Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3477

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
23-000643-13, 23-000647-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak ''Passage''. Gelijktijdige beslissingen over de voorlopige hechtenis van zowel een “kroongetuige” als van de verdachte waarover deze kroongetuige heeft verklaard. Beoordelingskader en waardering door het hof van prognose advocaat-generaal over zijn strafeis c.q. verwachting van kroongetuige daaromtrent in de sleutel van het anticipatiegebod van art. 67a, lid 3, Sv. Moment van waardering van bewijsmateriaal, in het bijzonder van de verklaringen van kroongetuigen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 67a
Wetboek van Strafvordering 80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2016/174

Uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

Afdeling strafrecht

Strafzaak Passage

Extract-beslissingen

Datum: 26 augustus 2016

De voorlopige hechtenis van de verdachte Dino S.

Procesverloop

Namens de verdachte S. is door zijn raadslieden ter terechtzitting van 27 mei 2016 een verzoek tot opheffing, subsidiair schorsing, van diens voorlopige hechtenis gedaan. Door de advocaat-generaal is op dit verzoek ter terechtzitting van 2 juni 2016 gereageerd en geconcludeerd tot afwijzing van zowel het primaire als subsidiaire verzoek. Ter terechtzitting van 8 juli 2016 is – in tweede termijn – zowel door de raadslieden als door de advocaat-generaal het woord gevoerd. Het hof heeft bepaald dat ter terechtzitting van heden beslissingen zullen worden gegeven.

De voorlopige hechtenis van de verdachte

Het hof heeft ter terechtzitting van 29 juni 2015 de gevangenneming van de verdachte bevolen en tegelijkertijd een verzoek tot schorsing daarvan afgewezen. Voor wat betreft de motivering van dit bevel – als ook voor een weergave van het verloop van de voorlopige hechtenis van de verdachte tot dan toe – wordt verwezen naar het proces-verbaal van die terechtzitting.

Ter terechtzitting van 22 december 2015 heeft het hof een namens de verdachte op

17 december 2015 gedaan verzoek tot opheffing c.q. schorsing van diens voorlopige hechtenis afgewezen. Verwezen wordt naar het proces-verbaal van die terechtzitting.

De beoordeling van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Met als inleidende beschouwingen dat in de onderhavige strafzaak de beperking, waarin zich in het algemeen de meester toont, lastig is op te brengen, is de verdediging gemotiveerd ingegaan op een aantal verklaringen en bevindingen in het dossier die door de advocaat-generaal als bezwarend ten aanzien van de verdachte zouden kunnen worden aangemerkt. In het bijzonder is daarbij aandacht besteed aan de verklaringen van de kroongetuige Ros. De conclusie van de verdediging houdt in de kern in dat die verklaringen en bevindingen, wanneer ze aan een nadere beschouwing worden onderworpen géén ernstige bezwaren tegen de verdachte opleveren. Ten aanzien van de kroongetuige Ros stelt de verdediging met zoveel woorden dat deze verklaringen – voor zover zij de verdachte belasten – leugenachtig zijn en daarom niet bruikbaar zijn om ernstige bezwaren op te baseren.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het in eerdergenoemde beslissing van 29 juni 2015 heeft overwogen:

Die door de advocaat-generaal gepresenteerde potentiële bewijsmiddelen komen in de kern neer op verklaringen van getuigen, onder wie -inmiddels- twee “kroongetuigen”, alsmede diverse onderzoeksbevindingen, waaronder heimelijk afgeluisterde en opgenomen communicatie die heeft plaatsgehad tussen in het onderzoek “Passage” betrokken personen. Weliswaar kan bepaald niet worden gezegd dat de validiteit van delen van dat materiaal niet pleitbaar voor betwisting vatbaar is, doch in samenhang bezien bevat dit materiaal zodanig betekenisvolle kernelementen dat daaraan bij de huidige stand van zaken een de verdachte S. ernstig bezwarende betekenis moet worden toegekend.

Het hof verwijst voorts, zoals het ook in de beslissing van 22 december 2015 heeft gedaan, naar hetgeen inleidend is overwogen in de beslissing van 29 juni 2015:

Kenmerkend voor zowel de toelichting op de vordering als voor wat daartegen van de zijde van de verdediging van S. is ingebracht is de relatief hoge mate van feitelijke detaillering.

