Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3571

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
200.146.183/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomst. Vernietigingsverklaring door een echtgenoot op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW is een eenzijdig gerichte rechtshandeling, zodat alleen aan die echtgenoot – niet aan Dexia – beroep op vernietigbaarheid van die vernietigingsverklaring toekomt. Procesrecht. Grief inzake feiten die voor het eerst in getuigenverhoor in hoger beroep zijn opgekomen, is niet tardief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3643

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.146.183/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 776711 DX EXPL 06-813

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 augustus 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

tevens appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 22 februari 2012, gewezen tussen hem als eiser en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, teven memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- akte uitlating van [appellant] ;

- antwoordakte van Dexia.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 1 mei 2015 doen bepleiten, [appellant] door mr. Maliepaard voornoemd en Dexia door mr. J.M.K.P. Cornegoor, advocaat te Haarlem, eerstgenoemde aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ter zitting heeft het hof op verzoek van partijen mondeling uitspraak gedaan, inhoudende een bewijsopdracht aan [appellant]. Direct na afloop van de zitting zijn twee getuigen gehoord, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Dexia heeft daarna een memorie na enquête genomen, gevolgd door een memorie na enquête van [appellant] , met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog voor recht zal verklaren dat de onderhavige overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd op grond van de artikelen 1:88 en 89 BW en Dexia - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen om al hetgeen aan haar is betaald terug te betalen, met wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Dexia heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan en in het incidenteel hoger beroep zoals in haar memorie is vermeld, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

In het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping daarvan.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 11 mei 2011 onder 2.1 tot en met 2.5 en in het eindvonnis van 22 februari 2012 onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft tijdig een opt-outverklaring uitge-bracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

Deze procedure ziet op door [appellant] met Dexia gesloten leaseovereenkomsten waarvan de echtgenote van [appellant] , [echtgenote apellant] (hierna: [echtgenote apellant] ), de nietigheid heeft ingeroepen. Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van [echtgenote apellant] tot vernietiging daarvan.

3.3

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [echtgenote apellant] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door haar echtgenoot geen schriftelijke toestemming heeft gegeven.

3.4

Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52, tweede lid, BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.

3.5

Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat [echtgenote apellant] eerder dan drie jaar voordat zij de leaseovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd er mee bekend is geworden. De kantonrechter heeft ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden voor de juistheid van deze stelling ontleend aan het feit dat de betalingen op grond van de leaseovereenkomsten werden verricht vanaf een en/of-rekening. [appellant] is tot het leveren van tegenbewijs toegelaten. Nu hij geen getuigen heeft voorgebracht, heeft de kantonrechter geoordeeld dat hij er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen en zijn beroep op artikel 1:88 BW afgewezen.

3.6

Tegen laatstgenoemde beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met grief 1 op.

3.7

Het hof heeft in zijn mondeling tussenarrest blijkens het proces-verbaal van de zitting van 1 mei 2015 uitgesproken, kort samengevat, dat het hof op dezelfde grond als de kantonrechter een bewijsvermoeden aanneemt en [appellant] toelaat tot het leveren van tegenbewijs. Daarop zijn [appellant] en [echtgenote apellant] als getuigen gehoord. Beiden hebben verklaard dat [echtgenote apellant] geen enveloppen met bankafschriften opende en geen kennis had van de onderhavige overeenkomsten met Dexia.

3.8

Dexia is van mening dat [appellant] in het tegenbewijs is geslaagd. Zij werpt echter naar aanleiding van het getuigenverhoor van [echtgenote apellant] een aanvullende grief in incidenteel hoger beroep op. Deze grief houdt in dat zij geen rechtsgeldige vernietigingsverklaring heeft afgelegd, omdat een op het desbetreffende rechtsgevolg gerichte wil ontbrak. Daartoe verwijst Dexia naar de getuigenverklaring van [echtgenote apellant] , voor zover inhoudende: “U houdt mij voor een brief van

7 juni 2005 (productie 047/3 bij inleidende dagvaarding). Mijn man kwam met die brief bij mij. Ik was het er niet mee eens, maar heb die brief wel getekend. Die brief bevatte allemaal cijfertjes, contracten. Het ging over verliezen. Ik was het niet eens met het hele beleggen en daarom was ik het ook niet eens met deze brief. Ik was het niet eens met het hele beleggen en daarom was ik het ook niet eens met deze brief. Ik weet niet wat mijn man wilde bereiken met deze brief.”

