Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3474

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2016
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
23-004402-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overwegingen omtrent de vraag of de draagkracht van de verdachte aanleiding vormt om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004402-15

datum uitspraak: 9 mei 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-204919-15 (zaak A) en 15-172600-15 (zaak B), alsmede 15-103350-14 (TUL) tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

zaak A:

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 21 oktober 2015 te Haarlem, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers middels WhatsApp en/of Facebook althans door gebruik te maken van de sociale media, aan die [slachtoffer 1] al dan niet dagelijks in elk geval (zeer) regelmatig (met in elk geval voor de ontvanger dreigende) berichtjes te sturen (waaronder "the game is not done yet en/of ik ben in je straat om je kop te verbouwen, kom buiten dan);

zaak B:
hij, op of omstreeks 3 maart 2015, te Haarlem, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak je af" en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de strafoplegging tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A:

hij in de periode van 1 september 2013 tot en met 21 oktober 2015 te Haarlem wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1] vrees aan te jagen, immers middels WhatsApp en Facebook aan die [slachtoffer 1] zeer regelmatig (met in elk geval voor de ontvanger dreigende) berichtjes te sturen (waaronder: "the game is not done yet en/of ik ben in je straat om je kop te verbouwen, kom buiten dan");

zaak B:
hij op 3 maart 2015 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak je af" of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A en zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A en zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij is als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] gesteld.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A en zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren, waarbij als bijzondere voorwaarden dienen te worden gesteld contactverboden met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 1000,00 aan

[slachtoffer 2]. De advocaat-generaal heeft verzocht te bepalen dat de te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op kwalijke wijze en gedurende een geruime periode een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn vroegere kameraad [slachtoffer 1] door deze te belagen. Uit diens schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de handelwijze van de verdachte [slachtoffer 1] aanzienlijke angst heeft ingeboezemd en dat hij zich beknot voelt in zijn levensvrijheid. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn moeder [slachtoffer 2]. Het agressieve incident heeft de moeder van de verdachte dusdanig angstig gemaakt dat zij met het oog op het verkrijgen van hulp en bijstand van de politie onmiddellijk het alarmnummer heeft gebeld. Het hof rekent de verdachte een en ander zeer aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2016 is hij eerder wegens soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld tot (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen van enkele weken. Dat de verdachte hieruit kennelijk geen lering heeft getrokken wordt in zijn nadeel gewogen en rechtvaardigt dat aan de verdachte thans een forsere vrijheidsstraf wordt opgelegd.

Het hof zal de aan de verdachte op te leggen staf zodanig vormgeven dat daardoor kan worden bijgedragen aan het weerhouden van de verdachte van het plegen van strafbare feiten en dat hij – door het stellen van een bijzondere voorwaarde – ervan zal worden weerhouden contact op te nemen met [slachtoffer 1].

Het hof acht op basis van de stukken in het voorliggende dossier en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting onvoldoende termen aanwezig om aan de verdachte een contactverbod met zijn moeder

[slachtoffer 2] op te leggen. Dit geldt ook voor de vordering van de advocaat-generaal om de verdachte te verplichten tot het betaling van een bedrag aan [slachtoffer 2], reeds omdat onvoldoende vast is komen te staan dat de door haar opgevoerde schade het rechtstreeks gevolg is geweest van (louter) het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte.

Nu uit het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Palier van 18 november 2015 is gebleken dat de verdachte geen medewerking wil verlenen aan reclasseringstoezicht, zal het hof niet als bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte zich bij die instelling moet melden; een dergelijk toezicht lijkt op voorhand geen vruchten te kunnen afwerpen.

Nu in de onderhavige zaak geen sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en derhalve niet is voldaan aan de voorwaarden van dadelijke uitvoerbaarheid als bedoeld in artikel 14e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, ziet het hof geen ruimte om de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te kunnen bevelen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. [slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2000,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat hij niet heeft voldaan aan zijn voor toewijzing daarvan geldende plicht zijn stellingen te onderbouwen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de benadeelde partij ter staving van zijn vordering (in zijn schadeonderbouwingsformulier en diens schriftelijke slachtofferverklaring) uitgebreid gemotiveerde stellingen heeft geponeerd en dat zijdens de verdachte deze stellingen niet gemotiveerd zijn weersproken, in het bijzonder niet ten aanzien van het optreden van de opgevoerde schade en de causale relatie daarvan met het bewezen geachte feit. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2.000, waarbij in het bijzonder is gelet op de voormelde omstandigheden die uit de schriftelijke slachtofferverklaring naar voren komen en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

De verdachte is dus tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof heeft zich de vraag gesteld of in dit geval de draagkracht van de verdachte aanleiding vormt om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het heeft zich er daarbij rekenschap van gegeven dat daarvan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedings-maatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694).

