Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3578

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
200.178.727/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest waarin een comparitie van partijen is bepaald waarbij de vraag centraal zal staan of appellant slachtoffer is geworden van identiteitsfraude of dat hij wel degelijk een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte heeft gesloten met geïntimeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.178.727/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3667399 CV 14-34589

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 augustus 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. mr. J.R. Holterman te Alkmaar,

tegen

STICHTING ACHMEA DUTCH RESIDENTIAL FUND,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Schapendonk te Rosmalen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Achmea genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 9 oktober 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 13 juli 2015, dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen Achmea als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van Achmea zal afwijzen althans Achmea niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, met beslissing over de proceskosten.

Achmea heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

Samengevat komen de feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, neer op het volgende.

2.1.

Achmea heeft via haar beheerder Actys Wonen B.V. (hierna: Actys) met ingang van 16 juli 2014 tot 31 juli 2015 de woning aan de [adres] verhuurd tegen een huurprijs van € 1.620,- inclusief bijkomende diensten, aan “[d]e heer [appellant] ”. In de kop van de huurovereenkomst zijn persoonlijke gegevens van [appellant] vermeld, waaronder diens woonadres.

2.2.

In artikel 8 van de huurovereenkomst is bepaald dat als woonplaats van huurder het adres van het gehuurde wordt aangemerkt.

2.3.

In de Bijzondere bepalingen behorende bij de huurovereenkomst is in artikel 10.2 onder meer bepaald:

“huurder verleent middels het invullen van de bij de huurovereenkomst geleverde automatische incasso aan Actys (..) toestemming de periodieke huurbetaling (..) af te schrijven (..). Indien huurder niet overgaat tot een automatische incasso dient er voor zorg gedragen te worden dat de huur bij vooruitbetaling wordt voldaan onder vermelding van het adres van het gehuurde op rekeningnummer (..) t.n.v. Stichting Achmea Dutch Residential Fund inzake Actys (..).”

2.4.

In de algemene voorwaarden die op de huurovereenkomst van toepassing zijn is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“1.1 Huurder dient het gehuurde - gedurende de gehele duur van de overeenkomst - daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming (..).

(..)

1.3

Huurder is - zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder - niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur, of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers en het verlenen van pension of het doen van afstand van huur. (..)”

2.5.

Bij brief van 8 september 2014 heeft Actys [appellant] aan het adres [adres] aangemaand tot betaling van een huurachterstand van € 4.261,75 met het verzoek dit bedrag binnen veertien dagen te betalen, bij gebreke waarvan incassokosten verschuldigd worden.

2.6.

Op 26 augustus 2014 heeft [appellant] aangifte gedaan van vermissing van zijn identiteitskaart. In het proces-verbaal staat, voor zover van belang, het volgende:

“Het is mij niet bekend wanneer dit goed voor het laatst in bezit was. Dit goed is vermist sinds 25 augustus 2014 9:00.”

Op het proces-verbaal is een foto aangehecht van [appellant] , alsmede een handtekening geplaatst door [appellant] .

2.7.

Bij brieven van 25 september 2014, 29 oktober 2014 en 13 november 2014 heeft Actys [appellant] wederom aan het adres [adres] aangemaand tot betaling van een huurachterstand, opgelopen tot een bedrag van € 8.359,95 inclusief rente en kosten.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft Achmea, kort gezegd, gevorderd dat de huurovereenkomst tussen haar en [appellant] zal worden ontbonden en [appellant] zal worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, doorbetaling van de huur zolang het gehuurde nog niet is ontruimd althans niet onder dezelfde voorwaarden is wederverhuurd en betaling van de huurachterstand vermeerderd met kosten en rente, een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

