Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3550

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
200.173.076/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap; (geen) gebruiksvergoeding echtelijke woning; eenmanszaak; in de onderneming opgebouwd fiscaal compensabel verlies; peildatum en onderlinge draagplicht schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/6

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.173.076/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/218717 / HA ZA 14-500

arrest van de meervoudige familie kamer van 30 augustus 2016

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. F.J. Mascini, te Haarlem,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.N. Holtrop te Lelystad.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 7 juli 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 april 2015 gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.

De vrouw heeft op 8 augustus 2015 een memorie van antwoord ingediend.

De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

- de verdeling van de gemeenschap van goederen en de te verrekenen bedragen zal vaststellen zoals genoemd in de dagvaarding in hoger beroep, dan wel

- een dusdanige verdeling zal vaststellen als het hof in goede justitie zal menen te behoren;

- alsmede bij tussenarrest de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat het hof in hoger beroep heeft beslist.

De vrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

De man heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 mei 2016 doen bepleiten door hun respectieve advocaten. Verder hebben partijen inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten en procesverloop

2.1.

Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd [in] 1984. Bij beschikking van 5 juni 2013 van de rechtbank Noord-Holland is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 1 oktober 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3 Beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld zoals genoemd in het lichaam van de inleidende dagvaarding onder de punten 8 tot en met 20 en heeft bepaald dat de echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat zij financieel in staat is om de woning op haar naam te stellen en de hypotheekverstrekker meewerkt aan het overzetten van de hypotheek op haar naam. Het standpunt van de man over de verdeling is door de rechtbank niet meegewogen omdat door de proceshouding van de man het recht om te mogen concluderen voor antwoord door de rechtbank vervallen is verklaard.

3.2.

De man heeft drie grieven gericht tegen het bestreden vonnis. Voorts heeft hij gevorderd dat een aantal posten die door de rechtbank niet in de verdeling zijn betrokken, alsnog door het hof worden meegenomen.

3.3.

De vrouw voert aan dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep voor zover het betreft de door de man genoemde posten die door de rechtbank niet in de verdeling zijn betrokken. Zij wijst daartoe op artikel 137 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin staat dat een eis in reconventie dadelijk bij antwoord moet worden ingesteld. Het hof volgt de vrouw niet in dit standpunt. Het hoger beroep heeft mede tot doel fouten of omissies uit eerste aanleg te herstellen. Het onderhavige geding gaat over de verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap. Het staat de man vrij in hoger beroep over vermogensbestanddelen waarover de rechtbank in het kader van de verdeling niet heeft beslist, alsnog een beslissing van het hof te vorderen. Dat de man in eerste aanleg heeft verzuimd dienaangaande te concluderen doet aan het voorgaande niet af.

De woning

3.4.

Conform de vordering van de vrouw heeft de rechtbank de woning aan de vrouw toegedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw de hypothecaire verplichtingen voor haar rekening neemt en daartoe financieel in staat is.

Partijen hebben echter in afwijking van de beslissing van de rechtbank ter zitting van het hof ten aanzien van de woning overeenstemming bereikt inhoudende:

1. De woning zal aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van € 155.000,-, onder de voorwaarde dat de man binnen drie maanden de financiering zal rondkrijgen en waarbij de man de nodige afspraken zal maken met de notaris betreffende de levering aan hem.

2. Indien door de man niet aan de voorwaarden onder 1 wordt voldaan, zal de woning worden verkocht, waarbij de vrouw het recht van eerste koop heeft. De woning zal dan getaxeerd worden, waartoe partijen gezamenlijk een makelaar zullen benoemen. De kosten van de makelaar worden door partijen ieder voor de helft betaald.

3. Indien de bank niet meewerkt aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw respectievelijk de man, zal de woning aan een derde worden verkocht.

3.5.

Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming zal het hof het bestreden vonnis op dit onderdeel vernietigen en beslissen overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraken. De eerste grief van de man behoeft, gelet op het voorgaande, geen nadere bespreking.

Gebruiksvergoeding.