Waar de advocaat-generaal een uitgebreide uiteenzetting heeft gegeven van de in haar ogen potentiële bewijsmiddelen is door de raadslieden van S. eveneens in den brede naar voren gebracht dat, en op welke gronden die middelen potentiële bewijskracht ontberen.

Het hof staat in dat verband kort stil bij de bij de beoordeling van de vordering te hanteren maatstaf. Het hof staat thans vanzelfsprekend niet voor de beantwoording van de vraag óf de stukken in het dossier toereikend bewijs opleveren van hetgeen aan de verdachte wordt verweten. Die beantwoording geschiedt immers pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en derhalve nadat de advocaat-generaal bij gelegenheid van het requisitoir zijn vordering aan het hof heeft overgelegd en door en namens de verdachte het woord tot zijn verdediging is gevoerd. Het geding in hoger beroep is nog niet in die fase aanbeland. Mede in het licht van een terugblik op het onderzoek ter terechtzitting inzake ‘Passage” tot dusver laat een vooruitblik redelijkerwijs geen ruimte voor een andere conclusie dan dat toelaatbaarheid van bewijsverkrijging en aspecten van bewijswaarde en bewijskracht voorwerp van onderzoek door het hof zijn en zullen blijven. Reeds daarom is een min of meer finale beoordeling van de bewijswaarde en –kracht van de door de advocaat-generaal gepresenteerde potentiële bewijsmiddelen thans niet aan de orde. Bovendien vloeit uit de aard van het even bedoelde onderzoek voort dat ook in het veronderstelde geval, waarin thans het bestaan van ernstige bezwaren tegen S. door het hof wordt aangenomen, op een later moment – bijvoorbeeld na nader onderzoek en debat ter terechtzitting - het oordeel over het al dan niet bestaan van ernstige bezwaren tegen S. anders uitvalt en/of wordt beslist dat voor het ten laste gelegde geen of onvoldoende bewijs voorhanden is. De dynamiek die in het algemeen eigen is aan het onderzoek ter terechtzitting brengt zulks ook in de onderhavige strafzaak vanzelfsprekend mee.

Het is ook daarom, dat het hof niet in het spoor van het gevoerde debat zal overgaan tot een min of meer fijnmazige beoordeling van de validiteit van door de advocaat-generaal als potentiële bewijsmiddelen gepresenteerd materiaal, resulterend in een beslechting door het hof van ieder onderdeel van het door partijen gevoerde debat.

Het uitgangspunt dat beantwoording van de vraag óf de stukken in het dossier toereikend bewijs opleveren van hetgeen aan de verdachte wordt verweten pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting zal plaatsvinden, is vanzelfsprekend ook nu nog van toepassing. En ook nu zal het hof daarom niet overgaan tot een gedetailleerde beoordeling van de door de verdediging besproken potentiële bewijsmiddelen. Het verloop van de tijd en de stand van het onderzoek – die tot de vaststelling leiden dat de verhoren van zowel de verdachte als van de kroongetuigen in beginsel zijn voltooid – brengen hierin geen verandering. Immers, juist de waardering van de verklaringen van de kroongetuigen, zowel gelet op de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen als gelet op hun inhoud, vormt in de onderhavige strafzaak een onderwerp van een voortdurend en indringend debat dat door het hof pas bij eindarrest zal kunnen worden beslecht. Ook de vraag of die verklaringen, indien en voor zover op één van de hiervoor bedoelde gronden niet onbruikbaar, in voldoende mate steun vinden in overig bewijsmateriaal zal pas dan kunnen worden beantwoord.

