Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:346

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.171.024/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind ex art. 1:431 lid 1 BW, mentorschap ex art. 1:450 lid 1 BW, afwijzing verzoek tot wijziging bewindvoerder ex art. 1:435 lid 3 BW / mentor ex art. 1:452 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/65.8
PFR-Updates.nl 2016-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 2 februari 2016

Zaaknummer: 200.171.024/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 3889500 EB VERZ 15-3188

3889501 EB VERZ 15-3189

in de zaak in hoger beroep van:

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. S. Braspenning te Amsterdam,

tegen

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.S. van Gaalen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk [X] en rechthebbende genoemd.

1.2.

[X] is op 5 juni 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 maart 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam met kenmerk 3889500 EB VERZ 15-3188 en 3889501 EB VERZ 15-3189.

1.3.

De rechthebbende heeft op 20 juli 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

[X] heeft op 18 september 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 30 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [X] , bijgestaan door haar advocaat;

- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;

- dhr. [Y] (hierna: [Y] ), huidige bewindvoerder en mentor van rechthebbende.

2 De feiten

2.1.

Rechthebbende is geboren [in] 1945. [X] is zijn enig kind.

2.2.

Rechthebbende is sinds augustus 2013 gediagnosticeerd met cortico basale degeneratie met een progressief beloop. Een controleverslag van de polikliniek Alzheimercentrum (VU medisch Centrum) d.d. 12 juni 2014 vermeldt onder meer:

Cognitief neurologisch onderzoek : patiënt imponeert beginnend dement, opvallende afasie, waarbij er sprake is van een haperende spraak. Patiënt spreekt in woorden of woord flarden. Soms ook semantische parafasieën. Het schrijven/lezen lukt niet. Het taalbegrip imponeert redelijk intact.’

Een controleverslag van voormelde polikliniek d.d. 8 juni 2015 vermeldt onder meer:

Cognitief onderzoek : taal ernstig gestoord. Patiënt zegt ja, nee en een enkele keer een herhaling van een woord dat tegen hem gesproken is. Verder alleen klanken. Het begrip voor simpele enkelvoudige opdrachten is intact. Ook reageert hij op thema’s die besproken worden. Bij meer complexe opdrachten lijkt patiënt dit niet te begrijpen. Patiënt gebaart tijdens het spreken, maar dit is stereotype niet verhelderend. Schrijven en tekenen lukken niet.

Neuropsychologisch onderzoek : zeer beperkt mogelijk. Verder achteruitgang van de taal. Ook andere domeinen zijn aangedaan.’

2.3.

In het op 4 maart 2014 door notaris mr. H.A.M. Stuijt verleden levenstestament van rechthebbende is, onder meer, het navolgende bepaald:

‘HOODSTUK 3. VOLMACHT

Volmachtverlening

Ik verleen volmacht aan mijn enig kind, mevrouw [X] (…) om mijn belangen te behartigen onder meer bij mijn afwezigheid, verhindering of langdurige onbekwaamheid. (…)

De volmacht gaat onmiddellijk in en strekt zich uit tot vertegenwoordiging en alle handelingen op het gebied van het personenrecht, het verbintenissenrecht, het familierecht, het zakenrecht, het fiscaal recht, het procesrecht en ieder ander rechtsgebied, waaronder uitdrukkelijk begrepen daden van beschikking (…)

Einde volmacht

Deze volmacht eindigt:

(…)

b. indien mijn vermogen geheel onder bewind wordt gesteld in de zin van artikel 1:431 Burgerlijk Wetboek;

(…)

HOOFDSTUK 5. BEWIND

(…)

Aanwijzingen als een bewind wordt ingesteld

Indien een bewind wordt ingesteld over een of meer van mijn goederen als bedoeld in artikel 1:431 Burgerlijk Wetboek of artikel 1:409 Burgerlijk Wetboek, verzoek ik de kantonrechter en de bewindvoerder daarbij de wensen als omschreven in de volmachten hiervoor en de overige wensen van mij in deze akte opgenomen in acht te nemen.

Benoeming bewindvoerder

Ik wens dat mijn dochter wordt benoemd tot bewindvoerder.

(…)

HOOFDSTUK 6. MENTORSCHAP

Als ik als gevolg van mijn lichamelijke of geestelijke toestand duurzaam niet of moeilijk in staat ben mijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, verzoek ik de kantonrechter daarbij de volgende wensen in acht te nemen:

Benoeming mentor

Ik wens dat mijn dochter wordt benoemd tot mentor.

(…)’

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke/geestelijke toestand. Tevens is een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende ingesteld. [Y] & Partners B.V. is benoemd tot bewindvoerder en mentor.