3.6.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de man voor de periode dat hij, met uitsluiting van de vrouw, in de woning woonde aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen van € 24.750,-. De man acht het niet redelijk dat hij een gebruiksvergoeding aan de vrouw dient te betalen omdat hij tot nu toe de volledige kosten van de hypotheek voor zijn rekening heeft genomen, alsmede de volledige eigenaarslasten en onderhoudskosten van de woning, zo’n € 1.000,- per maand. Verder stelt de man dat hij in de periode dat hij alleen in de woning woonde ook nog gedurende een periode van anderhalf jaar een huis heeft gehuurd, voor het geval dat de woning zou worden verkocht, zodat de woning dan snel aan een derde geleverd kon worden. De vrouw voert aan dat het niet van belang is wie de lasten van de woning heeft betaald. Omdat de man niet meewerkte aan een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kon zij niet beschikken over haar aandeel daarin en heeft zij kosten moeten maken om een huis te huren. Bovendien waren de hypotheeklasten van de woning zeer laag, te weten € 305,20 bruto per maand.

3.7.

Artikel 3:169 BW bepaalt dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Dit artikel heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Daarbij geldt dat de redelijkheid en billijkheid de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten, tevens ex-echtgenoten, beheersen. Op de voet van artikel 3:189 BW geldt artikel 3:169 BW niet voor de huwelijksgemeenschap zolang die niet ontbonden is. Dat betekent dat het hof de vraag dient te beantwoorden of de man aan de vrouw vanaf 15 februari 2013 een gebruiksvergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de woning. Het hof beantwoordt die vraag negatief. Partijen zijn na het vertrek van de vrouw uit de woning in onderhandeling geweest over de waarde van de woning. Zij zijn er toen niet in geslaagd tot overeenstemming te komen. Verder zijn partijen het niet eens aan wie de vertraging in de onderhandelingen ligt. Wat daarvan zij, de vrouw betwist niet dat zij na haar vertrek uit de woning niet heeft bijgedragen aan de eigenaarslasten en het onderhoud van de woning, hoewel zij daartoe als eigenaar wel gehouden was. Onder die omstandigheden acht het hof het niet redelijk indien de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding als door de rechtbank bepaald dient te betalen. Dit klemt te meer daar de man in die periode ook nog gedurende anderhalf jaar een woning heeft gehuurd met een huurlast van € 600,- per maand, teneinde bij verkoop de woning snel te kunnen verlaten.

De onderneming

3.8.

De vrouw exploiteerde tijdens het huwelijk de onderneming [X] , een modelbouwwinkel. Op 8 februari 2014 hebben partijen een Overeenkomst Activa ondertekend waarin de activa van deze onderneming aan de man zijn overgedragen tegen een prijs van € 15.000,-, exclusief BTW. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank bepaald dat op basis van deze overeenkomst de vrouw van de man te vorderen heeft de helft van € 18.755,- en de helft van € 4.400,- voor de auto. Hiertegen richt zich grief 2. De man stelt dat hij de onderneming niet heeft overgenomen: de overeenkomst betrof een activa transactie. De koopprijs moet dan ook in de boedel vallen en worden verrekend. Daarnaast moet de negatieve waarde van de onderneming bij helfte worden verdeeld, aldus de man. De vrouw stelt dat de man de onderneming heeft overgenomen en de helft van de waarde zoals afgesproken in de overeenkomst aan haar dient te vergoeden. Wat betreft de door de man gevorderde verdeling van de negatieve waarde van de onderneming stelt de vrouw dat, afgezien van de schulden van de onderneming waar de rechtbank over heeft geoordeeld, van een negatieve waarde geen sprake is.

3.9.

Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de onderneming, die in het handelsregister stond ingeschreven op naam van de vrouw, op de peildatum tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Sinds het uiteengaan van partijen eind december 2011 is de onderneming feitelijk voortgezet door de man. In de op 8 februari 2014 tussen partijen gesloten overeenkomst is onder meer bepaald dat de vrouw aan de man zal leveren de activa van de voormalige onderneming, de in de overeenkomst genoemde domeinnamen en de tot het bedrijfsvermogen behorende auto met kenteken [kenteken] . De koopsom (naar het hof begrijpt van de activa en de domeinnamen) is vastgesteld op € 15.500,- exclusief 21 % BTW. De auto is gewaardeerd op € 4.400,-. Ter zitting is door de man erkend dat de in de overeenkomst genoemde koopprijs van de activa in de verdeling kan worden betrokken. De rechtbank heeft dienovereenkomstig geoordeeld. Door de man is geen grief gericht tegen de door de door de rechtbank bepaalde koopprijs van € 18.755,-, evenmin tegen de toedeling van de auto aan de man. Voornoemde erkenning en beslissingen staan derhalve vast en dienen ook het hof tot uitgangspunt.

3.10.

De vordering van de man tot verdeling van de negatieve waarde van de onderneming wijst het hof af. De onderneming is een eenmanszaak. Tegen die achtergrond had het op de weg van de man gelegen zijn stelling nader te concretiseren en onderbouwen dat er, naast de in overweging 3.10 besproken activa en de in overweging 3.12 te bespreken aan de onderneming verbonden schulden, een negatieve waarde rust op de onderneming die in de verdeling dient te worden betrokken, hetgeen hij heeft nagelaten. Grief 2 faalt derhalve.

Schulden aan de ING

3.11.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis over twee tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende schulden het volgende bepaald. Ten aanzien van een schuld aan de ING (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) in verband met een doorlopend krediet dient de man aan de vrouw € 24.511,29 te voldoen, welk bedrag bestaat uit de helft van de gezamenlijk opgenomen roodstand (€ 1.213, 59) en het deel van de roodstand dat door de man is veroorzaakt vanaf 2 januari 2012 tot 31 oktober 2014, de datum waarop de dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht (€ 23.297,70). Ten aanzien van een schuld aan de ING Bank (rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) dient de man € 6.428,38 te voldoen, de helft van het bedrag dat openstond op 1 februari 2013. De man stelt dat de saldi van de schulden op 8 februari 2014, de datum van de ondertekening van de overeenkomst betreffende de onderneming, door partijen bij helfte moeten worden gedragen. Hij stelt daartoe dat de rekeningen op het moment dat de vrouw de samenleving verbrak al een negatief saldo vertoonden en dat hij de rekeningen nagenoeg uitsluitend heeft gebruikt ten behoeve van de onderneming. Voorts maakt de man aanspraak op verrekening van door hem betaalde rentelasten en aflossingen. De vrouw verzoekt de beslissing van de rechtbank op dit punt te bekrachtigen en voert voorts aan dat de man de door hem gevorderde rentelasten niet heeft onderbouwd.

3.12.

Vaststaat dat de twee genoemde schulden tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren. Op de voet van artikel 1:100 BW geldt dat echtgenoten voor deze schulden in hun onderlinge verhouding beiden voor de helft draagplichtig zijn. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten, maar kan evenwel niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (vergelijk Hoge Raad 30 maart 2012 LJN:BV1749), waarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. De op de peildatum (15 februari 2013) openstaande schulden dienen dan ook door beide partijen, ieder voor de helft, te worden gedragen. Anders dan de rechtbank volgt het hof de vrouw niet in haar standpunt dat de man aan haar € 23.297,70 dient te vergoeden, welk bedrag bestaat uit opnames door de man van het doorlopend krediet (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) in de periode 2 januari 2012 tot 31 oktober 2014. De vrouw heeft haar stelling dat zij geen baat heeft gehad bij die opnames die de man heeft gedaan onvoldoende onderbouwd in het licht van de omstandigheid dat de opnames (deels) zijn gebruikt voor de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende onderneming, waarvan de activa van de onderneming eerst op 8 februari 2014 aan de man zijn overgedragen. De vrouw heeft bovendien niet weersproken dat er een huurschuld zat in de onderneming op het moment dat zij de exploitatie van de onderneming overliet aan de man.

3.13.

