Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3810

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
15/00884 t/m 15/00888
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:9996, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1138
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen grond voor het in aanmerking nemen van de door belanghebbende gestelde schuld in box 3. Belanghebbende heeft geen recht op persoonsgebonden aftrek wegens scholingsuitgaven van zijn echtgenote, nu deze uitgaven bij haar aftrekbaar zijn als ondernemingskosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 65
Wet inkomstenbelasting 2001 5.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2167
FutD 2016-2495
FutD 2016-2496
NTFR 2016/2669 met annotatie van mr. J. Nieuwenhuizen
NLF 2016/0292 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 15/00884, 15/00885, 15/00886, 15/00887 en 15/00888

15 september 2016

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 15/1387, HAA 15/1643, HAA 15/1767, HAA 15/1768 en HAA 15/1769 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(J.G.A. de Ruiter en D.L. Weegman).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 176.403 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.150.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag IB opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 161.505 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.495.

1.3.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag IB opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 149.192 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.023.

1.4.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag IB opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 160.639 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0.

1.5.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag IB opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 162.942 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.091.

1.6.

Na tegen de hiervoor gemelde aanslagen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend respectievelijk 16 april 2015 (IB 2009, IB 2010 en IB 2011), 27 februari 2015 (IB 2012) en 30 maart 2015 (IB 2013) de aanslagen gehandhaafd.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 24 november 2015 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

1.8.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende (in één geschrift) ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 9 december 2015 en nader aangevuld bij faxbericht van 2 februari 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser is gehuwd met mevrouw [naam 1] . Eiser heeft twee dochters: mevrouw [naam 2] , geboren op [geboortedatum 1] , en mevrouw [naam 3] , geboren op [geboortedatum 2] .

2. De woning aan de [adres] in [woonplaats] kwalificeert voor eiser als eigen woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001). Eiser heeft de eigen woning en de bijbehorende eigenwoningschuld als volgt in zijn aangiften ib/pvv verwerkt:

Jaar

WOZ-waarde (in €)

Eigenwoningschuld (in €)

2009

1.602.000

234.973

2010

1.610.000

234.973

2011

1.552.000

234.973

2012

1.552.000

201.718

2013

1.533.000

166.908

3. Gerechtshof Amsterdam heeft, op basis van een compromis tussen eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente [naam 4] , in een uitspraak van 8 juli 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:2811) de WOZ-waarde van de eigen woning van eiser voor de jaren 2009 tot en met 2013 als volgt vastgesteld:

Jaar

WOZ-waarde (in €)

2009

1.585.000

2010

1.560.000

2011

1.535.000

2012

1.500.000

2013

1.400.000

4. Eiser heeft een tweetal kapitaalverzekeringen afgesloten (nummers: [nummer 1] en [nummer 2] ). De kapitaalverzekeringen zijn niet gekoppeld aan de eigen woning. De verzekeringen zijn respectievelijk op 1 augustus 2005 en 20 november 2008 geëxpireerd en tot uitkering gekomen. De uitgekeerde bedragen zijn overgemaakt op de bankrekening van eiser.

5. Eiser heeft verweerder bij brief van 26 september 2014 verzocht de aanslagen ib/pvv voor de jaren 2009 tot en met 2012 te verminderen, in verband met een schuld in box 3. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

6. De echtgenote van eiser is arts/homeopaat. Zij staat ingeschreven in het BIG-register en drijft sinds twintig jaar een eigen praktijk.

7. Eiser heeft in de aangifte ib/pvv voor het jaar 2012 een aftrekpost opgenomen voor scholingsuitgaven van zijn echtgenote van € 5.005. In de aangifte ib/pvv voor het jaar 2013 bedroeg deze aftrekpost € 2.236. Dit bedrag is in de bezwaarfase verhoogd naar € 3.583 (zonder aftrek van de drempel van € 250).

8. De jongste dochter van eiser, [naam 3] , heeft in 2012 en 2013 studiefinanciering ontvangen. Eiser heeft in de aangifte ib/pvv voor het jaar 2012 een bedrag van € 4.260 in aftrek gebracht in verband met uitgaven voor levensonderhoud van [naam 3] . In de aangifte ib/pvv voor het jaar 2013 bedroeg deze aftrekpost € 2.130.”

2.2.

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit en voegt daaraan het volgende toe.

2.3.