Onder verwijzing naar de beslissing van 22 december 2015 resteert thans de vraag of ná het nadere onderzoek vanaf laatstgenoemde datum – waarbij vanzelfsprekend de verhoren van de verdachte en van beide kroongetuigen een belangrijke rol spelen – het oordeel over aanwezigheid en gewicht van ernstige bezwaren ten aanzien van S. anders dient uit te vallen en/of reeds nu moet worden beslist dat voor het ten laste gelegde geen of onvoldoende bewijs voorhanden zal zijn. Het hof oordeelt dat geen van beide situaties zich thans voordoet. Het stelt daarbij vast dat enerzijds de beide kroongetuigen in essentie hun voor de verdachte belastende verklaringen hebben herhaald, terwijl anderzijds de verdachte heeft volhard in zijn verklaring dat hij met de beschuldigingen in het geheel niet te maken heeft; de kern van het geschil is daarmee niet wezenlijk anders dan ten tijde van de beslissing van 22 december 2015, terwijl de waardering van die respectieve verklaringen – zowel ten opzichte van elkaar als in het licht van overige verklaringen en bevindingen in het dossier – zoals gezegd pas na verder debat en na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting zal kunnen plaatsvinden.

Het voorgaande brengt mee dat het hof het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijst.

De beoordeling van het subsidiaire verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis

Nu het primaire verzoek tot opheffing wordt afgewezen, is het subsidiaire verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis aan de orde.

Het verzoek tot schorsing is als volgt gemotiveerd:

“Die wordt enerzijds verzocht vanwege de inleidend besproken extreem lange loop van dit proces, en anderzijds in het geval uw hof onverhoopt ‘nog op de wip zou zitten’ qua twijfels wat betreft het gewicht van de bezwaren en het gegeven dat het proces nog niet helemaal gelopen is.”

Het hof stelt vast dat blijkens het voorgaande geen persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd die een schorsing van de voorlopige hechtenis zouden rechtvaardigen. Met betrekking tot het gewicht van de bezwaren verwijst het hof naar hetgeen hiervoor met betrekking tot het primaire verzoek is overwogen. Voor zover daaruit veronderstellenderwijs aangenomen het beeld oprijst van ‘een wip’, waarop het hof spreekwoordelijk zou zitten, levert dat geen grond tot schorsing op. Evenmin levert ‘de extreem lange loop van dit proces’ – wat daarvan ook zij – geïsoleerd beschouwd een zodanige grond op, waarbij het hof er op wijst dat de totale duur van de voorlopige hechtenis van de verdachte geenszins gelijk is aan de duur van dit strafproces, dat, in het geval van de verdachte, in september 2010 is aangevangen.

Het hof wijst derhalve ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.

De voorlopige hechtenis van de verdachte Ros

Ter terechtzitting van 8 juli 2016 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de voorlopige hechtenis van de verdachte Ros zal opheffen. Op diezelfde terechtzitting is namens de verdachte Ros verzocht om opheffing c.q. schorsing van diens voorlopige hechtenis. De onderbouwing van zowel de vordering als het verzoek is opgenomen in de bij die gelegenheid overgelegde schriftelijke aantekeningen.

De advocaat-generaal heeft zich – in het verlengde van zijn vordering – niet verzet tegen toewijzing van de verzochte opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis, gelijk namens Ros – op zijn beurt en in het verlengde van het namens hem gedane verzoek – de toewijzing van de vordering van de advocaat-generaal is bepleit.

Het hof heeft bepaald dat het ter terechtzitting van heden overwegingen en beslissingen zal geven. Gelet op zowel de gelijktijdigheid van de vordering en het verzoek als de inhoudelijke verwevenheid daarvan zal het hof deze gezamenlijk bespreken.

Opheffing van de voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft op 11 september 2014 met de verdachte Ros een schriftelijke afspraak gemaakt in de betekenis van artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering (Sv), hierna ook te noemen: de overeenkomst. In de overeenkomst is vastgelegd – onder meer – dat, indien Ros zich houdt aan de voor hem op grond van de afspraak geldende verplichtingen, het Openbaar Ministerie zich ertoe verplicht in zijn strafzaak in plaats van een vordering tot oplegging van een gevangenisstraf van 30 jaren zal volstaan met het vorderen van de oplegging van (maximaal) 15 jaren gevangenisstraf. Naar de mening van zowel de advocaat-generaal als van Ros moet het ervoor worden gehouden dat Ros zich tot op heden heeft gehouden aan de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, meer in het bijzonder: het afleggen van verklaringen als getuige in bij het hof (gelijktijdig) aanhangige strafzaken. Volgens de voorlopige mening van de advocaat-generaal dient de inhoud van die verklaringen als betrouwbaar te worden geduid, terwijl de fase waarin het strafgeding zich thans bevindt rechtvaardigt dat met betrekking tot de voorlopige hechtenis van Ros de balans wordt opgemaakt.

