheid hebben de bij die zaak betrokken partijen, te weten [D] , [A] , [B] , [E] , [F] alsmede [C] , het in die zaak gerezen geschil in der minne geregeld. De Ondernemingskamer heeft de regeling vastgelegd in een (nader uitgewerkt) proces-verbaal. De regeling houdt in – zakelijk weergegeven – dat een door de Ondernemingskamer aan te wijzen accountant als deskundige bij [C] een boekenonderzoek zal verrichten, overeenkomstig Standaard 4400. De formulering van de onderzoeksopdracht is als volgt: “het onderzoeken of er mogelijk op ongeoorloofde wijze waarden van materieel belang zijn ontvreemd aan de vennootschap dan wel de aandeelhouders”. Tevens is overeengekomen dat [A] en [B] het verzoek tot het bevelen van een enquête en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen intrekken.

Bij beschikking van 27 april 2012 heeft de Ondernemingskamer Hoiting aangewezen als deskundige zoals bedoeld in het proces-verbaal.

Hoiting heeft het onderzoek ingesteld en op 2 mei 2014 een concept van het door hem opgestelde onderzoeksrapport aan partijen voorgelegd. Bij brief van 1 september 2014 heeft mr. Dietz de Loos namens [A] en [B] aan Hoiting geschreven “dat het rapport onvolledig is en niet blijkt geeft van een zorgvuldig onderzoek, zodanig dat het verworpen moet worden”. Eveneens op 1 september 2014 heeft [A] schriftelijk commentaar geleverd op het conceptrapport van Hoiting. Ook nadien is met Hoiting over zijn opdracht en zijn rapportage gecorrespondeerd. Het onderzoek van Hoiting heeft nog niet geresulteerd in een definitief eindrapport.

2.6

Blijkens de door Maarschalk, accountant-administratieconsulent bij Horlings, over [C] opgemaakte rapporten inzake jaarstukken over de jaren 2010 tot en met 2014 bedroeg het eigen vermogen op:

  • -

    31 december 2009: € 2.838.998;

  • -

    31 december 2010: € 221.214;

  • -

    31 december 2011: € 21.839;

  • -

    31 december 2012: € 160.978 negatief;

  • -

    31 december 2013: € 184.877 negatief;

  • -

    31 december 2014: € 189.279 negatief.

Het resultaat na belastingen van [C] bedroeg volgens de respectievelijke winst-en-verliesrekeningen die van deze rapporten deel uitmaken:

  • -

    over het jaar 2009: € 125.791 negatief;

  • -

    over het jaar 2010: € 154.424 negatief;

  • -

    over het jaar 2011: € 199.375 negatief;

  • -

    over het jaar 2012: € 182.817 negatief;

  • -

    over het jaar 2013: € 23.899 negatief;

  • -

    over het jaar 2014: € 4.402 negatief.

2.7

Blijkens de accountantsrapportage van Maarschalk in de genoemde rapporten bedroegen de compensabele verliezen:

  • -

    tegen het einde van 2010: € 506.014;

  • -

    tegen het einde van 2011: € 622.964;

  • -

    tegen het einde van 2012: € 805.764;

  • -

    tegen het einde van 2013: € 829.663;

  • -

    tegen het einde van 2014: € 834.065.

Hieraan is telkens de volgende opmerking toegevoegd:

(…) Dit verlies is, vanwege een wetswijziging die van kracht is met ingang van het boekjaar 2007, nog slechts beperkt toekomstig verrekenbaar (was onbeperkt). De voorwaartse verliesverrekening is thans vastgesteld op maximaal negen jaar. (…)

2.8

In het rapport inzake jaarstukken 2011 is onder “Toelichting op de jaarrekening” opgenomen:

(…) Continuïteit

De balans per 31 december 2011 laat zien dat de onderneming over onvoldoende liquiditeiten beschikt om de kortlopende schulden te kunnen voldoen. Om deze reden is de directie voornemens om de kortlopende vorderingen op aandeelhouders geheel of deels te incasseren. Wanneer deze vorderingen zijn geïncasseerd is naar de mening van de directie de continuïteit van de onderneming voldoende gewaarborgd. (…)

In het rapport inzake jaarstukken 2012 is onder “Toelichting op de jaarrekening” opgenomen:

(…) Discontinuïteit

De balans per 31 december 2012 laat zien dat de onderneming over onvoldoende liquiditeiten dan wel vorderingen beschikt om de kortlopende schulden te kunnen voldoen. Voorts zijn de activiteiten van de vennootschap min of meer gestaakt, en rest de afwikkeling van een aantal lopende juridische procedures (…). Dientengevolge is er sprake van discontinuïteit. Om deze reden vervalt het continuïteitsbeginsel en is de balans opgesteld uitgaande van beoogde liquidatie van de vennootschap in de nabije toekomst. (…)

De rapporten inzake jaarstukken 2013 en 2014 bevatten onder “Toelichting op de jaarrekening” opmerkingen over discontinuïteit met eenzelfde inhoud en strekking (met dien verstande dat in 2014 melding wordt gemaakt van de afwikkeling van een lopende juridische procedure; niet van een aantal daarvan, zoals in 2012 en 2013).

2.9

Maarschalk heeft tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 20 mei 2015, blijkens het daarvan opgemaakte transcript, over het compensabel verlies verklaard:

(…) het is al teloor gegaan. (…)

(…) terug naar de jaarrekening (…) je zou kunnen veronderstellen dat er een compensabel verlies is, alleen de kans dat je dat nog kunt gaan incasseren wordt steeds kleiner, alleen al in tijd gemeten, en dus als je nog een project ter hand zou nemen dan moet dat dus winstgevend zijn afgerond binnen de resterende termijn die we nog hebben voordat de [de Ondernemingskamer leest: mogelijkheid de] verliezen [te] compenseren vervalt.

(…) daar staat in totaal EURO 834.000,= aan verlies (…). Het grootste deel stamt al van enige jaren terug, want de laatste jaarrekeningen hebben we eigenlijk alleen maar administratieve kosten gehad. (…) het is nu nog maximaal 9 jaar compensabel maar vanaf het jaar van ontstaan.

(…) dat betekent dat de grotere verliezen op kortere termijn gaan vervallen, en dat als je een project ter hand zou willen nemen, dan moet dat ook nog afgerond zijn voordat de compensabele verliezen komen te vervallen. Nou, die kans is al niet groot, daarnaast heb je te maken met de fiscus die kan stellen: wij vinden dat de onderneming beëindigd is, en dat als er een nieuw project wordt opgenomen dat dat eigenlijk een nieuwe onderneming is. Dus ook daar vandaan, los van de tijd, is de kans van verliescompensatie niet groot, en daarnaast hebben we te maken met aandeelhouders die (…) niet snel genegen zullen zijn om een nieuw project ter hand te kunnen nemen waarbij op korte termijn EURO 834.000,= kunnen compenseren. Jaarrekeningtechnisch kan ik dus die verliescompensatie niet opnemen, ook al omdat je zegt er is geen continuïteit, en dus zijn die compensabele verliezen niets waard. (…)

3 De gronden van de beslissing

3.1

[C] heeft betoogd dat [A] en [B] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun verzoek. Zij hebben naar voren gebracht dat i) verzoekers niet tijdig hun bezwaren tegen het beleid bekend hebben gemaakt, ii) verzoekers geen materieel belang bij het verzoek hebben, en iii) het verzoek prematuur is omdat Hoiting zijn onderzoek nog niet heeft afgerond. De Ondernemingskamer overweegt hierover als volgt. [A] en [B] hebben met de brief van hun advocaat van 3 juni 2015 hun bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken in [C] voldoende kenbaar gemaakt op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 2:349 lid 1 BW. Het verweer dat [A] en [B] onvoldoende materieel belang hebben bij hun verzoek ontbeert toelichting. Het kan dan ook, mede gelet op hun hoedanigheid van aandeelhouder van [C] , niet slagen. In deze procedure hebben [A] en [B] bezwaren naar voren gebracht die geen betrekking hebben op het door Hoiting op basis van voormelde regeling onderzochte tijdvak. Anders dan [C] aanvoert, staat daarom niet aan ontvankelijkheid van [A] en [B] in de weg dat hun bezwaren zien op een onderwerp dat in Hoitings onderzoek eveneens aan de orde is. Zij zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek.

3.2

[C] heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het kort voor de zitting overleggen door [A] en [B] van de in 1.4 genoemde aanvullende producties, daterend uit 2010 en 2011. De Ondernemingskamer zal geen acht slaan op deze producties, die na 22 oktober 2015, de vijfde werkdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling, ter griffie van de Ondernemingskamer zijn ingekomen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding om af te wijken van dat uitgangspunt zoals bepaald in artikel 2.1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven over het indienen van nadere stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling, mede gelet op het feit dat verzoekers geen reden hebben gegeven voor de late indiening. De Ondernemingskamer zal de producties dan ook retourneren.