Het hof volgt de man echter niet in zijn standpunt dat de schulden in de onderneming per 8 februari 2014 dienen te worden verrekend. Bij de verdeling van een tot de gemeenschap behorend goed wordt als hoofdregel uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken of indien partijen een andere waarderingspeildatum zijn overeengekomen. Wat betreft bankrekeningen en schulden wordt als datum van de feitelijke verdeling en dus als peildatum gehanteerd de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, in dit geval 15 februari 2013, de datum van de indiening van het verzoek tot echtscheiding. De stelling van de man dat de rekeningen gekoppeld zijn aan de onderneming en dat daarom moet worden uitgegaan van de datum van ondertekening van de overeenkomst betreffende de onderneming is door hem onvoldoende onderbouwd. Immers, vast staat dat de man de beide rekeningen niet alleen voor betalingen betreffende de onderneming heeft gebruikt, maar ook voor privé doeleinden. Een nadere uiteenzetting van de man in welke mate de schulden gerelateerd waren aan de onderneming ontbreekt. Daar komt bij dat, blijkens de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde rekeningafschriften, het saldo van de ING schuld (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) op 4 februari 2013 € 29.448,91 bedroeg, op 4 maart 2013 € 26.702, 83, op 6 januari 2014 € 20.471,86 en op 3 maart 2014 € 28.726,37. Het saldo rond de peildatum van 15 februari 2013 verschilt dus niet wezenlijk van het saldo rond de door de man bepleite datum. Naar het oordeel van het hof zijn er door de man dan ook geen rechtens relevante feiten gesteld op grond waarvan in dit geval ten aanzien van de twee schulden aan de ING op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden afgeweken van de hiervoor vermelde hoofdregel met betrekking tot de peildatum voor de waardering. Wat betreft de ING schuld (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) ontbreken gegevens van het saldo per peildatum. Het hof gaat dan ook uit van de wel beschikbare gegevens te weten het gemiddelde van de hiervoor genoemde saldi van 4 februari 2013 en van 4 maart 2013, en zal bepalen dat het saldo per 15 februari 2013 € 28.075,87 bedroeg.

Wat betreft de ING schuld (rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) is de rechtbank uitgegaan van het saldo per 1 februari 2013, te weten € 12.856,76. Tegen de hoogte van dit saldo als zodanig richt de grief zich niet.

3.14.

Het hof wijst de vordering van de man ten aanzien van de door hem betaalde rentelasten en aflossingen af. De vrouw betwist dat de man deze lasten heeft betaald. Daartegenover heeft de man zijn stelling dat hij rente en aflossingen heeft betaald onvoldoende toegelicht met stukken. In dit verband merkt het hof op dat, voor zover een schuldenaar meer heeft betaald aan de aflossing van een schuld dan waartoe hij op grond van de onderlinge draagplicht is gehouden, hij voor dat meerdere in beginsel regres heeft op de andere schuldenaar.

3.15.

De grief slaagt dus voor zover het betreft het oordeel van de rechtbank betreffende de ING schuld (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ). Voor het overige faalt de grief. De conclusie is dat partijen ieder draagplichtig zijn voor de helft van navolgende schulden per 15 februari 2013:

- De schuld aan de ING Bank nummer [rekeningnummer 1] ad € 28.075,87;

- De schuld aan de ING Bank nummer [rekeningnummer 2] ad € 12,856,76.

Vesting Finance

3.16.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank bepaald dat de extra kosten van de overdracht van de incasso van de schuld aan de ING Bank (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) tussen partijen moeten worden gedeeld. De man betoogt dat de incassokosten voor rekening van de vrouw moeten komen. Hij voert daartoe aan dat de vrouw de onderneming heeft uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel waardoor de bank het krediet opzegde en de incasso werd overgedragen aan Vesting Finance. De vrouw stelt dat de man de onderneming heeft voortgezet nadat de vrouw deze had uitgeschreven uit het handelsregister. De man had zelf tijdig met de ING Bank dan wel en andere bank moeten regelen dat het krediet op zijn naam zou komen te staan of ingelost zou worden.

3.17.