In de procedure in eerste aanleg is schriftelijk verweer gevoerd inhoudende dat de huurbetalingen steeds contant door [appellant] aan Actys zijn voldaan. Ten bewijze daarvan zijn negen kwitanties overgelegd. Achmea heeft de echtheid van deze kwitanties bestreden. Namens Actys heeft mevrouw [A] (hierna: mevrouw [A] ) op 2 april 2015 aangifte tegen [appellant] gedaan wegens valsheid in geschrift.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de huur (contant) heeft voldaan. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst op die grond ontbonden en de gevorderde ontruiming toegewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling van € 12.150,- aan huurachterstand tot en met februari 2015, € 1.620,- per maand vanaf 1 maart 2015 voor elke maand dat het gehuurde niet zal zijn ontruimd, € 211,75 aan verhuurderskosten en € 809,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] is tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Tegen de toewijzing van de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4.

Achmea heeft het bestreden vonnis op 17 juli 2015 aan het adres van het gehuurde doen betekenen en het gehuurde is op 31 juli 2015 ontruimd. De deurwaarder heeft in het exploot van 31 juli 2015, voor zover van belang, vermeld dat hij in het gehuurde drie personen heeft aangetroffen die hebben verklaard een kamer te huren van de heer [B] (hierna: [B] ).

3.5.

In hoger beroep stelt [appellant] zich, naar de kern genomen, op het standpunt dat hij niet degene is met wie Achmea de huurovereenkomst heeft gesloten en dat hij daarom niet kan worden aangesproken tot betaling van de achterstallige huur en nevenvorderingen. Volgens [appellant] is sprake van identiteitsfraude. Enige tijd voor het sluiten van de huurovereenkomst is [appellant] zijn identiteitsbewijs kwijtgeraakt en kennelijk heeft een derde met dat identiteitsbewijs de huurovereenkomst op naam van [appellant] gesloten. [appellant] heeft op 26 augustus 2014 aangifte gedaan van vermissing van zijn identiteitsbewijs (zie 2.6). De handtekening op de huurovereenkomst is volgens [appellant] vervalst, net als de bij de huurovereenkomst overgelegde werkgeversverklaring. [appellant] heeft nooit in het gehuurde gewoond en blijkens het exploot van 31 juli 2015 zijn in het gehuurde onderhuurders aangetroffen die hebben verklaard een huurovereenkomst te hebben gesloten met ene [B] . [appellant] kent deze persoon niet en heeft niets met de onderverhuur van het gehuurde te maken. Dat sprake is van identiteitsfraude is volgens [appellant] temeer duidelijk omdat een gelijksoortige procedure aanhangig is tussen [appellant] en Vesteda Investment Management B.V. (hierna: Vesteda). In die zaak is, net als in de onderhavige zaak, het identiteitsbewijs van [appellant] gebruikt om een huurovereenkomst met Vesteda te sluiten en is een valse werkgeversverklaring overgelegd waarop hetzelfde telefoonnummer van de zogenaamde werkgever van [appellant] staat als in de werkgeversverklaring die aan Achmea is gegeven. Daarnaast zijn in de zaak tussen Vesteda en [appellant] eveneens onderhuurders in het gehuurde aangetroffen die een huurovereenkomst hebben gesloten met [B] . Deze persoon is waarschijnlijk de spil in het netwerk van identiteitsfraude waarvan [appellant] slachtoffer is geworden. Daar komt bij dat in beide procedures schriftelijk verweer is gevoerd door iemand anders dan [appellant] . Omdat [appellant] geen partij was bij de huurovereenkomst en dus ook niet in het gehuurde verbleef, was hij niet op de hoogte van de aan het adres van het gehuurde bezorgde aanmaningen en de aan dat adres betekende dagvaarding. De buitengerechtelijke incassokosten van Achmea komen derhalve ook niet voor zijn rekening. Als Achmea zorgvuldig had gehandeld bij het sluiten van de huurovereenkomst had zij kunnen weten dat sprake was van identiteitsfraude. Zij heeft ook onvoldoende gedaan om haar schade te beperken. [appellant] heeft daardoor onnodige (proces)kosten gemaakt. [appellant] verzoekt het hof daarom het bestreden vonnis te vernietigen, de vorderingen van Achmea alsnog af te wijzen en Achmea te veroordelen in de volledige proceskosten van [appellant] .

