Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3491

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
23-000018-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

diefstallen uit woningen waar de verdachte als schoonmaakster werkzaam was

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000018-16

datum uitspraak: 19 augustus 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-654301-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een behandelverplichting.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, met dien verstande dat aan het voorwaardelijke strafdeel geen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door grote hoeveelheden waardevolle goederen weg te nemen uit woningen waar zij als schoonmaakster werkzaam was, heeft de verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de aangeefsters in haar stelden. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de materiële en immateriële schade die zij veroorzaakte, maar heeft enkel oog gehad voor het verbeteren van haar eigen financiële positie.

Het hof heeft bij het bepalen van de straffen acht geslagen op een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland van 28 maart 2014, waar onder andere uit blijkt dat de verdachte veel spanning ervaart door financiële problemen en moeite heeft zich maatschappelijk staande te houden. Een meldplicht en een behandelverplichting worden geadviseerd.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 juli 2016, waar onder andere uit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven onherroepelijk is veroordeeld, maar veelal voor andersoortige feiten.

Het hof heeft tot slot acht geslagen op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht over de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft onder meer aangegeven dat de verdachte weinig draagkracht heeft, dat er momenteel sprake is van schuldhulpverlening, dat er grote spanningen zijn in de relatie met haar partner en dat haar aanwezigheid op de zitting een te grote psychische belasting voor haar zou vormen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd zo frequent als de reclassering nodig acht te melden bij Reclassering Nederland te Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie of een soortgelijke instelling, zolang de behandelaar en de reclassering dit nodig achten, waarbij het stellen van een diagnose onderdeel kan uitmaken van het behandeltraject.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep – waaronder begrepen de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde maatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht - voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.W. Moors, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 augustus 2016.

Mr. W.M.C. Tilleman, mr. J.W. Moors en mr. S. Ourahma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.