Het is de verwachting van Ros en de prognose van de advocaat-generaal dat te zijner tijd (het requisitoir is voorzien in de maand november van 2016) in diens strafzaak de oplegging van een gevangenisstraf van niet meer dan 15 jaren zal worden gevorderd.

Daarvan uitgaand en bovendien anticiperend op strafoplegging door het hof in overeenstemming met die vordering is de dag van 3 augustus jl. de datum waarop de door Ros in voorlopige hechtenis is samengevallen met de effectieve duur van de vrijheidsbeneming, behorend bij veronderstelde oplegging door het hof van 15 jaren gevangenisstraf. Naar de mening zowel van de advocaat-generaal als van Ros brengt het in artikel 67a, derde lid, Sv neergelegde anticipatiegebod voor het hof mee, dat Ros vanaf die datum althans zo spoedig mogelijk daarna in vrijheid dient te worden gesteld. Immers, voorkomen dient te worden dat de verdachte Ros bij voortgezette tenuitvoerlegging van het bevel voorlopige hechtenis gedurende langere tijd de vrijheid wordt ontnomen dan de duur van die (veronderstelde) gevangenisstraf.

Namens Ros is bovendien erop gewezen dat het voortduren van de voorlopige hechtenis na de dag van 3 augustus 2016 impliceert dat de Staat jegens Ros de gemaakte afspraken niet meer gaaf kan nakomen: de door Ros in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overtreft dan immers per saldo de overeengekomen 15 jaren gevangenisstraf.

Dit raakt niet alleen aan de aanspraken en belangen van Ros, maar werpt bovendien meer in het algemeen een onwenselijke schaduw vooruit: het vertrouwen van toekomstige kroongetuigen zal aanzienlijke schade oplopen, aldus -zakelijk weergegeven- de raadsman van Ros, die zich aldus ook veronderstelde rechtspolitieke gevolgen aantrekt.

Het hof stelt voorop dat de aan de even vermelde datum van 3 augustus jl. toegekende betekenis alsmede de daaraan door de advocaat-generaal en Ros verbonden gevolgtrekking dat opheffing van de voorlopige hechtenis van Ros aangewezen is, de uitkomst zijn van een keten van veronderstellingen en aannames. In dat verband wijst het hof op de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis, waarin de duur van de bij het veroordelend vonnis opgelegde gevangenisstraf – in het geval van Ros 30 jaren – één van de uitgangspunten is.

De opvatting dat ten aanzien van Ros het in artikel 67a, derde lid, Sv bedoelde geval zich voordoet veronderstelt daarom niet alleen dat het hof reeds op dit moment voorbijgaat aan de bij het veroordelend vonnis opgelegde gevangenisstraf van 30 jaren, maar ook dat de geprognosticeerde vordering van de advocaat-generaal door hem te zijner tijd metterdaad zal worden gedaan. De fase waarin het geding in hoger beroep zich bevindt maakt betekenis en gewicht hiervan niet anders, reeds omdat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nog niet is afgerond. In dat verband verdient vermelding dat de advocaat-generaal met enige regelmaat bescheiden aan het strafdossier toevoegt c.q. die toevoegingen aankondigt, waarin de resultaten van parallel (opsporings)onderzoek zijn neergelegd. Op voorhand kan derhalve niet worden uitgesloten dat die resultaten ook van betekenis kunnen zijn in de strafzaak tegen Ros, niet in de laatste plaats voor de waardering van hetgeen door hem als getuige is verklaard.

