Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3599

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
23-002410-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:710, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

10 jaar gevangenisstraf voor poging doodslag bij inbraak, vijf andere inbraken en drie pogingen inbraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2016/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002410-15

datum uitspraak: 6 september 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2015 in de strafzaak onder de parketnummers

15-870448-14 en 14-701418-12 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de verdachte in het hoger beroep feit 7

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de bezwaren van het openbaar ministerie niet zien op de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van de verdachte van het onder 7 ten laste gelegde. Het hof zal daarom gelet op het in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde het openbaar ministerie ten aanzien van dit feit niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

De verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 7 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 05 maart 2014 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] op 10 oktober 2014 is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in/uit een woning, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging, althans alleen, van een onbekend gebleven hoeveelheid goed(eren) en/of geld en/of een goudkleurig sieraad, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (artikel 310 jo artikel 311 sub 3/4/5 Wetboek van Strafrecht),

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1.
subsidiair:
hij op of omstreeks 05 maart 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam heeft en/of gestompt, welke voren omschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in/uit een woning, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging, althans alleen, van een onbekend gebleven hoeveelheid goed(eren) en/of geld en/of een goudkleurig sieraad, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (artikel 310 jo artikel 311 sub 3/4/5 Wetboek van Strafrecht),

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1. meer subsidiair:
hij op of omstreeks 05 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen een onbekend gebleven hoeveelheid goed(eren) en/of geld en/of een goudkleurig sieraad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voornoemde [slachtoffer 1] één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1]

zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen bestaande uit ernstig schedel- en/of hersenletsel en/of (meerdere) hoofdletsel(s) en/of een gebroken neus en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken (linker) (grote) teen, en/of

- ( vervolgens) op 10 oktober 2014 is overleden;

2
primair:
hij op of omstreeks 04 maart 2014 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een horloge (merk: Panerai) en/of een of meer onbekend gebleven goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 04 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 2] weg te nemen een of meerdere goed(eren) van zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot bovengenoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s) althans alleen, naar bovengenoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, met een breekijzer, althans met enig voorwerp, heeft geprobeerd om een deur open te breken en/of (vervolgens) een schuifpui en/of (een raam van een) schuifdeur van bovengenoemde woning heeft ingeslagen en/of (vervolgens) bovengenoemde woning is binnen gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:
hij in of omstreeks de periode van 29 september 2013 tot en met 01 oktober 2013 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 3] heeft weggenomen één of meer siera(a)d(en) en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4:
hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 4] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn gegaan, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) een raam van die woning heeft/hebben opengebroken en/of die woning heeft/hebben betreden en/of zoekend rondgekeken in die woning en/of één of meer kastjes doorzocht en/of geprobeerd een (tussen)deur te verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5:
hij in of omstreeks de periode 04 februari 2014 tot en met 5 februari 2014, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 5] heeft weggenomen een televisietoestel en/of een ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

6:
hij op of omstreeks 13 februari 2014, omstreeks 2:30 uur, althans op een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 6] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn gegaan, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) de (voor)deur van die woning heeft/hebben opengebroken en/of zoekend heeft/hebben rondgekeken in die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:
hij op of omstreeks 14 februari 2014, omstreeks 3:00 uur, althans een voor de nachtrust bestemd tijdstip, te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 7] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn gegaan, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben geprobeerd de voordeur van die woning open te breken met een breekvoorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8:
hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 februari 2014, gedurende een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 8] heeft weggenomen twee, althans één of meer, fotocamera's en/of een (macro)lens en/of een statief, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

9:
hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2014 tot en met 27 februari 2014, tussen (ongeveer) 23:00 uur en 7:00 uur, in elk geval een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 9] heeft weggenomen een laptop en/of een portemonnee en/of een portefeuille en/of een geldbedrag van (ongeveer) 350 Euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

10:
hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2014 tot en met 03 maart 2014 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 10] heeft weggenomen één of meer geldbedrag(en) en/of één of meer siera(a)d(en) en/of een laptop en/of een telefoon merk nokia) en/of een boormachine en/of een boormachine en/of een camera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

(partiële) vrijspraken

Vrijspraak feit 1 primair

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het causale verband tussen de door de verdachte jegens mevrouw [slachtoffer 1] gepleegde geweldshandelingen op 5 maart 2014 en haar overlijden op 10 oktober 2014, niet kan worden vastgesteld.

