Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
200.164.714/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht. Uitleg pensioentoezegging. Is tijdsevenredig ouderdomspensioen toegezegd op basis van laatstverdiende loon? Werknemer heeft niet deelgenomen aan collectieve pensioenregeling maar bestendig gekozen voor individuele pensioenverzekering, met premiebetaling door werkgever. Omvang pensioen is dan afhankelijk van hetgeen met het verzekerde kapitaal bij vrijval kan worden aangekocht. Pensioentoezegging moet in deze zin worden uitgelegd. Art. 2 lid 4 onder C Pensioen- en spaarfondsenwet (oud).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1060
AR 2016/2758

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.164.714/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : C/13/522808 / HA ZA 12-927

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 augustus 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. P.W. Roselle te Weert,

tegen

GETRONICS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.G. van Marwijk Kooy te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Getronics genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 16 december 2014 en herstelexploot van 23 december 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2014 en 24 september 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser en Getronics als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 september 2015 doen bepleiten, [appellant] door zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat en Getronics door mr. J.W. de Bruin, advocaat te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid zijn van weerszijden verdere producties in het geding gebracht. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Getronics heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 3 april 2013, hierna ‘het eerste tussenvonnis’, onder 2, 2.1 tot en met 2.11, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat bij de beoordeling van het hoger beroep ook enkele andere, hierna te noemen, feiten zullen worden betrokken die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] is op 1 oktober 1988 in de functie van ‘marketing manager systems’ in dienst getreden van een rechtsvoorganger van Getronics, te weten Olivetti Nederland B.V., hierna ‘Olivetti’. Hem is bij indiensttreding een pensioentoezegging gedaan, luidend: ‘Pensioenvoorziening. U kunt worden opgenomen in onze pensioenregeling. Uw eigen bijdrage in de kosten is dan 5% van de pensioengrondslag. Olivetti is bereid op jaarbasis een bedrag van maximaal f 25.000,- ter beschikking te stellen voor een door u te sluiten pensioenverzekering, waarvan de verzekeringsmaatschappij de rekening naar Olivetti (…) zal sturen.’

3.2.

Olivetti had destijds een collectieve pensioenregeling voor haar werknemers, waarbij de pensioenaanspraken van de deelnemende werknemers uit hoofde van die regeling waren verzekerd bij een derde, te weten Aegon Levensverzekering N.V. [appellant] heeft niet deelgenomen aan deze collectieve regeling. In plaats hiervan heeft hij zelf een pensioenverzekeringsovereenkomst gesloten met Winterthur Levensverzekering Maatschappij N.V., hierna ‘Winterthur’, die is ingegaan op de datum van zijn indiensttreding bij Olivetti. Olivetti heeft de uit hoofde van die individuele verzekering verschuldigde premies aan Winterthur betaald, aanvankelijk tot het hierboven genoemde bedrag van f 25.000,- per jaar en later tot een hoger jaarlijks bedrag.

3.3.

[appellant] is tot 1 juni 2000 ononderbroken in dienst geweest van rechtsvoorgangers van Getronics, laatstelijk in de functie van ‘general manager’ van Wang Global B.V., hierna ‘Wang’. In verband met de aanvaarding van deze functie is [appellant] op 19 januari 1999 een nieuwe pensioentoezegging gedaan door Wang, luidend: ‘The Executive ( [appellant] ; hof) is entitled to receive pension contributions from the Company (Wang; hof), which shall supplement the Executive’s personal contribution of 5% (five percent) of his gross annual salary, to achieve an annual total contribution of 2% (two percent) of the projected pension based on 22 (twenty two) years of employment as per the applicable ‘C-Polis’ as most recently set out in the insurance company’s offer letter re. annual amendments dated 29 March, 1999 (…). The Company shall pay its share of the total contribution directly to the insurance company or its agent as directed by the Executive.’

3.4.

