Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:345

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.170.353/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:3598, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, bij bepaling draagkracht wordt geen rekening gehouden met maandelijkse last vanwege uitvoering achterstallig onderhoud aan voormalig echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 2 februari 2016

Zaaknummer: 200.170.353/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/14/153589 / FA RK 14-716 en C/14/156134/FA RK 14-1612

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.L. Beckers te Enkhuizen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Enkhuizen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 22 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 25 februari 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C14/153589 / FA RK 14-716 en C/14/156134/FA RK 14-1612.

1.3.

De vrouw heeft op 11 augustus 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 18 september 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 30 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1988 gehuwd. Hun huwelijk is op 1 april 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn, thans meerderjarige, kinderen geboren.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1962. Hij woont samen met de meerderjarige kinderen van partijen.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2013 en zijn salarisspecificatie over december 2014 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 45.219,- en € 40.615,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 9.408,- per jaar aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 63,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 272.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 101,- per maand.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1955. Zij is alleenstaand.

Zij ontvangt een WWB-uitkering.

Aan huur betaalt zij € 404,- per maand. De huurtoeslag bedroeg in 2014 en 2015 respectievelijk € 1.995,- en € 2.256,- per jaar.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 87,- per maand. Zij ontving in 2014 en 2015 een zorgtoeslag van respectievelijk € 865,- en € 942,- per jaar. Het eigen risico dat aan de zorgverzekering is verbonden bedraagt € 675,- per jaar.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang, op verzoek van de vrouw een door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud van € 948,- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking bepaald.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek, voor zover het de bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw betreft, af te wijzen, dan wel een bijdrage vast te stellen die het hof juist acht.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

4.2.

Nu de man ter zitting heeft verklaard dat hij zijn grief, dat rekening gehouden dient te worden met een daling van zijn inkomen in 2015, niet langer handhaaft, behoeft de eerste grief van de man, bij gebrek aan belang, geen bespreking meer.

4.3.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van zijn draagkracht rekening gehouden dient te worden met een maandelijkse last vanwege het uitvoeren van groot achterstallig onderhoud aan de voormalig echtelijke woning van partijen. Hij voert daartoe het volgende aan.

Op de woning rust thans een hypotheek die € 190.000,- bedraagt. De marktwaarde van de woning ligt, onder meer vanwege de ligging en het achterstallige groot onderhoud, veel lager. Recent is er slechts eenmaal een bod op de woning gedaan van € 166.000,-.

Om de woning weer bewoonbaar of verkoopbaar te maken is een investering noodzakelijk van ten minste € 56.132,-. De vrouw kan geen bijdrage leveren in deze kosten. Zij kon echter ook niet delen in de restschuld die zou zijn ontstaan bij verkoop aan een derde voor minder dan € 190.000,-. De man was dan ook genoodzaakt de woning aan zichzelf te laten toedelen voor een hogere prijs dan de woning werkelijk waard is. Om financiering door de bank mogelijk te maken is de woning zeer optimistisch getaxeerd op € 190.000,-. Hierdoor kon de woning op 30 april 2015 aan de man geleverd worden. Deze gang van zaken is gunstig voor de vrouw geweest, aangezien zij thans schuldenvrij is.

Vanwege een gebrek aan middelen om het achterstallig onderhoud te financieren is de enige mogelijkheid voor de man om dit te laten uitvoeren door zijn broer op basis van een overeenkomst waarbij de man gedurende een aantal jaren een maandelijks bedrag van € 600,- per maand voldoet en de werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd. De man acht het redelijk dat dit bedrag in mindering wordt gebracht op zijn draagkracht, omdat hij thans alleen de onderwaarde van het huis draagt en omdat het in feite de aflossing van een schuld van partijen betreft, die zij ook hadden moeten aangaan als zij niet waren gescheiden.

Voorts betoogt de man dat de partnerbijdrage niet tot voordeel van de vrouw strekt, omdat deze in mindering wordt gebracht op haar bijstandsuitkering, welke dezelfde omvang heeft als de partnerbijdrage, aldus de man.

4.4.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Het hof zal bij de beoordeling nader ingaan op deze stellingen.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat de woning is toegedeeld aan de man voor een waarde van € 190.000,- zoals die op 10 juli 2014 is getaxeerd door [a] , taxateur te Hoorn. De man stelt dat de werkelijke waarde van de woning lager is, maar dat hij door deze taxatie in staat was de woning over te nemen nu de hypothecaire schuld € 190.000,- is.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de getaxeerde waarde van € 190.000,- niet overeenkomt met de werkelijke waarde van de woning. Uitgangspunt is de taxatie waartoe beide partijen opdracht hebben gegeven. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in dit geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De verklaring van [b] , financieel adviseur, van 14 september 2015 is in dit kader niet voldoende. De stellingen van de man met betrekking tot de onderwaarde van de woning en de mogelijke restschuld die zou zijn ontstaan bij verkoop van de woning aan een derde worden bij gebrek aan voldoende onderbouwing tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, verworpen.

Uitgaande van de toedeling van de woning aan de man voor de werkelijke waarde zullen door de man gedane uitgaven voor onderhoud aan en/of verbetering van de woning na de boedelscheiding leiden tot een waardevermeerdering van deze woning. Dergelijke uitgaven dienen er niet toe te leiden dat de draagkracht van de man vermindert, waardoor de vrouw een lagere alimentatie zal ontvangen. Los van de vraag of deze door de man gestelde onderhoudskosten in de toekomst daadwerkelijk zullen worden gedaan, zal het hof deze bij de bepaling van de draagkracht niet in aanmerking nemen.

4.6.

Met zijn derde grief heeft de man zich op het standpunt gesteld dat aan zijn zijde rekening dient te worden gehouden met advocaatkosten. Het is aan de vrouw te wijten dat partijen niet middels een convenant afspraken konden maken over de partnerbijdrage. Hierdoor heeft de man noodgedwongen hoge kosten gemaakt in verband met zijn advocaat en de huidige procedure, aldus de man.

4.7.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist.

4.8.

Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van advocaatkosten heeft in een procedure aangaande partneralimentatie als uitgangspunt te gelden dat deze kosten niet een noodzakelijke last vormen die voorrang dient te krijgen op de onderhoudsverplichting, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden dienen, voor zover van belang, te zijn gelegen in de afwezigheid van financiële middelen en/of een beperkte vrije ruimte aan de zijde van de onderhoudsplichtige. Dat de advocaatkosten van de man te wijten zijn aan de vrouw, is, wat er van de juistheid van die stelling ook zij, derhalve niet van belang. Niet is gebleken dat de man voor deze kosten een lening is aangegaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te maken dat er sprake is van dergelijke omstandigheden. Enkel de indiening van een draagkrachtberekening van de zijde van de man uit de eerste aanleg, is in dat kader onvoldoende.

4.9.

Het hof verwerpt de stelling van de man dat de vrouw geen belang heeft bij het vaststellen van een bijdrage tot haar levensonderhoud nu zij een WWB-uitkering van gelijke omvang ontvangt. Een WWB-uitkering is een voorziening waarop de vrouw een beroep kan doen indien zij niet op andere wijze in haar levensonderhoud kan voorzien. Nu de onderhoudsplicht van de gewezen echtgenoot voortvloeit uit artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek dient deze in eerste instantie in de kosten van levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote te voorzien.

4.10.

Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.N. van de Beek en mr. L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. H.A. From als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.