Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3809

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
16/00016
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:11007, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vereiste aangifte is niet gedaan. De door de inspecteur toegepaste correcties zijn juist. Aanslag IB 2010 niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2011-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2493
V-N Vandaag 2016/2153
V-N 2016/66.6
mr. A.A. Feenstra annotatie in NTFR 2016/2743

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 16/00016

30 augustus 2016

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 15/1695 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(S.E. Steenwinkel).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 januari 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.281.

1.2.

Belanghebbende heeft op 4 december 2013, 13 november 2014 en 16 november 2014 digitale aangiften IB 2010 gedaan. De inspecteur heeft de aangifte van 13 november 2014 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de sub 1.1. genoemde aanslag. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 12 maart 2015, is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve beoordeeld en gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 17 december 2015 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 januari 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2016. Belanghebbende is verschenen en namens de inspecteur, S.E. Steenwinkel voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): :

“1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en ongehuwd. Eiser heeft in 2010 een Wajonguitkering en bijstand ontvangen. Eiser verrichtte in 2010 activiteiten onder de naam [naam] .

2. Op of omstreeks 28 februari 2011 heeft verweerder eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2010. Op 29 juni 2011 heeft verweerder een herinnering gezonden met als reactiedatum 13 juli 2011.

3. Verweerder heeft de aanslag 2010 met dagtekening 5 januari 2013 ambtshalve opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.281.”

2.2.

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit en voegt daaraan nog de volgende feiten toe.

2.3.

Tot de gedingstukken behoren door belanghebbende overgelegde rekeningafschriften (deze staan op naam van belanghebbende). Op deze rekeningafschriften staan drie teruggaven omzetbelasting over het jaar 2010 vermeld: € 2.189, €2.911 en € 2.565 (tezamen € 7.665).

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslag IB 2010 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Beoordeling van het geschil

8. Verweerder heeft in overeenstemming met artikel 9.6, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op het verzoek van eiser om ambtshalve vermindering bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Eiser heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij heeft bedoeld alleen beroep in te stellen tegen deze beslissing. Verweerder heeft hierop desgevraagd te kennen gegeven in te stemmen met rechtstreeks beroep. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiser dus ontvankelijk.

9. Vaststaat dat eiser in februari 2011 is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2010 en dat eiser in juni 2011 een herinnering is gezonden met als reactiedatum 13 juli 2011. Gesteld noch gebleken is dat eiser het aangiftebiljet en de herinnering niet heeft ontvangen.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangiftetermijn op 13 juli 2011 afliep en dat eiser niet binnen die termijn aangifte heeft gedaan. Daarmee staat vast dat eiser de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e, eerste lid, van de AWR niet heeft gedaan. Dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast (Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2988). De aangiften die na het ambtshalve opleggen van de aanslag zijn ontvangen kunnen niet als de vereiste aangifte worden aangemerkt (HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9676).

11. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij eiser doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de beslissing van verweerder onjuist is. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij niet over jaarcijfers beschikt, maar dat het bedrag van € 30.000 als resultaat uit overige werkzaamheden dat verweerder in aanmerking heeft genomen te hoog is. Eiser heeft zijn standpunt niet nader toegelicht en evenmin stukken overgelegd die daaraan steun bieden, zodat eiser niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Verweerder mag de aanslag 2010 echter niet naar willekeur opleggen dan wel handhaven. Dat betekent dat verweerder een redelijke schatting dient te maken (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Verweerder heeft toegelicht dat hij het resultaat uit overige werkzaamheden heeft bepaald aan de hand van de gegevens die eiser heeft verstrekt in het kader van zijn omzetbelastingverplichtingen over het jaar 2010. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens niet ter discussie gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van verweerder aan de hand van deze gegevens als redelijk moet worden gekwalificeerd. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Aangaande hetgeen de rechtbank in haar overwegingen 8 tot en met 10 heeft geoordeeld over de ontvankelijkheid van het beroep en (de vraag of sprake is van) de vereiste aangifte overweegt het Hof dat de rechtbank in genoemde overwegingen op goede gronden juiste beslissingen heeft genomen. Het Hof neemt deze beslissingen over en maakt deze tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuw of ander licht geworpen op hetgeen in die rechtsoverwegingen aan de orde is gesteld.