Het hof overweegt als volgt. Door de ING Bank is aan Vesting Finance de incasso van de gemeenschappelijke schuld ter zake het doorlopend krediet (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) overgedragen. Aangezien dit een schuld betreft die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde komt het voor rekening en risico van beide partijen dat de schuld niet is ingelost en dat er incassomaatregelen zijn getroffen. De extra kosten vanwege de overdracht van de incasso aan Vesting Finance komen dan ook voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.

Fiscaal compensabel verlies

3.18.

De man stelt dat de vrouw in de onderneming een fiscaal compensabel verlies heeft opgebouwd van € 133.916,- per eind 2011. De man maakt aanspraak op verrekening van 32% van dit bedrag, te weten een bedrag van € 42.853,-. De vrouw stelt dat het fiscaal compensabel verlies geen waarde vertegenwoordigt en dus niet voor verrekening in aanmerking komt.

3.19.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aangegeven bereid te zijn mee te werken aan splitsing bij helfte van het fiscaal compensabele verlies, zodat ook de man er in de toekomst gebruik van kan maken. De vrouw heeft toegezegd daartoe contact op te zullen nemen met de belastingdienst. De man is hiermee ter zitting in hoger beroep akkoord gegaan. Wel heeft hij aangegeven dat indien splitsing niet lukt, hij alsnog aanspraak wenst te maken op verrekening van de helft van het fiscale voordeel dat de vrouw in de toekomst zal ontvangen wanneer zij als enige gebruik maakt van het opgebouwde fiscaal compensabele verlies. Het hof is van oordeel dat deze aanspraak die in de toekomst is gelegen op dit moment zodanig ongewis en niet geconcretiseerd is, dat deze vordering dient te worden afgewezen.

Pensioenschuld en risicoverzekering

3.20.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank bepaald dat de man in verband met niet aan het pensioenfonds afgedragen pensioengelden aan de vrouw € 600,- dient te betalen. De man betwist dat er een schuld wegens niet afgedragen pensioengelden bestaat. Daartegenover is er wel een risicoverzekering waarvan de premies door de man zijn doorbetaald en waarvan de helft, zijnde € 552,33 voor rekening van de vrouw komt, aldus de man. De vrouw stelt dat de man deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

3.21.

Ter zitting van het hof is door de vrouw gesteld dat het voor haar voldoende is indien het hof bepaalt dat, voor zover er een schuld wegens niet afgedragen pensioengelden bestaat, deze door partijen bij helfte dient te worden gedragen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank op dit punt vernietigen gelet op het standpunt van de vrouw en zal bepalen dat, mocht blijken dat er een schuld van niet afgedragen pensioengelden is, die schuld door beide partijen voor de helft dient te worden gedragen.

De vordering van de man betreffende de premies voor een risicoverzekering wordt afgewezen, aangezien de man deze, in het licht van de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft aangetoond. De man heeft een polisblad van een levensverzekering uit 1986 op zijn naam overgelegd, maar heeft zijn stelling dat hij daarvoor de door hem gestelde premies heeft betaald niet aangetoond. Evenmin heeft hij op dit punt een voldoende specifiek bewijsaanbod gedaan.

Kosten van de kinderen en van de vrouw

3.22.

De man voert aan dat hij na het vertrek van de vrouw voor een bedrag van € 12.235,99 aan kosten voor de kinderen en voor de vrouw heeft betaald, zoals de ziektekostenverzekering. Zijn stelling is dat dit bedrag verrekend dient te worden. De man heeft een overzicht overgelegd van door hem betaalde kosten vanaf 2 januari 2012. De vrouw voert aan dat deze kosten door de man niet zijn onderbouwd. Bovendien vallen de kosten van de kinderen buiten de verrekening van de huwelijksgoederengemeenschap. Verder stelt de vrouw dat ook zij kosten voor de kinderen heeft voldaan. Zij stelt dat het tussen partijen afgesproken ouderschapsplan een regeling voor de verdeling van de kosten van de kinderen bevat en dat dat kan worden uitgevoerd. Dit wordt door de man erkend.

3.23.