3.2.

[X] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, rechthebbende niet-ontvankelijk te verklaren in het inleidend verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij [X] tot bewindvoerder en/of mentor te benoemen en meer subsidiair verzoekt zij een bewindvoerder en/of mentor te benoemen, niet zijnde [Y] & Partners B.V.

3.3.

De rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De eerste grief luidt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de rechthebbende de verzoeker in eerste aanleg is geweest. [X] stelt zich op het standpunt dat het gelet op de gezondheidstoestand van rechthebbende ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek voor hem onmogelijk was om het verzoek in te dienen, en evenmin dat hij het verzoek zelf gewild zou hebben. [X] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de hulpverleners van rechthebbende het inleidend verzoek in naam van rechthebbende hebben ingediend, hetgeen onrechtmatig is. Het voorgaande dient tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van het inleidend verzoek te leiden, aldus [X] .

In het verweerschrift zijn de stellingen van [X] gemotiveerd betwist.

4.2.

Het hof overweegt als volgt.

[X] heeft haar standpunt in hoger beroep aldus toegelicht dat rechthebbende in januari 2015 niet meer in staat was om te weten wat hij wilde, de gevolgen daarvan te overzien en om zijn wil te uiten.

Voor zover [X] bedoeld heeft zich te beroepen op het bepaalde in art. 3:34 BW, faalt dat verweer omdat slechts rechthebbende zich op een wilsdefect als bedoeld in genoemd artikel kan beroepen. De daarin genoemde sancties (vernietignaarheid/nietigheid) zijn immers te zijner bescherming vastgesteld.

Voorts heeft het volgende te gelden. Vast staat dat het op 24 februari 2015 bij de rechtbank ingediende verzoekschrift rechthebbende als verzoeker vermeldt en dat rechthebbende het verzoek heeft ondertekend. Ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek stond de rechthebbende niet onder curatele, zodat hij op dat moment handelingsbekwaam was. Uitgangspunt is dat zij die bekwaam zijn tot het verrichten van rechtshandelingen ook bekwaam zijn als procespartij op te treden. Er bestaat geen aanleiding daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. Dat indiening van het verzoekschrift buiten rechthebbende om is gegaan, is, tegenover de gemotiveerde betwisting namens rechthebbende (nr. 11 verweerschrift in hoger beroep) onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover [X] bedoeld heeft te betogen dat indiening van het inleidend verzoekschrift buiten haar medeweten en/of instemming jegens haar onrechtmatig is, kan dat standpunt, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing van het verzoek in deze procedure. De conclusie is dat de kantonrechter rechthebbende terecht in zijn verzoek heeft ontvangen en dat de eerste grief van [X] in zoverre faalt.

4.3.

[X] betoogt verder dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, omdat zij niet is gehoord in eerste aanleg.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [X] op grond van artikel 798 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering belanghebbend is in de onderhavige procedure en dientengevolge in eerste aanleg had moeten worden opgeroepen. Nu het hoger beroep er echter mede toe dient fouten en omissies in eerste aanleg te helen en [X] in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad haar standpunt naar voren te brengen, kan voormeld gebrek niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Ook in zoverre faalt de eerste grief.

4.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof zal beoordelen of de kantonrechter terecht en op goede gronden de (toekomstige) goederen van de rechthebbende onder bewind heeft gesteld en of de kantonrechter terecht en op goede gronden een mentorschap heeft ingesteld ten behoeve van betrokkene. Bij positieve beantwoording van deze vragen ligt aan het hof de vraag voor wie tot bewindvoerder over de goederen van rechthebbende, respectievelijk wie als zijn mentor moet worden benoemd.

4.5.

Ingevolge artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - voor zover hier van belang - kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

4.6.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 1:435 lid 3 en 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van respectievelijk de bewindvoerder en de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende respectievelijk betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Tevens bestaat er blijkens het vierde lid van beide artikelen - voor zover hier van belang - een wettelijke voorkeur voor de benoeming van kinderen van de rechthebbende respectievelijk betrokkene.

4.7.