De verdachte die, naar eigen opgave ‘een beetje’ verslaafd is aan alcohol, woont in een begeleide woonvorm, ontvangt een WWB-uitkering, maar zit ook in een schuldhulpverleningstraject; per week krijgt hij € 45,00 aan leefgeld.

Aangenomen moet worden dat verdachtes schuldhulpverleningstraject op enig moment tot een einde zal komen en niet uitgesloten kan worden dat de (andere) problemen waarmee de verdachte lijkt te kampen op enig moment dusdanig worden omgebogen, dat hij inkomen op basis van betaalde arbeid zal kunnen verwerven.

Verder is in aanmerking genomen dat artikel 561, vierde lid (oud), van het Wetboek van Strafvordering

– op grond waarvan bij het door het openbaar ministerie verlenen van uitstel van betaling of toestaan van betaling in termijnen, het totale bedrag in elk geval moest worden voldaan binnen twee jaar en drie maanden na de dag waarop de uitspraak waarbij de maatregel is opgelegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden – per 1 januari 2011 is komen te vervallen, zodat er thans mogelijkheden bestaan om te komen tot een langere betalingsregeling ter zake van het bedrag van de maatregel.

Het voert in deze zaak dan ook te ver om te concluderen dat oplegging van de schadevergoedings-maatregel slechts zal leiden tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis; het hof zal dan ook tot oplegging van die maatregel overgaan.

Anderzijds blijkt uit de vigerende Aanwijzing executie (Stcrt. 2013/5107) dat het Openbaar Ministerie in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat er, als dit wel wordt vergund, betalingstermijnen worden gesteld (van 12 of 36 maanden en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen nog langer) die voor de verdachte, gelet op de hoogte van het voor vergoeding in aanmerking gebrachte bedrag, bepaald een uitdaging zullen vormen. Om deze redenen zal het hof omvang van de vervangende hechtenis die gewoonlijk aan de maatregel wordt gekoppeld, halveren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Het hof begrijpt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 november 2015 dat

zich in eerste aanleg niet als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. In hoger beroep heeft [slachtoffer 2] zich wel als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.000,00.

Het hof overweegt daartoe dat nu de benadeelde partij [slachtoffer 2] zich in eerste aanleg niet in het strafproces heeft gevoegd, zij zich op grond van het bepaalde in artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in de fase van het hoger beroep niet alsnog in het strafproces kan voegen. Om die reden kan de benadeelde partij [slachtoffer 2] thans niet in de vordering worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te waarborgen dat de schade van [slachtoffer 2] op enigerlei wijze door de verdachte wordt vergoed, heeft de advocaat-generaal – naast de vordering om de verdachte tot schadevergoeding te verplichten middels het stellen van een bijzondere voorwaarde – gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd tot een bedrag van

€ 1000,00.

Het hof zal de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel afwijzen, om dezelfde reden als die waarom het hof niet overgaat tot het stellen van de door de advocaat-generaal voorgestane bijzondere voorwaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen, omdat de verdachte het in de zaak A bewezen geachte feit – een voortdurend delict – deels heeft begaan in de aan de voorwaardelijke staf gekoppelde proeftijd, die is ingegaan op 3 juni 2015, onder meer door op 20 augustus 2015 teksten naar [slachtoffer 1] te sturen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A met parketnummer

15-204919-15 en in zaak B met parketnummer 15-172600-15 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A met parketnummer 15-204919-15 en in zaak B met parketnummer 15-172600-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1].

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in zaak A met parketnummer 15-204919-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in zaak A met parketnummer 15-204919-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2014, parketnummer 15-103350-14, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, voorzitter, en mrs. R. Veldhuisen en R.A.F. Gerding, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2016.

[…]

.