De inspecteur heeft naar aanleiding van de door de rechtbank in overweging 3 genoemde uitspraak van het Hof waarin de WOZ-waarde van belanghebbendes woning werd verminderd, op de voet van artikel 18a AWR de aanslag over het jaar 2009 verminderd. De verminderingsbeschikking bevat (ten onrechte) de mededeling “U kunt tegen deze vermindering geen bezwaar maken en niet in beroep gaan”.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep spelen dezelfde geschilpunten als in eerste aanleg, te weten:

Jaar 2009

A. Wat is de procesrechtelijke status van belanghebbendes brief van 26 september 2014, waarin hij de inspecteur verzoekt de aanslag te verminderen in verband met een (beweerde) schuld in box 3?

Jaren 2009 tot en met 2013

Moeten de onderhavige aanslagen worden verminderd in verband met een schuld in box 3?

Jaren 2012 en 2013

Heeft belanghebbende recht op persoonsgebonden aftrek wegens scholingsuitgaven van zijn echtgenote?

3.2.

Belanghebbende beantwoordt vraag A als volgt. De brief van 26 september 2014 vormt een bezwaarschrift tegen de aanslag 2009. Dit bezwaarschrift is weliswaar na de wettelijke bezwaartermijn van zes weken ingediend, maar de termijnoverschrijding is, aldus belanghebbende verschoonbaar. De inspecteur stelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het verzoek daarom moet worden opgevat als een verzoek tot ambtshalve vermindering. Zijn beslissing op dat verzoek is, zo stelt hij, niet voor beroep vatbaar. Als het verzoek als bezwaarschrift zou moeten worden opgevat, is het niet-ontvankelijk en had hij het niet-ontvankelijk moeten verklaren.

3.3.

Vragen B en C beantwoordt belanghebbende bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.4.

Belanghebbende heeft ter zitting expliciet zijn standpunt dat hij recht heeft op aftrek wegens voor zijn dochter betaalde studiekosten, ingetrokken.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslagen; de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

De rechtbank heeft – voor zover gelet op hetgeen is weergegeven onder 3.4. in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen:

“Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep ib/pvv 2009

1. Artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend.”

2. Artikel 26 van de Awr bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.”

3. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken (…)”

4. Vaststaat dat eiser het verzoek om vermindering van de aanslag ib/pvv 2009 buiten de wettelijke bezwaartermijn heeft gedaan. Verweerder heeft het verzoek afgewezen. Een dergelijk ambtshalve genomen besluit is voorzien in artikel 65 van de Awr en is daarmee een ingevolge de belastingwet genomen besluit.

5. Een ambtshalve genomen besluit wordt voor zover dit betrekking heeft op jaren vóór 1 januari 2010 niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit brengt - gelet op het gesloten systeem van rechtsmiddelen - mee dat tegen de beslissing van verweerder ingevolge voormelde wettelijke bepalingen geen bezwaar en beroep openstaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag ib/pvv 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit beroep.

Schuld in box 3

6. Artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.

(…)

3. Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer (…)”

7. Eiser voert aan dat hij in 2005 en 2008 uitkeringen uit een kapitaalverzekering heeft ontvangen. Het uitgekeerde kapitaal is op een bankrekening gestort en is jaarlijks verwerkt in de aangiften ib/pvv. Eiser heeft verklaard dat hij van plan was om het uitgekeerde kapitaal aan te wenden voor de aankoop van onroerend goed in [land] . Door omstandigheden is dit uiteindelijk niet doorgegaan. In 2014 is het uitgekeerde kapitaal gebruikt om een gedeelte van de eigenwoningschuld mee af te lossen. Volgens eiser is hierdoor de doelstelling van het uitgekeerde kapitaal gewijzigd. Doordat het uitgekeerde kapitaal niet direct is gebruikt voor aflossing op de eigenwoningschuld, maar pas na enkele jaren, is volgens eiser een schuld ontstaan ter grootte van de aflossing. Eiser is van mening dat deze schuld in de onderhavige jaren als schuld in box 3 in aanmerking moet worden genomen.

8. Verweerder betwist het standpunt van eiser en stelt dat de keuze voor aflossing op de eigenwoningschuld aan eiser was. Dat eiser eerst een andere bestemming voor het uitgekeerde kapitaal voor ogen had en later alsnog gekozen heeft voor aflossing op de eigenwoningschuld, brengt volgens verweerder geen wijziging in het karakter van de eigenwoningschuld.

