Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3649

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
200.161.023/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Vernietiging leaseovereenkomsten op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW door echtgenote. Bewijsvermoeden dat echtgenote eerder dan drie jaren vóór de vernietigingsbrief op de hoogte was van de leaseovereenkomst is voldoende ontzenuwd. Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:4336.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.161.023/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 2751958 /CV EXPL 14-1165

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 september 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 20 oktober 2015 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt naar dit arrest verwezen.

Bij genoemd arrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands als bewezen aangenomen feit dat zijn echtgenote [X] (hierna: [X] ) meer dan drie jaar voordat zij de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk heeft vernietigd bij brief van 3 februari 2003 met het bestaan daarvan bekend is geworden.

Ingevolge het tussenarrest heeft [appellant] zichzelf en [X] als getuigen doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de gedingstukken gevoegd.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Ten aanzien van het door [appellant] te leveren tegenbewijs overweegt het hof als volgt.

2.2

[appellant] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Ik heb in 1997 de contracten waarover het nu gaat afgesloten door het invullen van het formulier dat bij de folder hoorde die ik heb gekregen. Die folder beloofde een mooi rendement, een veel beter rendement dan de spaarrekening die ik op dat moment had. Ik heb naar aanleiding van die folder geen contact opgenomen en er is ook niemand bij mij thuis geweest, ik heb gewoon het formulier ingevuld en getekend. De maandelijkse betalingen werden gedaan van een postbank rekening met een nummer eindigend op nummer [nummer] . Dat is een rekening die alleen op mijn naam staat en altijd gestaan heeft. Mijn vrouw is daarop niet gemachtigd en het is ook nooit ook een en/of rekening geweest. Ik heb mijn vrouw daarover toen niets verteld. De inleg die ik aan deze Dexia contracten betaalde kwam in de plaats van de 200 gulden per maand die ik voor 1997 op die spaarrekening stortte, dus dat maakte niet uit. Ik regel thuis altijd alle financiën en het leek mij niet nodig om mijn vrouw hierover te vertellen. Ik had geen bijzondere reden om die contracten te sluiten anders dan het betere rendement. Als ik een mooie opbrengst zou krijgen, zoals ik op grond van de folder verwachtte, zou ik mijn vrouw daarmee verrassen.

Ik heb later ook andere Dexia contracten afgesloten en ook daarvan heb ik mijn vrouw bij het afsluiten niet verteld. Toen in 2002 in de media aandacht werd besteed aan deze contracten heb ik mijn vrouw pas op de hoogte gesteld. Dat is in dat jaar geweest, en wel vóór 20 juni 2002. Die datum is de datum dat wij ons hebben ingeschreven bij leaseverlies of eegalease, ik weet even niet welke van de twee. Omdat ik begrepen had dat mijn vrouw een verzoek moest doen om die contracten te vernietigen kon ik niet anders dan haar op de hoogte stellen en dat heb ik dus ook gedaan. Ik heb aan dat gesprek geen heel scherpe herinnering, ik denk dat we op de bank zaten. Ik kan mij niet precies herinneren hoe mijn vrouw reageerde. Ik geloof niet dat ze boos is geworden, dat wordt ze niet zo snel. Ik meen mij te herinneren dat ze wel teleurgesteld was.

(…)

Het is in ons huwelijk zo dat ik alle financiën doe. Er is wel post van Dexia gekomen, maar die legde mijn vrouw dan voor mij opzij. Ik borg die post vervolgens op in ordners. Dat waren in het algemeen betalingsherinneringen. Ik deed aangifte voor de inkomstenbelasting. Ik vulde ook voor mijn vrouw haar aangiftebiljet in, zodat zij kon tekenen. Op mijn aangiftebiljet stonden die Dexia contracten, in het begin was de rente nog aftrekbaar. Ik tekende mijn aangiftebiljet zelf, mijn vrouw bemoeide zich daar niet mee. Wij zijn tussen 1997 en 2002 twee keer verhuisd, één keer in 1998 en één keer in 2000. Dat ging steeds om koopwoningen. Toen wij in 1998 verhuisden konden we de hypotheek meenemen en toen waren de Dexia contracten en de BKR notering dus helemaal niet aan de orde. In 2000 was dat anders. Toen ben ik door de makelaar (de heer [A] ), die ook de nieuwe hypotheek voor ons regelde, op kantoor gebeld met de mededeling dat er een BKR notering was. Ik heb toen contact opgenomen met Dexia en Dexia heeft dat op een of andere manier geregeld, als ik het goed heb door een tijdelijke opschorting van die notering, maar dat weet ik niet precies. In elk geval was het probleem toen opgelost. Ik heb mijn vrouw daarover niet verteld, dat leek me niet nodig. Ook bij de bezichtiging van het huis is dat niet aan de orde geweest, daar was de makelaar niet bij.

(…)

Mij wordt gevraagd of mijn vrouw en ik overlegden over grote uitgaven. In het algemeen spraken wij daarover wel, maar zij liet de financiën aan mij over. Wij hebben het misschien wel eens over sparen gehad. Over pensioen hoefden we het niet te hebben, dat werd via mijn werkgever geregeld.”