[X] heeft zich met haar tweede grief op het standpunt gesteld dat de gronden voor onderbewindstelling en mentorschap aanwezig zijn, maar dat deze beschermingsmaatregelen niet noodzakelijk zijn. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan. [X] is blijkens het levenstestament van rechthebbende gemachtigd de belangen van hem te behartigen in het geval hij tijdelijk of langdurig onbekwaam is. Dit is de voorzorgsmaatregel die rechthebbende zelf heeft getroffen toen hij hiertoe nog in staat was. [X] betwist dan ook dat rechthebbende thans in plaats daarvan wenst dat zijn goederen onder bewind worden gesteld en dat er een mentorschap wordt ingesteld. Bovendien bepaalt het levenstestament uitdrukkelijk dat de volmacht niet eindigt wanneer rechthebbende vanwege zijn slechte fysieke of geestelijke gezondheid niet langer in staat is zijn wil te bepalen. Zij betwist dat zij een bedrag van € 67.041,- aan het vermogen van de rechthebbende heeft onttrokken ten gunste van zichzelf. Van dit bedrag dient € 33.037,- te worden aangemerkt als giften van rechthebbende aan [X] . Het resterende deel is grotendeels ten goede gekomen aan de rechthebbende. De bedragen die [X] heeft besteed aan zichzelf zijn in lijn met de afspraken die zij met de rechthebbende heeft gemaakt toen zij eind 2013 door hem werd gemachtigd zijn financiële zaken te behartigen en met de wijze waarop de rechthebbende haar in het verleden financieel heeft ondersteund in met name studiekosten.

Met haar derde grief komt [X] op tegen de benoeming van [Y] tot bewindvoerder en mentor. Zij voert daartoe aan dat, indien het hof onderbewindstelling en mentorschap ten aanzien van rechthebbende aangewezen acht, zij de meest geschikte persoon is om daaraan uitvoering te geven. Dit heeft de rechthebbende immers reeds bepaald in zijn levenstestament, en het is in overeenstemming met de wettelijke voorkeur voor de benoeming van een kind van de rechthebbende/betrokkene. [X] heeft haar taken als gevolmachtigde naar eer en geweten in het belang van de rechthebbende verricht, zodat er geen redenen zijn om voorbij te gaan aan de uitdrukkelijke voorkeur van rechthebbende dan wel aan de wettelijke voorkeur die zij als dochter geniet.

Meer subsidiair stelt [X] dat een derde, niet zijnde [Y] , tot bewindvoerder en mentor dient te worden benoemd, aangezien zij gelet op de procedure in eerste aanleg geen vertrouwen meer in [Y] heeft. Het is van belang dat zij met een bewindvoerder/mentor met een schone lei kan beginnen, zonder wantrouwen over en weer. De huidige verhouding met [Y] zorgt voor gespannen situaties in het bijzijn van rechthebbende, hetgeen ook de verstandhouding tussen [X] en rechthebbende negatief kan beïnvloeden. Ook heeft [X] de indruk dat [Y] te weinig zicht heeft op de situatie van rechthebbende en dat hij zich ten onrechte voornamelijk laat leiden door de mening van de thuiszorg ten koste van het welzijn en de gezondheid van rechthebbende, aldus [X] .

4.8.

In het verweerschrift zijn de stellingen van [X] betwist. Daartoe is onder meer het volgende aangevoerd. De bewindvoerder heeft geconstateerd dat in de periode van 11 november 2013 tot 16 april 2015, de periode waarin [X] de bankrekeningen van de rechthebbende beheerde, ten minste een bedrag van € 67.041,- is besteed aan uitgaven die rechtstreeks en aantoonbaar aan [X] ten goede zijn gekomen, in elk geval aan zaken die niet ten goede zijn gekomen aan rechthebbende. Dit terwijl in het levenstestament geen vergoeding aan [X] is toegekend voor haar werkzaamheden. Het voorgaande maakt dat van [X] niet geschikt is om tot bewindvoerder zijn vermogen te beheren.

Verder is zij niet geschikt om als mentor te worden benoemd, onder meer omdat zij van mening is dat rechthebbende op korte termijn naar een verzorgingshuis dient te verhuizen, terwijl rechthebbende in zijn eigen huis wenst te blijven wonen. Daarbij komt dat [X] een slechte verhouding heeft met [Z] , een van de ouderenbegeleiders, die de man in het kader van de thuiszorg dagelijks bezoekt. Dat is een contra-indicatie voor benoeming van [X] tot mentor. Rust en stabiliteit in de zorg is immers in het belang van betrokkene. Rechthebbende wenst de huidige situatie, waarbij [Y] het bewind en het mentorschap uitvoert, voort te zetten, aldus het verweerschrift.

4.9.

[Y] heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat zijn relatie met rechthebbende en [X] goed is. De zorg voor de rechthebbende is onlangs uitgebreid naar vijf uur per dag. Er wordt goed bewaakt of dit voldoende voor hem is. Uitbreiding naar 24 uurs-hulp is mogelijk, aldus [Y] .