9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen grond bestaat voor het in aanmerking nemen van de door eiser gestelde schuld. Het in aanmerking nemen van een schuld in box 3 is slechts mogelijk indien sprake is van een daadwerkelijke verplichting. De rechtbank ziet niet hoe tegenover het uitgekeerde kapitaal een verplichting voor eiser is ontstaan. Eiser had het kapitaal vrijelijk kunnen besteden. Dat het uitgekeerde bedrag vóór de aflossing van de hypotheekschuld was gekoppeld aan de eigen woning, is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat het kapitaal niet in box 1 thuishoort. Het op de bankrekening aangehouden kapitaal vormt voor eiser een bezitting die in box 3 thuishoort. Eiser heeft het bedrag terecht in box aangegeven. Dat het voor eiser fiscaal voordeliger zou zijn geweest als hij het uitgekeerde kapitaal direct had aangewend voor aflossing op de eigenwoningschuld, doet hier niet aan af.

Persoonsgebonden aftrek

10. Artikel 6.1 van de Wet IB 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en

b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…)

c. uitgaven voor levensonderhoud van kinderen (afdeling 6.4);

(…)

f. scholingsuitgaven (afdeling 6.7);

(…)”

11. (…)

12. (…)

13. (…)

14. Artikel 6.27 van de Wet IB 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.

2. Als scholingsuitgaven worden mede aangemerkt uitgaven ter zake van het volgen van een procedure erkenning verworven competenties waarvoor een verklaring is afgegeven door een bij ministeriële regeling aangewezen instantie.

3. Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning die op zijn partner drukken, worden mede als scholingsuitgaven aangemerkt.”

15. Eiser stelt dat zijn echtgenote in 2012 en 2013 diverse opleidingen heeft gevolgd. Ter zitting heeft de echtgenote van eiser verklaard dat zij de opleidingen enerzijds heeft gevolgd om haar BIG-registratie te behouden, anderzijds om haar kennis te verbreden. Eiser voert aan dat de scholingsuitgaven een grote kostenpost voor zijn echtgenote zijn.

16. Verweerder stelt dat geen sprake is van scholingsuitgaven. Volgens verweerder zijn de studiekosten van de echtgenote van eiser gemaakt in het kader van haar ondernemingsactiviteiten.

17. Van een opleiding of studie in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is sprake indien de echtgenote van eiser door middel van de opleidingen vakkennis heeft willen verwerven, welke zij nog niet bezat, teneinde vakbekwaamheid te verkrijgen of haar vakbekwaamheid uit te breiden. Dit alles met het oogmerk en in de redelijke verwachting om na voltooiing van de opleiding of studie de verworven kennis in het economische verkeer productief te (kunnen) maken. Van een opleiding of studie in meer bedoelde zin is geen sprake indien het daarbij slechts gaat om het op peil houden van de vakkennis - daaronder begrepen een aanvulling van de vakkennis die reeds vroeger werd verworven, welke aanvulling door de ontwikkeling van het vak is geboden om de vakbekwaamheid niet te doen verminderen - ook al heeft de echtgenote van eiser het oogmerk en de redelijke verwachting de aldus verworven kennis in het economische verkeer productief te (kunnen) maken (zie HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7737).

18. Uit de verklaring van de echtgenote van eiser en de stukken van het geding blijkt niet dat feiten zijn vastgesteld of aangevoerd, waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de echtgenote van eiser zich vakkennis welke zij nog niet bezat, heeft willen verwerven teneinde vakbekwaamheid te verkrijgen of haar vakbekwaamheid uit te breiden. De studiekosten zijn derhalve niet aan te merken als uitgaven ter zake van de opleiding of studie, als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001. Dat de scholingsuitgaven een grote kostenpost voor de echtgenote van eiser zijn, maakt dit niet anders.

19. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

Jaar 2009. Ontvankelijkheid.

5.1.

Belanghebbendes brief van 26 september 2014 behelst voor wat betreft het jaar 2009 een verzoek aan de inspecteur om “ambtshalve de schuld onder box 3 (…) aan te passen”. Gelet op deze bewoordingen, alsmede de omstandigheid dat de brief lang na het verstrijken van de bezwaartermijn werd ingediend, moet de brief worden aangemerkt als een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB 2009. De inspecteur heeft de brief terecht als zodanig opgevat.

5.2.

Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling dat het redelijk zou zijn dat de inspecteur naar aanleiding van de vermindering van de WOZ-waarde de aanslag wederom volledig in behandeling zou nemen, zodat – naar het Hof verstaat – de bezwaarprocedure zou herleven. Artikel 18a AWR schrijft weliswaar voor dat de inspecteur na een ambtshalve vermindering van de WOZ-waarde de aanslag vermindert - hetgeen de inspecteur heeft gedaan bij beschikking van 15 augustus 2014 - maar deze vermindering ziet alleen op de IB-gevolgen van de vermindering van de WOZ-waarde. Belanghebbendes in de brief van 26 september 2014 aangevoerde klachten hebben geen betrekking op deze vermindering, maar uitsluitend op de aftrek van een gestelde box 3 schuld. Niet valt in te zien waarom deze box 3 klachten niet tijdig, dat wil zeggen binnen de bezwaartermijn, konden worden aangevoerd. De omstandigheid dat de 18a AWR beschikking van 15 augustus 2014 een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing bevat, maakt dat niet anders: de IB-gevolgen van de vermindering van de WOZ-waarde houden immers geen enkel verband met de geclaimde box 3 schuld. Anders gezegd: de reeds ingetreden termijnoverschrijding veroorzaakt door het aan belanghebbende toerekenbare verzuim (dat hij niet binnen de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt met betrekking tot de (beweerde) box 3 schuld), kan niet door de latere onjuiste rechtsmiddelenverwijzing (die niets te maken heeft met die schuld) worden geheeld.

5.3.

De door de inspecteur op het verzoekschrift gegeven inhoudelijke beslissing vormt een ambtshalve genomen besluit waartegen geen bezwaar en beroep open staat. Nu belanghebbende niettemin beroep daartegen heeft ingesteld, had de rechtbank het beroep voor het jaar 2009 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Weliswaar heeft de rechtbank terecht (in overweging 5) geoordeeld dat zij het beroep niet inhoudelijk kon behandelen, maar zij heeft het beroep in het dictum ongegrond (in plaats van niet-ontvankelijk) verklaard. Het Hof zal de uitspraak op dit punt vernietigen en, doende wat de rechtbank had moeten doen, het beroep voor het jaar 2009 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

5.4.

Opmerking verdient ten slotte dat de met ingang van 1 januari 2010 in de wet IB 2001 opgenomen regel, dat de inspecteur op een verzoek tot ambtshalve vermindering bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist, toepassing mist. Deze bepaling geldt, blijkens artikel XXVII, lid 1, onder a, van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (Staatsblad 2009, 611) slechts voor de tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010.

Jaren 2010-2013

B. Moeten de onderhavige aanslagen worden verminderd in verband met een schuld in box 3?

5.5.

Het Hof sluit zich aan bij de onderdelen 6 tot en met 9 van de uitspraak van de rechtbank en neemt deze over.

5.6.

In hoger beroep heeft belanghebbende overgelegd (productie 1 bij de pleitnota) een aan hem gerichte brief, afkomstig van [naam 5] levensverzekeringen N.V., gedagtekend 20 juli 2005. De brief heeft betrekking op de onder de feiten genoemde levensverzekering onder polisnummer [nummer 1] . De brief heeft, voor zover relevant, de volgende inhoud:

Wij hebben het verzoek tot uitkering van deze verzekering wegens expiratie per 01-08-2005 behandeld.

De uitkering bedraagt € 166.906,-.

(…)

Het uit te keren bedrag van € 166.906 is overgeboekt naar de hypothecaire geldlening onder de nummers [nummer 3] en [nummer 4] ”

5.7.

Belanghebbende stelt in zijn pleitnota, onder verwijzing naar deze brief: “Hieruit blijkt overduidelijk dat de verzekering eerst is gebruikt als aflossing voor de hypotheek en daarna op mijn verzoek een bedrag is opgenomen uit de hypotheek. Dat gold precies hetzelfde voor de verzekering die in 2008 tot uitkering kwam”. Het aldus opgenomen bedrag vormde, aldus belanghebbende, een nieuwe lening die niet is aangegaan ter verwerving (et cetera) van de eigen woning, en dus niet als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Vanaf dat moment is sprake van een box 3 schuld, aldus belanghebbende.

5.8.

De inspecteur bestrijdt de door belanghebbende geschetste gang van zaken. Uit de door belanghebbende overgelegde brief blijkt niet dat, zoals belanghebbende stelt, hij een nieuwe lening is aangegaan c.q. een bedrag heeft opgenomen uit de hypotheek. Als dat zo zou zijn, moet er meer (bewijs) zijn dan alleen deze brief, aldus de inspecteur.

5.9.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende, op wie de bewijslast rust, er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, zoals hij stelt, enig bedrag heeft “opgenomen uit de hypotheek”. Belanghebbende heeft, met andere woorden, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat opnieuw een schuld is aangegaan. Vraag B dient derhalve negatief te worden beantwoord.

Jaren 2012 en 2013

C. Heeft belanghebbende recht op persoonsgebonden aftrek wegens scholingsuitgaven van zijn echtgenote?

5.10.