De onder 3.2 genoemde pensioenverzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en Winterthur is gedurende de tijd dat eerstgenoemde in dienst is geweest bij rechtsvoorgangers van Getronics, ook gedurende het dienstverband bij Wang, in stand gebleven, met dien verstande dat het daarbij verzekerde kapitaal in de loop van de tijd is verhoogd van f 636.930,- per 1 oktober 1988 tot f 2.221.913,- per 1 januari 1999 en dat de voor de verzekering verschuldigde premies in de loop van de tijd eveneens zijn verhoogd. Nadat [appellant] de onder 3.3 aangehaalde pensioentoezegging was gedaan, heeft Wang het grootste deel van de uit hoofde van de genoemde verzekering verschuldigde premies aan Winterthur betaald, laatstelijk tot een bedrag van (het hof begrijpt:) f 120.060,- per jaar.

3.5.

Het dienstverband van [appellant] bij Wang is met ingang van 1 juni 2000 met wederzijdse instemming beëindigd. In verband daarmee heeft Wang aan [appellant] een beëindigingsvergoeding (‘severance compensation’) betaald, waarin een bedrag van f 180.090,- was begrepen ten behoeve van diens pensioenvoorziening. Een gedeelte van dit bedrag is aangewend voor de betaling van de op grond van de onder 3.2 genoemde overeenkomst verschuldigde premies voor het deel van het jaar 2000 dat [appellant] niet meer in dienst van Wang was. [appellant] kon op het bedrag van f 180.090,- aanspraak maken op grond van een beding in de arbeidsovereenkomst tussen hem en Wang, dat hem ingeval van beëindiging van het dienstverband door Wang recht gaf op een vergoeding waarvan deel uitmaakte een bedrag gelijk aan de door Wang te betalen ‘pension contributions’ zoals bepaald in de onder 3.3 aangehaalde pensioentoezegging voor de duur van 18 maanden.

3.6.

Het laatstverdiende loon van [appellant] in dienst van Wang bedroeg f 372.600,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld en exclusief een prestatieafhankelijke bonus. Van dat loon, vermeerderd met een gemiddelde bonus van f 101.887,50 per jaar, is uitgegaan bij de berekening van de [appellant] toegekende ‘severance compensation’.

3.7.

In de onder 3.2 genoemde overeenkomst is van meet af aan bepaald dat het daarbij verzekerde kapitaal zou worden uitgekeerd op 1 oktober 2010 als [appellant] op die datum in leven was. [appellant] , geboren [in] 1948, zou dan 62 jaar oud zijn. Op of omstreeks 1 oktober 2010 heeft Winterthur aan [appellant] een kapitaal van € 486.303,- uitgekeerd. [appellant] heeft dit bedrag aangewend voor de aankoop van een tijdelijk pensioen van € 31.398,- bruto per jaar gedurende het tijdvak van 1 december 2010 tot 1 september 2013 en een gelijkblijvend levenslang pensioen van € 28.075,- bruto per jaar vanaf laatstgenoemde datum. Hij is hiertoe een overeenkomst aangegaan met Delta Lloyd Levensverzekering N.V., waarbij deze zich heeft verbonden de genoemde bedragen periodiek te betalen.

3.8.

De hierboven weergegeven feiten staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vast. Tegen de achtergrond van die feiten stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij op grond van de onder 3.3 aangehaalde toezegging (het hof begrijpt:) vanaf 1 oktober 2010 jegens Getronics recht heeft op een levenslang ouderdomspensioen gebaseerd op zijn laatstverdiende loon bij Wang naar evenredigheid van de tijd die hij in dienst van rechtsvoorgangers van Getronics is geweest, te weten in totaal 11 jaar en 8 maanden. Zich beroepend op een berekening gedateerd 28 januari 2003 van [X] en [Y] B.V., hierna ‘ [X] ’, die destijds adviseur van Getronics was, stelt [appellant] dat het hem toekomende pensioen een bedrag van € 42.072,- bruto per jaar beloopt en dus op jaarbasis € 13.997,- hoger is dan het levenslange pensioen van € 28.075,- bruto per jaar dat hij heeft aangekocht met het hem door Winterthur uitgekeerde kapitaal.

3.9.

Uitgaande van bovengenoemd verschil vordert [appellant] (i) de veroordeling van Getronics tot betaling aan hem van € 19.829,14 bruto wegens pensioen dat hem gedurende het tijdvak van 1 oktober 2010 tot 1 maart 2012 is onthouden, (ii) de veroordeling van Getronics tot betaling aan hem van € 13.997,- bruto per jaar vanaf 1 maart 2012 tot aan zijn overlijden en (iii) de veroordeling van Getronics tot betaling aan de echtgenote van [appellant] van 70% van dat bedrag tot aan haar overlijden als [appellant] eerder dan zijn echtgenote zou overlijden, met nevenvorderingen, alles zoals nader omschreven aan het slot van de inleidende dagvaarding.