4.10.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat rechthebbende in augustus 2013 is gediagnosticeerd met progressieve cortico basale degeneratie, hetgeen zich onder meer manifesteert in de vorm van een ernstige spraakstoornis. Uit de ingediende medische verklaringen die reeds beschikbaar waren in de aanloop naar de bestreden beschikking blijkt dat rechthebbende destijds al in toenemende mate moeite had met spreken, lezen en schrijven en dat hij veel moeite had nieuwe dingen te onthouden. Hij was reeds afhankelijk van thuiszorg. De situatie van rechthebbende is sindsdien verslechterd, zo blijkt eveneens uit de stukken, hetgeen gelet op het progressieve karakter van zijn aandoening ook te verwachten was.

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechthebbende zowel ten tijde van de bestreden beschikking als thans, als gevolg van voornoemde toestand niet in staat was, en is, ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen en zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, zodat de gronden voor onderbewindstelling en de instelling van een mentorschap aanwezig waren en nog steeds aanwezig zijn.

4.11.

[X] voert aan dat genoemde beschermingsmaatregelen echter niet noodzakelijk zijn, gelet op het feit dat zij volgens zijn levenstestament gevolmachtigd is de belangen van de rechthebbende te behartigen.

Ter zitting heeft [X] erkend dat zij, in de periode dat zij de belangen van rechthebbende behartigde, een totaalbedrag van € 33.037,- aan het vermogen van de rechthebbende heeft onttrokken ten gunste van zichzelf. Zij wijst in dat verband op in het verleden gedane schenkingen van rechthebbende aan haar en stelt voorts dat zij in 2013 met rechthebbende heeft afgesproken dat zij zijn vermogen mocht gebruiken voor onder andere door haar te volgen cursussen, haar bedrijf en boodschappen. Die afspraken zijn geheel in lijn met de wijze waarop rechthebbende haar in het verleden altijd financieel heeft ondersteund, met name in de studiekosten. Zo heeft rechthebbende in juni 2012 een bedrag van € 5000,- aan haar betaald ten behoeve van een opleiding. Voorts stelt zij dat rechthebbende gewoon was haar in de periode vóór zijn ziekte regelmatig contant geld te geven en vakanties voor haar te betalen.

Het hof stelt voorop dat [X] als gevolmachtigde bovenal de belangen van rechthebbende diende te behartigen. Het doen van schenkingen wordt in het algemeen niet in het belang van een rechthebbende geacht. Dit kan anders zijn indien sprake is van een bestaande schenkingstraditie. In het onderhavige geval is echter onvoldoende gebleken dat in de periode dat de rechthebbende nog gezond was, door hem regelmatig schenkingen zijn gedaan aan [X] die in omvang en frequentie vergelijkbaar zijn met de in de periode 11 november 2013 tot 16 april 2015 overgeboekte bedragen tot een totaalbedrag van € 33.037,-. De overboeking van de rekening van rechthebbende naar [X] van € 5.000,- in juni 2012 ten behoeve van een opleiding leidt niet tot een ander oordeel.

[X] heeft nog verwezen naar drie door haar overgelegde - door rechthebbende ondertekende - schenkingsverklaringen (productie 24 in hoger beroep), maar zelfs indien ervan uitgegaan wordt dat aan deze verklaringen, die alle dateren uit de periode dat rechthebbende al gediagnosticeerd was met zijn huidige ziekte, geen (wils)gebreken kleven, hetgeen door rechthebbende wordt betwist, dan nog blijkt uit die verklaringen een schenkingsbedrag van ten hoogste € 20.141,-. Het bestaan van afspraken inhoudende dat [X] het vermogen van rechthebbende mocht gebruiken voor zaken als opleidingen en boodschappen, heeft [X] tegenover de gemotiveerde betwisting door rechthebbende, onvoldoende onderbouwd en evenmin heeft zij van die stelling bewijs aangeboden. Ook de stelling van [X] dat rechthebbende haar, toen hij nog in goede gezondheid was, regelmatig financieel ondersteunde, is, wat er van de juistheid daarvan ook zij, niet voldoende om aan te nemen dat er sprake was van een schenkingstraditie als hiervoor bedoeld. Bovendien kan, zelfs indien een schenkingstraditie zou worden vastgesteld, dit er niet toe leiden dat [X] als belangenbehartiger van rechthebbende naar eigen inzicht vermogen van rechthebbende mag gebruiken ten behoeve van zichzelf. Voldoende is komen vast te staan dat dit wel is gebeurd. Immers, zelfs indien juist is dat een bedrag aan opnames in contanten van € 18.000,- ten behoeve van uitgaven van rechthebbende is gedaan en dat een bedrag van € 3.000,- aan horeca uitgaven voor het overgrote deel met en door rechthebbende is besteed, dan resteert nog een aanzienlijk bedrag aan uiteenlopende uitgaven dat [X] voor zichzelf heeft aangewend (o.a. een bedrag van € 577,- aan vliegtickets, € 600,- aan openbaar vervoerkosten, € 780,- kosten Chiropractor, € 2.680, aan een coach, € 3.367,- aan yoga). Nu verder niet is gesteld of gebleken dat de schenkingen aan [X] in het belang van rechthebbende zijn gedaan, is het hof van oordeel dat [X] niet heeft gehandeld als een behoorlijk handelende gevolmachtigde.