3.3

[C] heeft tevens bezwaar gemaakt tegen de in 1.5 genoemde, vermeerdering van het verzoek door [A] en [B] ter terechtzitting, nu zij dit in een eerder stadium van de procedure hadden kunnen doen. De Ondernemingskamer wijst dit bezwaar van de hand. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 283 jº 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de verzoeker bevoegd, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek schriftelijk te vermeerderen. Volgens vaste rechtspraak kan een vermeerdering van het verzoek bij gelegenheid van de mondelinge behandeling worden geaccepteerd. [C] is voldoende in de gelegenheid gesteld zich hiertegen te verweren. Van strijd met de goede procesorde is naar het oordeel van de Ondernemingskamer daarom geen sprake; de vermeerdering wordt toegestaan.

3.4

[A] en [B] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [C] en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Zij hebben ter terechtzitting toegelicht dat hun (gewijzigde) verzoek is gebaseerd op de situatie zoals die per 2010 binnen [C] is ontstaan. Dit leidt ertoe, zo overweegt de Ondernemingskamer, dat hun bezwaren voor zover die niet zien op de periode vanaf 2010, niet behoeven te worden onderzocht. Die bezwaren, onder welke bezwaren betreffende de algemene vergaderingen van aandeelhouders voorafgaand aan 2010, kunnen immers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen twijfel opleveren ten aanzien van het beleid en de gang van zaken vanaf 2010.

3.5

De thans nog resterende bezwaren, die [A] en [B] aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd, zien – kort samengevat – op het volgende: [C] heeft in de loop der jaren substantiële verliezen geleden. Haar eigen vermogen is sinds 2010 zodanig afgenomen, dat – gelet op aanwezige liquide middelen en nog te betalen vorderingen – sprake is van een situatie van “discontinuïteit”, waardoor [C] feitelijk verkeert in de toestand dat zij is opgehouden haar schulden te betalen. De verliezen kunnen niet langer (volledig) worden verrekend met toekomstige winsten, temeer nu [C] reeds gedurende vele jaren haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt. Die mogelijkheid is teloor gegaan door slecht beleid van haar bestuurder [D] . Voorts heeft [C] onnodig juridische procedures tegen [A] en [B] aangespannen, waarvan bij voorbaat duidelijk is dat deze zullen worden verloren. [A] en [B] hebben – onder meer over de geleden verliezen – jaar in jaar uit kritische vragen gesteld aan het bestuur, zowel tijdens aandeelhoudersvergaderingen als per brief. Bevredigende antwoorden zijn niet gegeven. De verhoudingen zijn ernstig verstoord en een oplossing blijft uit doordat het bestuur is blijven vasthouden aan de eigen uitgangspunten en [A] en [B] tijdens algemene vergaderingen van aandeelhouders stelselmatig worden overstemd door de andere aandeelhouders, aldus nog altijd [A] en [B] . Hun verzoek dient ertoe tot herstel van de verhoudingen binnen [C] te komen.

3.6

[C] heeft verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal dit verweer voor zover nodig hierna beoordelen.

3.7

De Ondernemingskamer stelt voorop dat de omstandigheden dat een vennootschap gedurende verscheidene jaren verlies lijdt en dat haar eigen vermogen een dalende tendens vertoont, zodanig dat dit jarenlang negatief is, op zichzelf geen grond vormt voor twijfel aan een juist beleid. [A] en [B] hebben evenwel gesteld dat de financiële ontwikkelingen het gevolg zijn van slecht beleid van het bestuur. Zij hebben die stelling echter slechts toegelicht door te wijzen op door [C] geëntameerde ‘onnodige en onverantwoorde juridische procedures’, waarvan de overbodigheid volgens hen blijkt uit de omstandigheid dat die procedures zijn verloren. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is het verlies van die procedures onvoldoende voor de conclusie dat [C] ze ten onrechte en onverantwoord heeft gevoerd. Ook de kosten, die naar de Ondernemingskamer wil aannemen met de procedures zijn gemoeid, kunnen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet leiden tot het oordeel dat het bestuur van [C] slecht beleid heeft gevoerd.