[X] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

(…)

In het algemeen was het zo in ons huwelijk dat mijn man de financiën deed en dat ik mij daar niet mee bemoeide. Dat is trouwens nog steeds zo. Onze kinderen zijn geboren in 1997 en 1998. Ik ben weer aan het werk gegaan rond 2005. Mijn salaris werd gestort op onze gezamenlijke en/of rekening bij de Rabobank. Daarnaast had mijn man nog 2 privé rekeningen, één bij de Rabobank en één bij de Postbank. Op die privé rekeningen van hem was ik niet gemachtigd. Ik had er ook geen zicht op hoeveel geld daar op stond. Wij zijn verhuisd in 1998 en in april 2000. Dat ging steeds om koophuizen. Ik neem aan dat ik mee heb getekend voor de hypotheken, maar ik heb daar geen concrete herinneringen aan. Ik herinner me dat [A] betrokken was bij de koop van het huis waar naar wij in 2000 zijn verhuisd, maar ik weet niets van een opmerking van hem over een BKR notering. Ik weet wat een BKR notering is, volgens mij kun je dan geen hypotheek krijgen. Dat er op dat punt in 2000 een probleem was zegt mij niets ik heb daar toen in elk geval niets over gehoord.

Op een gegeven moment kwam in de media berichtgeving over het type contracten zoals mijn man bij Dexia had en over de mogelijkheid om daar iets aan te doen. Mijn man heeft mij toen verteld dat hij een aantal aandelen leasecontracten bij Dexia had. Dat is in elk geval na de verhuizing in april 2000 geweest en kort voor de aanmelding bij leaseverlies. Preciezer dan dat kan ik nu niet zeggen, uit die oudere verklaring die ik destijds getekend heb maak ik op dat het in juni 2002 geweest moest zijn. Omdat ik mij het gesprek waar in mijn man mij op de hoogte stelde niet meer precies voor de geest kan halen weet ik ook niet meer waar dat was en hoe ik gereageerd heb. Wel weet ik dat ik bezorgd was over de financiële consequenties, omdat het om vrij veel geld ging. Vanaf dat moment ben ik de berichtgeving over Dexia gaan volgen. Daarvoor keek ik bijvoorbeeld ook niet naar programma’s zoals Radar.

Als er post komt leg ik de financiële post opzij voor mijn man. Andere post en ook reclamemateriaal bekijk ik zelf wel. Ook kijk ik wel eens naar het saldo van onze gezamenlijke rekening bij de Rabobank om te zien of er genoeg geld is voor boodschappen. Dat was ook destijds zo. Er was eigenlijk altijd genoeg geld. Ik heb geen herinnering aan enveloppen van Dexia of bijvoorbeeld Bank Labouchere, waarschijnlijk heb ik die, als ze er geweest zijn, apart gelegd voor mijn man. Ik kan mij ook niet herinneren dat er vóór 2002 ooit telefonisch contact geweest is met Dexia. In de voorbereiding op deze zitting heb ik van mijn man begrepen dat hij de contracten heeft gesloten zonder persoonlijk contact, hij heeft neem ik aan het materiaal per post gekregen. Over de aankoop van het huis in 2000 hebben wij natuurlijk samen gesproken. Ik wilde graag terug verhuizen naar [plaats] en van mijn man begreep ik dat dat financieel zou kunnen. Ik heb daar verder niet op door gevraagd. Andere grote uitgaven dan een nieuw huis hebben wij in de periode sinds 1997 eigenlijk niet gehad. Over sparen hebben we het waarschijnlijk wel eens gehad, want ik vind het in principe belangrijk dat er voor de kinderen wordt gespaard. Of dat ook echt gebeurd is weet ik eigenlijk niet. Het zegt mij niets dat mijn man in 1997 een contractje met een inleg van 50 gulden per maand zou hebben afgesloten. Mijn man vulde voor mij mijn belastingaangiftebiljet in en ik tekende dat dan. Zoals ik al eerder verklaarde liet ik alle financiën helemaal aan hem over.

(…)”

2.4

Het hof is van oordeel dat [appellant] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De getuigenverklaringen zijn op (alle) relevante onderdelen met elkaar in overeenstemming. De echtelieden hebben in hoger beroep als getuigen eenduidig verklaard over het moment van wetenschap: kort vóór de aanmelding bij leaseverlies of eegalease en naar aanleiding van de toegenomen aandacht in de media voor dit soort overeenkomsten. Daarnaast hebben zij ook consistent en geloofwaardig verklaard over de wijze waarop de financiën tussen de echtelieden werden geregeld (dit was geen onderwerp van gesprek tussen beiden, de financiën werden geregeld door [appellant] ), de post en de wijze waarop deze werd gesorteerd (financiële post werd opzij gelegd voor [appellant] ), de belastingaangifte en de verhuizingen van het gezin in 1998 en 2000. Dexia heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat haar beroep op verjaring desondanks opgaat.

2.12

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de oorspronkelijke vordering van [appellant] zal worden toegewezen. Het door Dexia te betalen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2004 - op grond van de termijn van zeven dagen die wordt genoemd in de door [X] aan Dexia gerichte brief van 13 oktober 2004 - tot de dag van algehele betaling door Dexia. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de door partijen gesloten leaseovereenkomsten genaamd “Feestplan”, “WinstVerdubbelaar” (inclusief de verlenging van deze laatstgenoemde overeenkomst), met contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW zijn vernietigd en veroordeelt Dexia aan [appellant] te voldoen al hetgeen door [appellant] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomsten is voldaan, te verminderen met hetgeen hij op grond van de leaseovereenkomsten van Dexia heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2004 tot de dag van algehele betaling door Dexia;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 169,82 aan verschotten en € 500,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 404,60 aan verschotten en € 1.788,00 voor salaris en op € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, M.P. van Achterberg en P.F.G.T. Hofmeijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 september 2016.