Op grond van het voorgaande overweegt het hof dat [X] tijdens de periode waarin zij de financiën van rechthebbende beheerde als gevolmachtigde haar eigen belangen en die van de rechthebbende onvoldoende heeft onderscheiden. Een beschermingsmaatregel in de vorm van bewind was, en is, mede in aanmerking genomen dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de kosten voor verzorging van rechthebbende zullen toenemen, noodzakelijk om de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende zorgvuldig te behartigen.

Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.

4.12.

Ook ten aanzien van de belangen van niet-vermogensrechtelijke aard is het hof van oordeel dat het inleidend verzoek tot benoeming van een mentor door de kantonrechter terecht is toegewezen. Voldoende aannemelijk is geworden dat rechthebbende zo lang als mogelijk in zijn eigen huis wil blijven wonen. De huidige hulpverleners achten rechthebbende daartoe, met de nodige hulpverlening, voorlopig nog in staat. [X] wenst dat rechthebbende binnen afzienbare termijn naar een (particulier) verzorgingstehuis verhuist en heeft hiertoe al de nodige stappen gezet. Het hof constateert dat in zoverre sprake is van conflicterende belangen. Gelet op dit alles acht het hof gegronde redenen aanwezig om met voorbijgaan aan de bij levenstestament bepaalde volmacht een mentorschap in te stellen.

4.13.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.11 en 4.12 is overwogen met betrekking tot de conflicterende belangen acht het hof gegronde redenen aanwezig om af te wijken van de bij levenstestament bepaalde voorkeur en van de wettelijke voorkeur om [X] als kind van rechthebbende te benoemen tot bewindvoerder en mentor. Evenals de kantonrechter acht het hof, overeenkomstig het inleidend verzoek, de benoeming van een onafhankelijke en professionele bewindvoerder en mentor aangewezen. Het verzoek van [X] om haar te benoemen tot bewindvoerder en/of tot mentor zal worden afgewezen.

4.14

Het meer subsidiaire verzoek van [X] om een derde, niet zijnde [Y] , tot bewindvoerder en mentor te benoemen, wijst het hof eveneens af. Het hof acht het, gelet op de ziekte van rechthebbende, in zijn belang dat thans zo weinig mogelijk wisseling plaatsvindt van personen die bij hem betrokken zijn en dat de wijze waarop de zorg voor hem is georganiseerd zoveel mogelijk gewaarborgd blijft. Voorts is niet gebleken dat de huidige bewindvoerder en mentor zijn taken niet naar behoren vervult. Het belang van [X] om een nieuwe start te kunnen maken met een andere bewindvoerder en mentor weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen voornoemd belang van de rechthebbende. Voorts zijn de stellingen van [X] dat rechthebbende in zijn belangen wordt geschaad door spanningen tussen [X] enerzijds en [Y] anderzijds of door de wijze waarop [Y] de zorg voor de rechthebbende bewaakt en organiseert, naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden. De door [X] aangehaalde incidenten, voor zover van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan, vormen daarvoor onvoldoende onderbouwing. Het hof neemt in dat kader verder in aanmerking dat van [Y] , evenals van iedere neutrale en zorgvuldig handelend bewindvoerder en mentor mag worden verwacht, dat hij zijn taakomschrijving aldus opvat dat hij de nodige aandacht besteedt aan de onderlinge verhoudingen, zowel tussen [X] en rechthebbende als tussen [X] en de zorgverleners van rechthebbende. Daarnaast gaat het hof er van uit dat [Y] [X] , als enig kind van de rechthebbende, met wie rechthebbende altijd een liefdevolle band heeft gehad en nog steeds heeft, zoveel mogelijk zal betrekken bij de gang van zaken rondom rechthebbende en open zal staan voor verzoeken en suggesties van [X] , die zich zeer betrokken voelt bij haar vader. [Y] heeft zich hiertoe ter zitting uitdrukkelijk bereid verklaard. Het hof zal dan ook de beslissing van de kantonrechter om [Y] te benoemen tot bewindvoerder en mentor bekrachtigen.

4.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.N. van de Beek en mr. L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. H.A. From als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.