3.10.

Bij het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen, samengevat en voor zover van belang, [appellant] bij gebrek aan voldoende betwisting door Getronics te volgen in zijn standpunt dat hij recht heeft op een ouderdomspensioen gebaseerd op zijn laatstverdiende loon bij Wang naar evenredigheid van de duur van zijn dienstverbanden bij rechtsvoorgangers van Getronics. Bij het bestreden tussenvonnis van 5 maart 2014, hierna ‘het tweede tussenvonnis’, heeft de rechtbank overwogen, voor zover van belang, dat zij van dat oordeel wilde terugkomen. Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank, na partijen ter comparitie te hebben gehoord, dit laatste gedaan en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Tegen deze beslissing en de daartoe leidende overwegingen in het tweede tussenvonnis en het eindvonnis komt [appellant] in hoger beroep op met elf grieven.

3.11.

Met grief 1 betoogt [appellant] dat het de rechtbank niet vrijstond terug te komen van hetgeen zij bij het eerste tussenvonnis had overwogen omtrent het hem toekomende pensioen, aangezien de desbetreffende overweging op dat punt een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing inhoudt. [appellant] miskent dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de rechter, bij wijze van uitzondering op de regel, niet aan zo’n eindbeslissing gebonden is, bijvoorbeeld als hem in het vervolg van het geding is gebleken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Onder deze laatste noemer valt ook een bij heroverweging onhoudbare feitelijke lezing van de gedingstukken. Bij het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen, naar de kern genomen, dat het oordeel dat het door [appellant] gestelde recht op een tijdsevenredig pensioen gebaseerd op zijn laatstverdiende loon niet voldoende was betwist, gelet op de inhoud van de gedingstukken van Getronics mogelijk niet juist was.

3.12.

In aanmerking genomen dat Getronics in haar gedingstukken in eerste aanleg steeds heeft betwist dat [appellant] een tijdsevenredig ouderdomspensioen was toegezegd gebaseerd op zijn laatstverdiende loon, zij die betwisting genoegzaam met argumenten heeft onderbouwd en de bij het eerste tussenvonnis gevolgde feitelijke lezing van de gedingstukken van Getronics dus in zoverre onhoudbaar is, stond het de rechtbank vrij bij het tweede tussenvonnis te overwegen zoals zij heeft gedaan. Nu Getronics het door [appellant] gestelde recht in eerste aanleg voldoende heeft betwist, stond het de rechtbank voorts vrij bij het eindvonnis terug te komen van haar eerdere, op het ontbreken van een voldoende betwisting gegronde, oordeel om [appellant] te volgen in diens standpunt omtrent het hem toekomende pensioen. De grief faalt daarom. Zij faalt voorts bij gebrek aan belang, aangezien Getronics [appellant] ’ genoemde standpunt (ook) bij de memorie van antwoord voldoende heeft betwist en in hoger beroep dus niet voetstoots, met voorbijgaan aan die betwisting, van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan.

3.13.

Met de grieven 2 tot en met 11, in onderlinge samenhang, herhaalt [appellant] zijn standpunt dat hij op grond van de onder 3.3 aangehaalde toezegging vanaf 1 oktober 2010 jegens Getronics recht heeft op een levenslang ouderdomspensioen gebaseerd op zijn laatstverdiende loon bij Wang naar evenredigheid van de tijd die hij in dienst van rechtsvoorgangers van Getronics is geweest. Naar [appellant] bij de pleidooien in hoger beroep heeft verduidelijkt, strekken zijn vorderingen in dit geding tot nakoming van die pensioentoezegging, althans tot schadevergoeding tot het beloop van de ingestelde vorderingen wegens de niet-nakoming van die toezegging. Met de grieven stelt hij de grondslagen van de vorderingen en daarbij in het bijzonder zijn hiervoor genoemde standpunt, opnieuw aan de orde. De grieven lenen zich voor een gemeenschappelijke bespreking.