3.9

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Deze grief heeft betrekking op feiten die voor het eerst zijn opgekomen in het na de memoriewisseling gehouden getuigen-verhoor. Met de grief beoogt Dexia te voorkomen dat op basis van onjuiste feiten wordt beslist. Daarmee doet zich een uitzondering voor op de regel dat alle grieven direct bij memorie van grieven naar voren moeten worden gebracht. Daaruit volgt dat de grief niet tardief is. Bij het vorenstaande heeft het hof zich rekenschap gegeven van zijn andersluidende oordeel in zijn arresten van 7 juli 2015 (ECLI:NL:GHAMS:

2015:2837) en 11 augustus 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3252). De door [echtgenote apellant]

uitgebrachte vernietigingsverklaring is een eenzijdige gerichte rechtshandeling. Het enkel uitbrengen van de vernietigingsverklaring leidt op grond van artikel 3:50 lid 1 BW tot de vernietiging van de leaseovereenkomsten. Dexia is slechts degene aan wie de vernietigingsverklaring dient te worden gericht en in dit geval ook is gericht. De bevoegdheid om op grond van artikel 1:89 BW rechts-handelingen te kunnen vernietigen die zonder de in artikel 1:88 BW vereiste toestemming zijn gesloten, heeft de strekking het gezinsvermogen te beschermen. De vernietigingsgrond is slechts in het belang van [echtgenote apellant] gegeven. Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat indien en voor zover de vernietigingsverklaring niet overeenstemt met de wil van [echtgenote apellant] de verklaring vernietigbaar is. Uitsluitend [echtgenote apellant] (en niet Dexia) is daarmee gerechtigd de nietigheid van de uitgebrachte vernietigingsverklaring in te roepen. Van die bevoegdheid heeft [echtgenote apellant] evenwel geen gebruik gemaakt (zie hof Amsterdam 22 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5380). De grief faalt.

3.10

Het hof deelt het standpunt van partijen dat, gezien de afgelegde getuigenverklaringen, [appellant] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Dexia heeft weliswaar ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid bij [echtgenote apellant] in eerste aanleg nog gewezen op verschillende omstandigheden, maar haar argumenten betreffen in essentie veronderstellingen en aannames. Hetgeen Dexia stelt, is niet voldoende om te kunnen vaststellen dat [echtgenote apellant] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsbrief daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten. De getuigenverklaringen bieden daar ook geen aanknopingspunt voor. Dexia heeft ook geen gespecificeerd bewijsaanbod ter zake deze omstandigheden gedaan. Grief 1 in het principale hoger beroep slaagt.

3.11

Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, met uitzondering van de proceskostenveroordeling ten laste van Dexia. Partijen hebben geen belang meer bij bespreking van de overige grieven in principaal en incidenteel hoger beroep. De gevorderde verklaring voor recht zal alsnog worden toegewezen, alsmede de vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van de leaseovereenkomsten is betaald. Wettelijke rente is als onbetwist toewijsbaar vanaf de respectieve betaaldata. Dexia zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de proceskostenveroordeling,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomsten, als volgt aangeduid met naam en nummer

Capital Effect - 21403220

Cash Clicken Lease-Service - 12003175

Cash Clicken Lease-Service - 12003176

Cash Clicken Lease-Service - 12003177

Korting Kado - 59103938

Winstver10dubbelaar - 76084818

Korting Koers - 12400674

Cash Clicken Lease-Service - 12500026

Cash Clicken Lease-Service - 12600554,

rechtsgeldig op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW zijn vernietigd en veroordeelt Dexia aan [appellant] te voldoen al hetgeen door [appellant] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomsten is voldaan, te verminderen met hetgeen [appellant] op grond van de leaseovereenkomsten van Dexia heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf telkens de dag der betaling tot de dag van algehele betaling door Dexia;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 794,64 aan verschotten en € 4.893,00 voor salaris en op € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en in de kosten van het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 2.446,50 voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, L.R. van Harinxma thoe Slooten en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.