In het dossier bevinden zich hierover enkele deskundigenadviezen.

Volgens [deskundige 1], patholoog bij het NFI is het op grond van alleen de sectiebevindingen niet mogelijk een causaal verband te leggen tussen de ziekelijke hersenafwijkingen en het intreden van de dood. In het rapport van 13 januari 2015 trekt zij dan ook de conclusie dat mevrouw [slachtoffer 1] waarschijnlijk is overleden als gevolg van de verwikkelingen van een ziekelijk vergroot hart, welke conclusie wordt gedeeld door [deskundige 2], forensisch arts bij de GGZ Amsterdam in het rapport van 8 mei 2015.

Weliswaar heeft [deskundige 3], forensisch arts bij het KNMG (NFI) in het rapport van 15 januari 2015 de conclusie getrokken dat het schedelletsel dat op 5 maart 2014 is vastgesteld bij mevrouw [slachtoffer 1] zonder meer als causaal dient te worden beschouwd aan haar overlijden. Deze conclusie is echter door hem genuanceerd op de terechtzitting van de rechtbank van 12 mei 2015. Toen en daar heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het weliswaar aannemelijk is dat de bedlegerigheid van mevrouw [slachtoffer 1] na de geweldsinwerking de situatie rond het hartfalen heeft verslechterd, maar ook, dat de precieze invloed van de immobiliteit op de doodsoorzaak niet meer kan worden achterhaald.

Nu er ook overigens onvoldoende aanknopingspunten zijn om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van de ten laste gelegde gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend, zal de verdachte worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde.

Vrijspraak feit 2 primair


Het hof acht, met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een horloge toebehorende aan [slachtoffer 2] in de woning heeft weggenomen, zodat de verdachte van de primair ten laste gelegde voltooide diefstal dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak ‘tezamen en in vereniging’ feit 1 subsidiair, feit 2 tot en met 6 en 8 tot en met 10

Het hof merkt allereerst ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde op dat niet is gebleken dat iemand anders dan de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met hem betrokken is geweest bij de ten laste gelegde geweldshandelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] zodat hij, ook waar dit overige tenlastegelegde handelingen betreft zal worden vrijgesproken van het onderdeel tezamen en in vereniging.

De verdachte zal eveneens ten aanzien van het onder feit 2 tot en met 6 en 8 tot en met 10 ten laste gelegde onderdeel ‘tezamen en vereniging’ worden vrijgesproken, nu naast de verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en specifiek steunbewijs aanwezig is om vast te kunnen stellen dat er een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte was bij het plegen van deze feiten.

Bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag en heeft daartoe aangevoerd dat bewezen kan worden dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Overwegingen hof

Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van navolgende feiten en omstandigheden:

-aan de verdachte was verteld dat er in de woning wat te halen viel; er zouden waarschijnlijk spullen en contant geld liggen dat de verdachte mee kon nemen (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 855)

-aan de verdachte was verteld dat in de woning een oude vrouw alleen woonde (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 mei 2014, p. 880).

-de verdachte kwam bij de woning en sloeg, na eerst geprobeerd te hebben een deur aan de zijkant open te breken, een raam aan de voorkant in. De verdachte zei tegen de vrouw (het hof begrijpt hier en hierna: mevrouw [slachtoffer 1]) die volgens hem wakker was geworden, dat ze haar mond moest houden. Hij was nog niet binnen en heeft vervolgens nog meer glas ingeslagen waarna de vrouw begon te schreeuwen dat hij weg moest gaan (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 853, 866).

-de verdachte hoorde aan haar stem dat het een oude vrouw was (Proces-verbaal verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 866).

-de verdachte stapte naar binnen en trof de vrouw in de woonkamer. Hij duwde haar weg waarna ze op de grond viel (Proces-verbaal verhoor verdachte van 13 mei 2014, p.866).

-de vrouw stond weer op en de verdachte gaf haar met zijn vuist een klap in haar gezicht, waarna hij haar nog twee klappen heeft gegeven op dezelfde manier (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 mei 2014, p. 893).

-de verdachte sloeg de vrouw naar eigen zeggen redelijk hard; er zat wel vaart achter (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 mei 2014, p. 893).

-de vrouw schreeuwde van de pijn en viel hard op de grond. Daarna was het stil (Processen-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei en 15 mei 2014, p.866 en 893).