3.14.

Kern van de zaak is of [appellant] bij de onder 3.3 aangehaalde pensioentoezegging een tijdsevenredig ouderdomspensioen is toegezegd gebaseerd op zijn laatstverdiende loon bij Wang. Bij de beantwoording van deze vraag komt het aan op de zin die [appellant] en Wang in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de onder 3.3 aangehaalde toezegging mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij moet niet uitsluitend acht worden geslagen op de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin die toezegging is gesteld, maar op alle omstandigheden die voor de uitleg daarvan van belang zijn. Uitgaande van deze maatstaf overweegt het hof als volgt.

3.15.

Tussen partijen staat vast dat de onder 3.2 genoemde overeenkomst tussen [appellant] en Winterthur een overeenkomst is zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid onder C, Pensioen- en spaarfondsenwet, hierna ‘Psw’, welke wet van kracht was op het tijdstip van [appellant] ’ indiensttreding bij Olivetti en ook op het tijdstip van diens latere indiensttreding bij Wang. Vast staat verder dat [appellant] bij zijn indiensttreding bij Olivetti ervoor heeft gekozen om niet deel te nemen aan de bestaande collectieve pensioenregeling van Olivetti, maar in plaats daarvan de genoemde overeenkomst met Winterthur is aangegaan, met instemming van Olivetti. [appellant] heeft hieromtrent tijdens de comparitiezitting in eerste aanleg op 9 januari 2013 verklaard dat hij in 1988 kon kiezen tussen deelname aan de collectieve pensioenregeling van Olivetti of het sluiten van een individuele pensioenverzekering en dat hij voor de tweede mogelijkheid heeft gekozen, terwijl hij tijdens de comparitiezitting in eerste aanleg op 27 juni 2014 heeft verklaard dat deze keuze was ingegeven door de omstandigheid dat hij ‘al een pensioenbreuk [had]’. Ter uitvoering van de hem destijds gedane, onder 3.1 aangehaalde, pensioentoezegging heeft Olivetti een voorziening getroffen die [appellant] in staat stelde de overeenkomst met Winterthur te sluiten en na te komen, welke voorziening erin bestond dat Olivetti op jaarbasis een bepaald bedrag ter beschikking stelde voor de betaling van de krachtens die overeenkomst verschuldigde premies en dat Olivetti uit dat bedrag de premiefacturen van Winterthur voldeed, die aan haar werden gericht.

3.16.

De onder 3.3 aangehaalde pensioentoezegging van Wang aan [appellant] verwijst met zoveel woorden naar de overeenkomst tussen [appellant] en Winterthur, gaat uit van de bestendiging daarvan en bepaalt dat [appellant] , in aanvulling op een eigen bijdrage zijnerzijds van 5% van zijn bruto jaarsalaris, recht heeft op door Wang te betalen ‘pension contributions’, die Wang rechtstreeks aan Winterthur (‘the insurance company’) of aan de vertegenwoordiger daarvan diende te voldoen, dit laatste zoals door [appellant] aan te geven. De uitvoering van de pensioentoezegging van Wang was aldus op dezelfde wijze geregeld als die van de pensioentoezegging van Olivetti, namelijk door een voorziening die [appellant] in staat stelde de overeenkomst tussen hem en Winterthur na te komen. Zoals onder 3.4 beschreven, is die overeenkomst in de loop van de tijd in stand gebleven, met dien verstande dat het daarbij verzekerde kapitaal is verhoogd van f 636.930,- per 1 oktober 1988 tot f 2.221.913,- per 1 januari 1999 en dat de verschuldigde premies mettertijd eveneens zijn verhoogd. Behoudens de ermee gemoeide bedragen en de herkomst van de te betalen premies bleef de voor [appellant] getroffen pensioenvoorziening dus ongewijzigd bij diens indiensttreding bij Wang. Dit brengt mee dat voor [appellant] niet een voorziening gold of is gaan gelden gelijk aan de collectieve pensioenregeling van Olivetti en dat hij redelijkerwijs ook niet anders mocht verwachten, in aanmerking genomen dat hij ervoor had gekozen niet aan die regeling deel te nemen. Het voorgaande brengt voorts mee dat de pensioentoezegging van Wang niet ‘een breuk met het verleden’ betekende, welke mogelijkheid [appellant] bij de pleidooien in hoger beroep heeft genoemd, maar juist voortbouwde op [appellant] ’ eerdere keuze voor een individuele pensioenverzekering.