Overweging 17 van de rechtbank is onjuist. Scholingsuitgaven zijn, aldus artikel 6.27 Wet IB 2001, uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Anders dan de rechtbank in onderdeel 17 heeft geoordeeld, betreft het niet - anders dan onder de voorganger van deze regeling in de Wet IB 1964 - slechts een opleiding of studie om nieuwe vakkennis of bekwaamheid te verwerven. Het arrest waar de rechtbank in overweging 17 naar verwijst had betrekking op het jaar 1997, toen de Wet IB 1964 nog gold. Onder de huidige regeling van artikel 6.27 Wet IB 2001 kunnen ook kosten voor een opleiding of studie gevolgd om bestaande vakkennis of bekwaamheid in stand te houden, behoren tot de scholingsuitgaven.

5.11.

De onjuiste motivering van de rechtbank helpt belanghebbende echter niet.

5.12.

De inspecteur heeft twee stellingen ingenomen. Hij stelt ten eerste (primair) dat geen sprake is van scholingsuitgaven in de zin van de wet, omdat de scholing niet onderdeel uitmaakte van een leertraject uitmondende in een diploma; hij stelt ten tweede (subsidiair) dat de door belanghebbende overgelegde bewijsmiddelen aantonen dat de scholing betrekking had op het op peil houden van de aanwezige kennis van de echtgenote, dan wel, indien sprake was van nieuwe kennis of vaardigheden, deze slechts betrekking had op nieuwe ontwikkelingen binnen het vakgebied. Daarom vormen de kosten, aldus de inspecteur, “zakelijke aftrekbare kosten voor de onderneming van uw partner” (voornemen af te wijken van aangifte, 3 december 2014).

5.13.

Het Hof is van oordeel dat de primaire stelling (c.q. de vraag of sprake is van scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 IB 2001) in het midden kan blijven, omdat de uitgaven in ieder geval (ook) kosten van onderneming vormen voor belanghebbendes echtgenote. Blijkens de overgelegde bewijsmiddelen, waaronder de ter zitting overgelegde bewijzen van deelnamen aan cursussen en bijeenkomsten, en de daarop gegeven toelichting, hebben de uitgaven betrekking op hetzij verplichte scholing voor het behoud van de vergunning als arts, hetzij scholing op het gebied van voor de onderneming nuttige of noodzakelijke vaardigheden of kennis. Indien al sprake was van een nieuwe vaardigheid of kennis, betrof dat een ontwikkeling binnen of aansluitend aan het vakgebied, zoals de uitbreiding van de specialisatie van homeopaat naar orthomoleculaire geneeskunde. Alle uitgaven staan dus in het voor aftrek als ondernemingskosten noodzakelijke causale verband.

5.14.

Nu de uitgaven aftrekbaar zijn als ondernemingskosten bij de echtgenote, kunnen zij niet als scholingsuitgaven (bij belanghebbende) in aftrek worden gebracht (artikel 2.14 in verband met artikel 2.17 Wet IB 2001). De belastingplichtige heeft hier geen vrije keus. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende stelt, de hoogte van de door de echtgenote behaalde winst, na aftrek van de zelfstandigenaftrek ertoe leidt dat de aftrek bij haar fiscaal geen nut heeft, maakt dat niet anders.

Slotsom

5.15.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende slechts in zoverre gegrond is dat het beroep met betrekking tot het jaar 2009 ten onrechte ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk is verklaard. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient deels te worden vernietigd.

6 Griffierecht en kosten

6.1.

Nu de uitspraak van de rechtbank deels wordt vernietigd, en de vernietiging niet is te wijten aan de inspecteur, zal het Hof de griffier gelasten het door belanghebbende voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht terug te betalen (artikel 8:114 Awb).

6.2.

Het Hof acht voorts, nu de uitspraak van de rechtbank deels wordt vernietigd, termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Niet relevant is dat de vernietiging geschiedt op een ambtshalve door het Hof bijgebrachte grond.

6.3.

De kostenveroordeling betreft uitsluitend de reiskosten van belanghebbendes woonplaats naar het paleis van justitie te Amsterdam ad €11,22. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende bijstand of andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

7 Beslissing

Het Hof

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het jaar 2009;

  • -

    verklaart het beroep met betrekking tot het jaar 2009 niet-ontvankelijk;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

  • -

    gelast de griffier het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 123 te vergoeden, en

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende voor het hoger beroep gemaakte kosten ter grootte van € 11,22.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, F.J.P.M. Haas en A.O. Lubbers, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 15 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.