3.8

De bezwaren van [A] en [B] over de compensabele verliezen spitsen zich toe op het verlies van de mogelijkheid tot verliescompensatie. De verklaring van Maarschalk daarover tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 20 mei 2015 kwam voor hen als een volslagen verrassing, nu zij er steeds van uit zijn gegaan dat het fiscale voordeel in verband met geleden verliezen gebruikt zou kunnen worden bij het ontwikkelen van weilanden door middel van een nieuw project.

3.9

De Ondernemingskamer ziet hierin geen grond voor toewijzing van hun enquêteverzoek. Het verwijt van [A] en [B] dat het bestuur zich onvoldoende heeft ingespannen om nieuwe projecten op te starten met het doel om met de daarmee te behalen winst in het verleden geleden verliezen te kunnen compenseren, is, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [C] , onvoldoende onderbouwd om een grond in voormelde zin te kunnen vormen. Het enkele teloorgaan van de mogelijkheid – mede ten gevolge van veranderde fiscale wetgeving – om binnen [C] verliezen voorwaarts te kunnen verrekenen, is daartoe ontoereikend.

3.10

Dat het verrekenen van verliezen slechts beperkt toekomstig mogelijk is, volgt niet alleen uit de wet, maar is in de jaren 2010 tot en met 2014 door Maarschalk telkens vermeld – zoals weergegeven in 2.7 – in zijn accountantsrapportage die deel uitmaakt van de over die jaren opgemaakte rapporten inzake jaarstukken over [C] . Vast is komen te staan dat [C] reeds lange tijd, in ieder geval sinds 2010, geen ondernemingsactiviteiten meer ontplooit. De rapporten inzake jaarstukken van [C] over de jaren 2012, 2013 en 2014 – zoals weergegeven in 2.8 – bevatten een verklaring over discontinuïteit van de vennootschap. Tegen die achtergrond kon de uiteenzetting van Maarschalk tijdens de aandeelhoudersvergadering van 20 mei 2015 over het beperkt voorwaarts kunnen verrekenen van verliezen en het teloor gaan van de mogelijkheid daartoe binnen [C] , geen verrassing zijn geweest voor [A] en [B] . In elk geval ziet de Ondernemingskamer hierin geen aanwijzing dat zij door [C] onvoldoende geïnformeerd zijn.

3.11

De Ondernemingskamer overweegt verder dat de 43 vragen die [A] en [B] tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 25 mei 2012 hebben gesteld, zijn beantwoord door [C] . [A] en [B] hebben niet toegelicht dat [C] in het beantwoorden van de vragen zodanig is tekortgeschoten dat dit een gegronde reden oplevert te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken.

3.12

Dat de door [A] en [B] – die tezamen over een kwart van de aandelen beschikken – tijdens aandeelhoudersvergaderingen naar voren gebrachte standpunten het niet hebben gehaald vanwege de stemverhoudingen, vormt geen grond voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken binnen [C] . De Ondernemingskamer overweegt dat [A] en [B] op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van schending van de bijzondere zorgplicht die leden van organen van de vennootschap jegens de minderheidsaandeelhouder in acht behoren te nemen. De omstandigheid dat [D] , die deel uitmaakt van de meerderheid die zij in de algemene vergadering van aandeelhouders tegenover zich vinden, tevens bestuurder is van [C] , is evenmin reden om aan het beleid van [C] te twijfelen.

3.13

De Ondernemingskamer komt tot de slotsom dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die gegronde redenen opleveren om te twijfelen aan een juist beleid sinds 2010 van [C] . Het verzoek van [A] en [B] tot het bevelen van een onderzoek bij de vennootschap, wordt dan ook afgewezen. Dat brengt mee dat ook hun verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal worden afgewezen en dat de Ondernemingskamer evenmin toekomt aan het beoordelen van het voorwaardelijke zelfstandig verzoek van [C] om [A] en [B] te veroordelen om hun aandelen om niet over te dragen.

3.14

[A] en [B] zullen, als de in het ongelijk te stellen partijen, worden veroordeeld in de kosten van het geding. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding het verzoek van [C] tot vergoeding van de werkelijke kosten toe te wijzen, aangezien niet kan worden geoordeeld dat [A] en [B] misbruik van recht hebben gemaakt.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van [A] en [B] af;

veroordeelt [A] en [B] in de kosten van het geding, deze tot op heden aan de zijde van [C] begroot op € 3.393;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Faber, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. G.M. ter Huurne, raadsheren, en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en drs. P.G. Boumeester, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 2 februari 2016.