-de verdachte doorzocht vervolgens de woning en nam een goudkleurig hangertje mee (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei 2014, p.866, 867).

-het slachtoffer heeft als gevolg van de geweldshandelingen van de verdachte een gebroken neus, een gebroken oogkas en ernstig hersenenletsel opgelopen (dossier Forensische Opsporing, p.143 t/m 144, p. 148 t/m 149).

Uit de te bezigen bewijsmiddelen, in het bijzonder de bovenstaande, leidt het hof af dat de verdachte welbewust en doelgericht mevrouw [slachtoffer 1] enkele malen hard met zijn vuist op een kwetsbaar lichaamsdeel, haar hoofd, heeft geslagen ten gevolge waarvan zij ten val kwam. Dit terwijl de verdachte wist dat zij op leeftijd was en dus een fragieler gestel had dan de gemiddelde persoon en de verdachte ook wist dat zij net was opgestaan na een eerdere val ten gevolge van een duw van de verdachte. Dat het door de verdachte toegepaste geweld aanzienlijk was vindt bevestiging in de aard en zwaarte van de verwondingen die het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen.

Door te handelen als hij heeft gedaan heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden en is het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Uit de verklaringen van de verdachte leidt het hof voorts af dat hij naar de woning is gegaan met de kennelijke bedoeling een diefstal te plegen, dat het slachtoffer hem heeft betrapt en dat hij na de -met het oog op de uitvoering van zijn plan om te stelen- jegens haar gepleegde geweldshandelingen, de woning heeft doorzocht en een goudkleurig sieraad heeft meegenomen, zodat ook bewezen wordt dat de verdachte het geweld heeft gepleegd om de diefstal gemakkelijk te maken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
hij 5 maart 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft gestompt, welke voren omschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal in een woning, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, van een goudkleurig sieraad, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming,

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2 subsidiair:
hij op 4 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 2] weg te nemen een of meerdere goed(eren) van zijn, verdachtes gading, toebehorende aan [slachtoffer 2], en zich daarbij de toegang tot bovengenoemde woning te verschaffen door middel van braak, naar bovengenoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, met een breekijzer, heeft geprobeerd om een deur open te breken en een schuifpui en een raam van een schuifdeur van bovengenoemde woning heeft ingeslagen en bovengenoemde woning is binnen gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:
hij in de periode van 29 september 2013 tot en met 1 oktober 2013 te Alkmaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 3] heeft weggenomen sieraden en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

4:
hij op 29 januari 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 4] weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 4], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, naar die woning is gegaan, waarna verdachte een raam van die woning heeft opengebroken en die woning heeft betreden en geprobeerd een tussendeur te verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5:
hij in de periode 4 februari 2014 tot en met 5 februari 2014, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 5] heeft weggenomen een televisietoestel en een ketting toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;


6:
hij op13 februari 2014, omstreeks 2:30 uur, een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 6] weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 6], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, naar die woning is gegaan, waarna verdachte de voordeur van die woning heeft opengebroken en heeft rondgekeken in die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8:
hij in de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 februari 2014, gedurende een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 8] heeft weggenomen twee fotocamera's en een macrolens en een statief, toebehorende aan [slachtoffer 8], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

9:
hij in de periode van 26 februari 2014 tot en met 27 februari 2014, tussen 23:00 uur en 7:00 uur, een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 9] heeft weggenomen een laptop en een portemonnee en een portefeuille en een geldbedrag van 350 Euro, toebehorende aan [slachtoffer 9], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

10:
hij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 3 maart 2014 te Alkmaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 10] heeft weggenomen geldbedragen en sieraden en een laptop en telefoon (merk nokia) en een boormachine en een camera, toebehorende aan [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Het onder 2 subsidiair en 6 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 3 en 10 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 5, 8 en 9 bewezen verklaarde levert op:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich ’s nachts bij een inbraak schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een 88-jarige vrouw. Hoewel hij wist dat het slachtoffer zich in de woning bevond en zij begon te schreeuwen heeft hij zijn activiteiten om de woning binnen te komen niet gestaakt maar is daarmee doorgegaan. Hij heeft haar respectloos toegevoegd dat zij haar mond moest houden.

Reeds door het midden in de nacht binnendringen in de woning van het alleen wonende slachtoffer heeft de verdachte een voor haar zeer angstige situatie geschapen.