3.17.

De overeenkomst tussen [appellant] en Winterthur heeft van meet af aan een kapitaalverzekering ingehouden, waarbij Winterthur zich heeft verbonden het in de overeenkomst genoemde kapitaal uit te keren op 1 oktober 2010, als [appellant] op die datum in leven zou zijn. Nu het ging om een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid onder C, Psw, was het uit te keren kapitaal bestemd voor de aankoop van een pensioen, voor welk doel [appellant] het hem uitgekeerde kapitaal ook heeft benut. De oorspronkelijke overeenkomst bepaalde in dit verband: ‘De uitkeringen kunnen uitsluitend worden genoten in de vorm van pensioen. De grootte van het pensioen zal worden vastgesteld volgens de op het tijdstip van uitkering geldende tarieven.’ De omvang van het pensioen in geval van een kapitaalverzekering zoals hier aan de orde blijkt in de regel pas wanneer het betrokken kapitaal voor de aankoop daarvan wordt aangewend en staat dus niet op voorhand vast, bijvoorbeeld als percentage van het laatstverdiende loon. Dat [appellant] desalniettemin een tijdsevenredig ouderdomspensioen gebaseerd op zijn laatstverdiende loon bij Wang is toegezegd, zoals hij stelt, verdraagt zich niet met de wijze waarop aan de onder 3.3 aangehaalde pensioentoezegging van Wang uitvoering is gegeven en die in deze toezegging ook uitdrukkelijk is vermeld, door de verwijzing naar de bestaande overeenkomst tussen [appellant] en Winterthur en de bepaling dat Wang de [appellant] toekomende ‘pension contributions’ aan Winterhur of aan de vertegenwoordiger daarvan diende te voldoen. Wang heeft hiermee niet meer toegezegd dan dat zij aan de verschuldigde premies voor de door [appellant] gesloten individuele verzekering zou bijdragen en dit heeft zij ook gedaan. Het standpunt van [appellant] vindt in de aangehaalde toezegging dus geen steun.

3.18.

Niet in geschil is dat de collectieve pensioenregeling van Olivetti voorzag in de toekenning van pensioenen gebaseerd op het laatstverdiende loon van de deelnemende werknemers, dat [appellant] – zoals onder 3.15 beschreven – niet aan deze collectieve regeling heeft deelgenomen en dat hij in 1988 in plaats daarvan de overeenkomst met Winterthur heeft gesloten, die is ingegaan op de datum van zijn indiensttreding bij Olivetti. Door te kiezen voor het aangaan van de overeenkomst met Winterthur heeft [appellant] gekozen voor een pensioen waarvan de omvang afhankelijk was van hetgeen op of omstreeks 1 oktober 2010 met het bij die overeenkomst verzekerde kapitaal kon worden aangekocht en dus niet van zijn laatstverdiende loon. In iets anders voorzag die overeenkomst immers niet. [appellant] ’ verwijzingen naar de collectieve regeling van Olivetti leiden niet tot een ander oordeel, nu hij ervoor had gekozen daaraan niet deel te nemen. Bij zijn indiensttreding bij Wang heeft [appellant] de overeenkomst met Winterthur voortgezet en ingestemd met een pensioentoezegging die geheel en al op de bestendiging daarvan was toegesneden. Dat [appellant] en Wang nochtans een pensioentoezegging gebaseerd op het laatstverdiende loon van [appellant] voor ogen heeft gestaan, in afwijking van [appellant] ’ eerdere keuze en ofschoon de bestaande overeenkomst met Winterthur niet voorzag in de toekenning van een dergelijk pensioen, blijkt uit niets. Dat blijkt ook niet uit de omstandigheid dat de pensioentoezegging van Wang een verwijzing bevat naar ‘the projected pension based on 22 (twenty two) years of employment as per the applicable ‘C-Polis’ as most recently set out in the insurance company’s offer letter (…)’. De woorden ‘projected pension’, ook als hiermee iets anders zou zijn bedoeld dan het bij de overeenkomst met Winterthur verzekerde kapitaal, brengen gelet op de aard van die overeenkomst en de andere hiervoor genoemde omstandigheden niet mee dat [appellant] op grond daarvan redelijkerwijs mocht verwachten dat hem een pensioentoezegging gebaseerd op zijn laatstverdiende loon was gedaan, daargelaten nog dat in dat geval het gebruik van de woorden ‘fixed pension’ voor de hand zou hebben gelegen en ‘projected pension’ eerder wijst op een beoogd of nagestreefd pensioen.