5.2.

Op grond van artikel 27e AWR, in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR, dient het (hoger) beroep, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het is derhalve aan belanghebbende om te doen blijken dat de door de inspecteur toegepaste correcties onjuist zijn. Hierbij dient in acht te worden genomen dat de aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld maar dient te berusten op een redelijke schatting. Het Hof stelt daarbij voorop dat het bij het beoordelen van de vraag of de schatting van de inspecteur redelijk is, slechts toetst of de inspecteur bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot de onderhavige schatting heeft kunnen komen.

5.3.

De inspecteur heeft het (geschatte) resultaat uit overige werkzaamheden bepaald aan de hand van de gegevens die belanghebbende heeft verstrekt in het kader van zijn omzetbelastingverplichtingen over het jaar 2010, voorts heeft de inspecteur in hoger beroep een nadere onderbouwing van zijn schatting gegeven aan de hand van de door belanghebbende bij zijn hogerberoepschrift overgelegde afschriften van een op belanghebbendes naam gestelde rekening (zie onder 2.3). De inspecteur betoogt onder meer aan de hand van de door belanghebbende gevraagde en ontvangen omzetbelastingteruggaven (tezamen € 7.665) voor het jaar 2010 “dat er in 2010 minstens € 30.332 (bij 19% omzetbelasting) dan wel € 118.228 (bij 6% omzetbelasting) aan kosten of inkopen moeten zijn geweest. Om deze kosten of inkopen te kunnen betalen, moet er geld beschikbaar zijn geweest”. Gelet hierop, in combinatie met de door belanghebbende aangegeven omzet van € 32.936, heeft de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende uit diens activiteiten onder de naam ‘ [naam] ’ geschat op € 30.000.

5.4.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof, ter aanvulling van hetgeen hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, gesteld dat hij het slachtoffer is geweest van (identiteits)fraude, hetgeen onder meer heeft veroorzaakt dat (aan hem toekomende) teruggaven van de Belastingdienst niet op zijn rekening terecht zijn gekomen (hetgeen - naar het Hof begrijpt - volgens belanghebbende meebrengt dat de door de inspecteur gedane schatting onjuist is). Het Hof overweegt dat - ook indien veronderstellenderwijs ervan uit wordt gegaan dat een dergelijke fraude heeft plaatsgevonden - dit belanghebbende niet kan baten. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de inspecteur het bij de aanslagregeling in aanmerking genomen (geschatte) resultaat uit overige werkzaamheden heeft bepaald aan de hand van de gegevens die belanghebbende, zoals hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, zelf heeft verstrekt in het kader van zijn omzetbelastingverplichtingen over het jaar 2010. Dit nog daargelaten dat belanghebbende zelf bij zijn hoger beroepschrift (op zijn naam gestelde) rekeningafschriften heeft overgelegd waarop teruggaven omzetbelasting over 2010 van de Belastingdienst zijn vermeld en de inspecteur ter zitting van het Hof onbetwist naar voren heeft gebracht dat het rekeningnummer op de door belanghebbende ingebrachte rekeningafschriften ook overigens door de Belastingdienst wordt gebruikt voor teruggaven etc. Voorts heeft belanghebbende ter zitting van het Hof erkend dat hij in 2010 wel activiteiten onder de naam [naam] (waaronder verkoop van telefoons) verrichtte maar dat hij niet over een financiële vastlegging van deze activiteiten beschikt.

Naar het oordeel van het Hof is de door de inspecteur gedane schatting (zie onder 5.3.) onder die omstandigheden niet als onredelijk aan te merken.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voorts met hetgeen hij in (hoger) beroep heeft ingebracht niet overtuigend aangetoond dat de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden voor een te hoog bedrag in aanmerking heeft genomen. Aldus is het gelijk aan de inspecteur.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, H.E. Kostense en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 30 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.