De verdachte heeft het hierbij echter niet gelaten. Hij duwde het slachtoffer weg waardoor zij ten val kwam. Toen zij daarna weer opstond, heeft hij het kwetsbare, bejaarde, slachtoffer meerdere keren op uiterst gewelddadige wijze in haar gezicht gestompt.

Zij schreeuwde van de pijn en is zwaargewond geraakt. Onder meer is bij het slachtoffer ernstig schedelhersenletsel vastgesteld.

Haar kwaliteit van leven is sindsdien aanzienlijk verslechterd. Zij leefde tot dan toe vrijwel volledig zelfstandig, maar werd vanaf dat moment zorgafhankelijk en moest worden opgenomen in een verpleeghuis. Haar verblijf daar werd beperkt tot bed en rolstoel en zij was de regie over haar leven kwijt.

De verdachte heeft zich na zijn gewelddadige actie niet bekommerd om zijn slachtoffer maar heeft uit financieel gewin haar woning doorzocht. Daar heeft hij een hangertje weggenomen waarna hij het zwaar gewonde slachtoffer in hulpeloze toestand alleen in de woning achterliet.

Een feit als het onderhavige heeft een grote impact op de naasten van het slachtoffer en wakkert bij derden gevoelens van onveiligheid in de samenleving aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich in een periode van iets minder dan een half jaar schuldig gemaakt aan vijf andere woninginbraken en drie pogingen daartoe. Hij deed dit bij geselecteerde woningen, alwaar hij in twee gevallen de bewoner slapend aantrof.

De verdachte heeft door het plegen van de bewezen verklaarde diefstallen en de pogingen daartoe geen enkel respect getoond voor de eigendommen van een ander en uitsluitend gehandeld uit financieel gewin. Hij heeft de slachtoffers niet alleen hun gevoel van veiligheid in hun eigen huis ontnomen, maar hen ook schade of overlast bezorgd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 augustus 2016 is hij bovendien eerder voor diefstal onherroepelijk veroordeeld.

Volgens het pro justitia rapport van 17 juli 2014 moet de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Het hof neemt deze conclusie over en zal dit meewegen in de straf. Tevens houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat hij openheid van zaken heeft gegeven en de laakbaarheid van zijn handelen lijkt in te zien.

Niettemin is het hof van oordeel dat de door advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 9 jaren onvoldoende recht doet aan de ernst van met name feit 1 subsidiair alsmede de grote hoeveelheid inbraken dan wel pogingen daartoe die de verdachte heeft gepleegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat niet kan worden volstaan met een lichtere straf dan de hieronder bedoelde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 27.777,83. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering verlaagd tot het bedrag van € 25.000,- voor immateriële schade (shockschade).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Nu de hoogte van de schade op dit moment door het hof niet kan worden vastgesteld, zal het hof de vordering bij wijze van voorschot toewijzen tot het bedrag van € 5.000,-.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij wijlen [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 31.275,67. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het bedrag verlaagd tot € 27.703,-, waarvan € 25.000,- voor immateriële schade en € 2.703,- voor materiële schade.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de erfgenamen zich voor deze onder algemene titel verkregen vordering wat betreft vermogensschade slechts hadden kunnen voegen in het strafproces, wanneer was vastgesteld dat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit was overleden. Nu dit in de onderhavige situatie niet kan worden vastgesteld is geen sprake van rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f, eerste lid, Sv. Gelet hierop dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in dit deel van de vordering te worden verklaard.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade, niet zijnde vermogensschade, volgt uit artikel 6:106, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek als voorwaarde, dat de overledene bij leven kenbaar heeft gemaakt hierop aanspraak te willen maken. Dit laatste is gesteld noch gebleken, zodat de benadeelde partij ook voor dit deel van de vordering niet kan worden ontvangen in haar vordering.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering. Wel kan zij de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 223,14. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Nu het openbaar ministerie en de verdachte ten aanzien van feit 7 niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep, blijft de door de rechtbank gegeven vrijspraak in stand. De benadeelde partij kan gelet hierop niet in haar vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 288 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 1 november 2013 (parketnummer: 14-701418-12) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstaf van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 7 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

schroevendraaier, kleur zwartblauw 503004 (B.01.02.003).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Beitelsteen 503005 (B01.07.001).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Zakje met 3 Nederlandse munten (B.01.10.001).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe bij wijze van voorschot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Alkmaar van 1 november 2013, parketnummer 14-701418-12, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 september 2016.

mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[.]