3.19.

De onder 3.8 genoemde berekening van 28 januari 2003 van [X] , waarop [appellant] zich nog beroept en waarin wordt uitgegaan van een tijdsevenredig pensioen gebaseerd op zijn laatstverdiende loon, en de brief van 30 december 2002 van [X] , die daarvan eveneens uitgaat, wettigen evenmin de gevolgtrekking dat [appellant] een pensioen is toegezegd gebaseerd op zijn laatstverdiende loon bij Wang. De brieven, die zijn verstuurd meer dan twee jaar na de beëindiging van het dienstverband bij Wang en na de toekenning van de onder 3.5 genoemde ‘severance compensation’ aan [appellant] , veronderstellen dat [appellant] een pensioentoezegging zoals door hem gesteld is gedaan. Deze veronderstelling is gelet op het hierboven overwogene niet juist, nu [appellant] een individuele pensioenverzekering had gesloten en de pensioentoezegging van Wang daarop ook was toegesneden. De genoemde brieven gaan hieraan voorbij, zij geven geen nader inzicht in hetgeen [appellant] en Wang bij de pensioentoezegging van Wang voor ogen heeft gestaan en zij hebben niet de strekking die toezegging achteraf in de door [appellant] voorgestane zin te wijzigen, daargelaten nog dat uit niets blijkt dat Heijnis bevoegd was in naam van Getronics een zodanige wijziging te bewerkstelligen of dat [appellant] dit redelijkerwijs mocht aannemen. De brieven van [X] nopen dus niet tot een andere uitleg van die toezegging dan hierboven gegeven. Bij de uitleg van de pensioentoezegging van Wang is ten slotte nog van belang dat [appellant] , naar Getronics onweersproken heeft gesteld, zich bij zijn keuze voor het aangaan van de overeenkomst met Winterthur heeft doen bijstaan door een eigen pensioenadviseur, te weten [Z] te [plaats] , en dat deze adviseur ook naderhand aan zijn zijde betrokken is gebleven. Nu [appellant] zich aldus had verzekerd van deskundige bijstand, behoefde Wang niet erop bedacht te zijn dat [appellant] niet begreep dat de hem gedane pensioentoezegging voorzag in bestendiging van de overeenkomst met Winterthur en dat, als gevolg daarvan, de omvang van zijn pensioen afhankelijk was van hetgeen te zijner tijd met het bij die overeenkomst verzekerde kapitaal kon worden aangekocht en niet was gebaseerd op zijn laatstverdiende loon. Ook hierom is er geen grond om de pensioentoezegging van Wang uit te leggen in laatstbedoelde zin. Redenen om de toezegging voorshands in die zin uit te leggen behoudens door Wang te leveren tegenbewijs, zoals [appellant] heeft betoogd, ontbreken eveneens. Het voorgaande brengt mee dat de grieven 2 tot en met 11 falen.

3.20.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. [appellant] heeft geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven, zodat zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven, als niet ter zake dienend en overigens ook als te vaag, wordt gepasseerd. Weliswaar heeft het bewijsaanbod van [appellant] mede betrekking op de stelling dat Wang hem een pensioentoezegging gebaseerd op zijn laatstverdiende loon heeft gedaan, maar dit volgt niet uit de onder 3.3 aangehaalde inhoud van die toezegging en [appellant] ’ genoemde stelling is, tegenover de betwisting door Getronics, voor het overige niet voldoende onderbouwd met feiten die wel de gevolgtrekking kunnen wettigen dat hem een zodanige toezegging is gedaan. Voor bewijslevering is dan geen plaats. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Getronics begroot op € 1.920,- aan verschotten en € 3.474,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, D. Kingma en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2016.