Het had op de weg van de man gelegen, in het licht van de betwisting door de vrouw, aan te geven op welke grondslag de door hem betaalde kosten van de kinderen door de vrouw dienen te worden vergoed. Door hem is immers niet betwist dat ook de vrouw kosten van de kinderen heeft gemaakt en dat het ouderschapsplan een regeling bevat voor de verdeling van de kosten van de kinderen. Tegen die achtergrond had het op zijn weg gelegen nader uiteen te zetten in hoeverre hij meer kosten van de kinderen heeft betaald dan het gedeelte waartoe hij krachtens het ouderschapsplan is gehouden. De stelling dat hij voor de vrouw kosten heeft betaald die verrekend dienen te worden, is door de man onvoldoende onderbouwd. De door de man als productie 12 overgelegde rekening is volstrekt onvoldoende, nog daargelaten dat vóór de peildatum betaalde bedragen kosten van de huishouding geacht worden te zijn.

Incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

3.24.

De vordering van de man om bij tussenarrest de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg te schorsen totdat het hof in hoger beroep heeft beslist, wordt afgewezen. De man heeft daarbij geen belang meer aangezien het hof in het onderhavige arrest op het hoger beroep heeft beslist.

Conclusie

3.25.

De slotsom is dat het bestreden vonnis niet volledig in stand kan blijven. Het betreft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van:

- de echtelijke woning;

- de gebruiksvergoeding;

- de ING schuld (rekeningnummer [rekeningnummer 1] )

- de vordering van de man op de vrouw wegens niet afgedragen pensioengelden.

Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en alsnog beslissen op grond van al het voorgaande.

3.26.

Het hof zal het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigen. De proceskosten van het hoger beroep zal het hof tussen partijen compenseren, omdat zij gewezen echtelieden zijn. Ieder van hen heeft de eigen kosten te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover het betreft het oordeel van de rechtbank betreffende:

- de echtelijke woning;

- de door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding;

- de ING schuld met nummer [rekeningnummer 1] ;

- de vordering van de man op de vrouw wegens niet afgedragen pensioengelden;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt de woning aan de [adres] toe aan de man, tegen een waarde van € 155.000,-, onder de verplichting de op de woning rustende hypothecaire schuld over te nemen en de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake deze schuld en aan de vrouw de helft van de overwaarde van de woning (€ 155.000,- minus hypotheekschuld : 2) te betalen. Deze toedeling geschiedt onder de opschortende voorwaarden dat de man op 12 augustus 2016 de financiering heeft geregeld en de nodige afspraken met de notaris heeft gemaakt ter zake de levering van de woning;

indien de man niet (tijdig) aan de voorwaarden heeft voldaan zal de woning worden verkocht. De woning zal daartoe getaxeerd worden, met als peildatum de datum van de taxatie, door een door partijen gezamenlijk te benoemen makelaar in onroerend goed. De kosten van de taxatie zullen door partijen, ieder voor de helft, worden gedragen, waarbij de vrouw het eerste recht van koop heeft, onder de verplichting de op de woning rustende hypothecaire schuld over te nemen en de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van deze schuld binnen drie maanden na taxatie en aan de man de helft van de overwaarde van de woning uit te keren;

indien de vrouw de woning niet zal kunnen financieren zal de woning aan een derde te koop worden aangeboden. De vraag- en verkoopprijs zal in overleg met de door partijen in te schakelen makelaar worden bepaald;

bepaalt dat het saldo van de schuld aan de ING Bank (rekening nummer [rekeningnummer 1] ) op 15 februari 2013 € 28.075,87 bedroeg en dat partijen daarvoor, ieder voor de helft, draagplichtig zijn;

bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de op de peildatum bestaande schuld bij de ING Bank onder nummer [rekeningnummer 2] ad € 12.856,76;

bepaalt dat, voor zover er op 15 februari 2013 een tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende schuld wegens niet afgedragen pensioengelden bestaat, partijen daarvoor, ieder voor de helft, draagplichtig zijn;

bepaalt dat de vrouw zal meewerken aan een splitsing bij helfte van het door haar in de onderneming opgebouwde fiscaal compensabele verlies en daartoe een verzoek zal richten tot de belastingdienst;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A. van den Berg, G.J. Driessen-Poortvliet en J. Jonkers door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.