3.6.

Achmea voert verweer. Zij stelt dat [appellant] wel degelijk de persoon is met wie zij de huurovereenkomst is aangegaan. Volgens Achmea heeft [appellant] zelf contact opgenomen met Actys om een woning van Achmea te huren in Amsterdam en heeft hij daartoe diverse stukken overgelegd, waaronder een kopie van zijn legitimatiebewijs, een verhuurdersverklaring, een werkgeversverklaring, kopieën van bankafschriften en loonstroken. De laatste drie documenten blijken achteraf te zijn vervalst, maar de moeilijk te manipuleren documenten - het identiteitsbewijs en de verhuurdersverklaring - zijn niet vervalst. Mevrouw [A] van Actys heeft een aantal woningen met [appellant] bezichtigd en op 11 juli 2014 heeft [appellant] de huurovereenkomst op het kantoor van Actys in persoon ondertekend. Mevrouw [A] was daarbij aanwezig en zij heeft het legitimatiebewijs van [appellant] gecontroleerd. Mevrouw [A] heeft daarover als volgt verklaard (productie 6 memorie van antwoord): “Hierbij verklaar ik (..) dat ik in mijn functie als verhuurmedewerker bij Actys (..), de heer [appellant] 3 maal ontmoet heb. 2 maal tijdens de bezichtiging van [het gehuurde, hof] en 1 maal bij het ondertekenen van de huurovereenkomst op het kantoor van Actys (..) te Amsterdam. Tevens verklaar ik dat de pasfoto op het aangeleverde identiteitsbewijs overeenkomt met de persoon die ik ontmoet heb tijdens de voornoemde bezichtiging en zich aan mij voorstelde als de heer [appellant] . (..)”

Achmea stelt voorts dat zij, toen [appellant] een beroep deed op identiteitsfraude, heeft aangedrongen op een persoonlijke confrontatie met [appellant] , die op 8 december 2015 heeft plaatsgevonden in het kantoor van de advocaat van [appellant] . Daarbij waren [appellant] en zijn advocaat aanwezig en van de zijde van Achmea mr. [E] , werkzaam bij Achmea, [C] , werkzaam bij Actys en mevrouw [A] . Mevrouw [A] heeft over die bespreking als volgt verklaard (productie 7 memorie van antwoord): “Hierbij verklaar ik (..) dat ik de heer [appellant] , tijdens de bespreking van 8 december 2015 in het kantoor van zijn advocaat, heb herkend als dezelfde persoon die ik in 2014 een aantal huurwoningen heb getoond en die op 11 juli 2014 het huurcontract voor de woning aan de [adres] heeft gesloten.” Het heeft er volgens Achmea alle schijn van dat [appellant] het gehuurde zelf heeft gehuurd om het door derden te laten bewonen met als doel financieel gewin. Het gehuurde werd bewoond door zeven personen en er stonden twee bedrijven op het adres ingeschreven. In de zaak tussen Vesteda en [appellant] is volgens Achmea dezelfde modus operandi toegepast. Ook in die zaak beroept [appellant] zich op identiteitsfraude terwijl een medewerker van de verhuurder [appellant] in persoon heeft ontmoet en hem heeft geïdentificeerd aan de hand van het door hem verstrekte identiteitsbewijs. In beide zaken spelen de vennootschap [X] B.V., haar bestuurder [B] en gevolmachtigde [D] , die alle(n) op het adres van het gehuurde ingeschreven hebben gestaan, een rol, hetgeen volgens Achmea geen toeval kan zijn. Het is dan ook duidelijk dat [appellant] , [B] , [D] en [X] met elkaar in contact staan, aldus Achmea. Ten slotte heeft Achmea aangevoerd dat aangenomen moet worden dat [appellant] de aanmaningen (zie 2.5 en 2.7) heeft ontvangen omdat deze naar het adres van het gehuurde zijn gestuurd waarop [appellant] op grond van de huurovereenkomst domicilie had en deze niet onbestelbaar retour zijn gekomen. De omstandigheid dat [appellant] het gehuurde in strijd met de huurovereenkomst niet heeft bewoond en zonder toestemming van Achmea aan derden in gebruik heeft gegeven, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Dat [appellant] stond ingeschreven op een adres te [plaats] , kon Achmea niet weten omdat zij geen bevoegdheid heeft die gegevens in de gemeentelijke basisadministratie op te vragen en [appellant] bovendien een geheim adres heeft zoals tijdens de executie van het bestreden vonnis is gebleken, aldus steeds Achmea.