Daarbij komt, dat in de zienswijze van de advocaat-generaal en van Ros wordt verondersteld dat het hof de advocaat-generaal in zijn geprognosticeerde vordering bij arrest zal volgen. Die veronderstelde beslissing van het hof impliceert bovendien dat het hof de overeenkomst rechtmatig zal oordelen en voorts, dat het hof in het bestek van strafoplegging in de zaak van Ros zal vaststellen dat door het afleggen van zijn getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven (de door het hof aan te leggen maatstaf zoals neergelegd in artikel 44a Wetboek van Strafrecht). Bij die vaststelling zal het er naar het zich laat aanzien in belangrijke mate om gaan of de door het hof in de strafzaak tegen Ros ambtshalve te verrichten beoordeling van de waarheidsgetrouwheid van de door hem afgelegde verklaringen positief uitvalt. Over dit een en ander kan door procespartijen, zo blijkt ook uit de bewoordingen van vordering en verzoek, thans nog slechts in speculatieve zin worden gesproken.

Tegelijkertijd heeft het hof ook de contractuele relatie tussen Ros en de Staat onder ogen gezien. Gelet op achtereenvolgens de inhoud van de overeenkomst, die onderlinge verhouding van gebondenheid over en weer, en de feitelijke gang van zaken na het sluiten van die overeenkomst, is het vanuit zijn perspectief bezien niet onbegrijpelijk dat de advocaat-generaal thans door middel van zijn vordering aandacht vraagt voor het in artikel 67a, derde lid, Sv neergelegde anticipatiegebod, welk gebod immers is gericht tot de rechter. Het hof zal echter niet eerder dan na requisitoir en pleidooi tijdens het beraad in raadkamer ter zake tot eindoordelen kunnen komen. Daarop preluderen op de wijze als gevorderd en verzocht veronderstelt, dat het hof op grond van die getrapte keten van veronderstellingen en aannames moet vaststellen dat het geval van artikel 67a, derde lid, Sv zich thans voordoet, terwijl het moment waarop het hof na requisitoir en pleidooi tijdens beraad in raadkamer tot eindoordelen komt nog niet is aangebroken. Aan het in artikel 67a, derde lid, Sv neergelegde criterium dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de duur van de voorlopige hechtenis die van de op te leggen vrijheidsstraf zal overschrijden, is, gelet op het hypothetische karakter van de argumentatie van advocaat-generaal en raadsman, dan ook niet voldaan.

Ten overvloede overweegt het hof dat het vorenstaande vanzelfsprekend niet wegneemt dat het hof ook in de strafzaak tegen Ros zich steeds rekenschap geeft van het even bedoelde anticipatiegebod.

Al het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof, nu ook overigens de aan het bevel voorlopige hechtenis ten grondslag gelegde ernstige bezwaren en gronden van toepassing zijn, de vordering en het verzoek afwijst.

Schorsing van de voorlopige hechtenis

Namens Ros is subsidiair verzocht zijn voorlopige hechtenis te schorsen. De daartoe aangevoerde gronden zijn gelijk aan de voor het verzoek tot opheffing gebezigde gronden.

Daarnaast is aandacht gevraagd voor de persoonlijke belangen van Ros die, naar het hof de raadsman begrijpt, vooral gelegen zijn in de door hem en de zijnen ervaren repercussies van zijn met de Staat gesloten overeenkomst.

Voor zover het verzoek is gestoeld op de gronden die aan het opheffingsverzoek ten grondslag zijn gelegd acht het hof die ontoereikend voor toewijzing van het verzoek. Waar het gaat om de persoonlijke belangen van Ros overweegt het hof dat het ook zonder het horen van met beveiliging belaste functionarissen wil aannemen dat het leven na toepassing van beschermingsmaatregelen een (zware) wissel zal trekken op de persoon van Ros, doch ook daarvoor geldt dat dat gegeven niet de situatie oplevert dat de met zijn voorlopige hechtenis nagestreefde doelen hebben te wijken voor zijn persoonlijke belang. Het hof tekent hierbij aan dat ook in het veronderstelde geval van toewijzing van dit onderdeel van het verzoek moet worden aangenomen dat maatregelen van bescherming in meer of mindere mate hun weerslag zullen hebben op het leven van Ros.

Het hof wijst ook dit onderdeel van het verzoek af.

Deze beslissingen zijn gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. A. Binken, griffier, op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2016.