3.7.

Het hof constateert dat de onderhavige zaak in hoger beroep een geheel andere wending heeft gekregen. De vraag is thans of [appellant] , zoals hij stelt, slachtoffer is geworden van identiteitsfraude of dat hij wel degelijk met Achmea een huurovereenkomst heeft gesloten. Op Achmea rust de bewijslast van haar stelling dat zij de huurovereenkomst met [appellant] is aangegaan. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding een comparitie van partijen te gelasten om [appellant] in de gelegenheid te stellen te reageren op de stellingen van Achmea in haar memorie van antwoord en de daarbij overgelegde producties, meer in het bijzonder op de door Achmea gestelde bespreking van 8 december 2015 (welke datum is gelegen vóór het nemen van de memorie van grieven, waarin over die bijeenkomst niets is vermeld) en de gestelde relatie tussen [appellant] en [X] , [B] en [D] . Bij gelegenheid van de comparitie zal Achmea tevens in de gelegenheid worden gesteld het gevraagde bewijs te leveren, waartoe in ieder geval aangewezen lijkt het onder ede doen horen van mevrouw [A] en eventueel andere bij het sluiten van de huurovereenkomst betrokken medewerkers van Achmea. Hoewel [appellant] daartoe niet kan worden gedwongen, wordt hem wel dringend verzocht de comparitie van partijen bij te wonen nu daarin de vraag centraal zal staan of hij wordt herkend als degene die de huurovereenkomst met Achmea heeft gesloten. Bij een eventuele afwezigheid van [appellant] zal het hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die het geraden acht.

3.8.

Voorts wenst het hof voorafgaand aan de comparitie van partijen op grond van artikel 21 Rv van [appellant] een afschrift te ontvangen van het proces-verbaal van aangifte door [appellant] van identiteitsfraude van 20 november 2015.

3.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat Achmea toe tot het bewijs van haar stelling dat zij met [appellant] de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] is aangegaan;

bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.7 omschreven doel zullen verschijnen voor mr. J.E. Molenaar, hierbij tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam;

bepaalt dat advocaten van partijen te dien einde en met inachtneming van het hiervoor in 3.7 overwogene binnen twee weken na de datum van dit arrest de verhinderdata van alle betrokken over de maanden oktober tot en met december 2016 zullen doorgeven aan het enquêtebureau van de griffie van de afdeling civiel recht en belastingrecht van het gerechtshof;

bepaalt dat Achmea op de rol van 13 september 2016 kan meedelen op welke wijze van de bewijsopdracht gebruik zal worden gemaakt en, indien zij getuigen wenst te doen horen, welke getuigen worden voorgedragen;

bepaalt dat [appellant] uiterlijk twee weken voor de comparitiedatum een afschrift zoals hiervoor in 3.8 bedoeld in het geding dient te brengen;

verzoekt partijen, voor het geval zij zich ter comparitie willen bedienen van (nog niet in de procedure overgelegde) schriftelijke bewijsstukken, deze uiterlijk twee weken voor de comparitiedatum toe te zenden aan het hof, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, J.C.W. Rang en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.