Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3404

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
23-003503-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belaging van ex-partner en diens dochter, smaadschrift. Bewijsoverweging. Taakstraf 120 uur subs 60 dagen hechtenis waarvan 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met proeftijd 2 jaren en bijzondere voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003503-15

datum uitspraak: 23 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-712337-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1960,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2013 tot en met 5 mei 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval van een of meer ander(en), met het oogmerk die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers door,

- bij voornoemde [slachtoffer 1] (woonachtig op het adres [adres 2]) gedurende (ongeveer) één week, éénmaal of meerdere malen per dag aan te bellen en/of (vervolgens) weg te lopen en/of

- éénmaal of meermalen brief/brieven met grove, beledigende, seksuele teksten in de (brieven)bus bij voornoemde [slachtoffer 1] te doen en/of (aldaar) op de centrale toegangsdeur te hangen en/of te plaatsen en/of

- éénmaal of meermalen brief/brieven met grove, beledigende, seksuele teksten in de (brieven)bus bij voornoemde [slachtoffer 2] (woonachtig op het adres [adres 3]) en/of diens buren te doen;

EN/OF

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2013 tot en met 5 mei 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, te weten de beschuldiging/opmerking dat voornoemde [slachtoffer 2] seksuele handelingen heeft verricht met zijn dochter (voornoemde [slachtoffer 1]) en/of met verdachte zelf, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel die geschrift(en) en/of afbeelding(en) verspreid door

- één of meer brief/brieven in de (brieven)bus bij voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of diens buren van voornoemde(n) te stoppen en/of (aldaar) op de centrale toegangsdeur te hangen en/of te plaatsen, met onder andere de volgende teksten "Mij dochter heeft mij meerdere keren gepijpt verteld ik je een paar jaar geleden" en/of "En er zijn ook littekens gekomen op je kont omdat ik je heb gebeten" en/of "Moppie mijn tong was lekker in je kut was je klaar gekomen in mijn mond", althans woorden en/of teksten van die aard en/of strekking;

2:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 oktober 2013 tot en met 2 november 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers door, bij voornoemde [slachtoffer 1] (woonachtig op het adres [adres 2]) gedurende (ongeveer) anderhalve week, éénmaal of meermalen brief/brieven met grove, beledigende, seksuele teksten in de (brieven)bus bij voornoemde [slachtoffer 1] te doen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring van feit 1 en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bespreking ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn overgelegde pleitnotities aangevoerd dat de verklaring van de verdachte bij de politie niet bruikbaar is voor het bewijs nu de verdachte weerspreekt dat zij deze verklaring op deze wijze heeft afgelegd. Voorts kan ten aanzien van beide feiten (belaging) niet worden gesproken van stelselmatigheid. Ten aanzien van het onder feit 1 cumulatief/alternatief ten laste gelegde ontbreekt bewijs voor ‘openlijk tentoonstellen’ of ‘aanslaan’ nu de brieven steeds in een afgesloten brievenbus terecht zijn gekomen. Ten slotte is er geen sprake van de voor smaad vereiste ruchtbaarheid, nu een enkele mededeling aan de desbetreffende persoon niet voldoende is.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft op 29 mei 2013 bij de politie verklaard dat zij “brieven bij haar (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) in de bus heeft gedaan, [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 2]) wilde niet luisteren”. De verdachte heeft verklaard dat sommige brieven getypt zijn en dat zij er ook een foto op heeft geplakt en deze heeft gekopieerd en erbij geschreven heeft wat [slachtoffer 2] met haar had gedaan. Tevens heeft de verdachte verklaard dat het e-mailadres [e-mailadres] van haar was. Verdachte heeft later ontkend dat zij deze verklaringen heeft afgelegd. De verhorende verbalisanten zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en hebben verklaard dat de verhoren zijn gegaan zoals het op papier is gekomen en dat de verdachte niet onder druk is gezet om haar verklaring te ondertekenen. Het verhoor is niet onder dwang afgenomen en eventuele bijzonderheden zouden in aantekeningen in het proces-verbaal zijn opgenomen; indien dit niet het geval is, zijn er geen bijzonderheden geweest, aldus de verbalisanten.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de verklaring van de verdachte onder enige druk is afgelegd of niet vrijwillig is ondertekend, zodat het hof deze verklaring betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken. Dat de brieven van de verdachte afkomstig zijn, wordt tevens ondersteund door het gegeven dat aangever [slachtoffer 2] de getypte tekst in de brieven reeds eerder per e-mail van het voornoemde e-mailadres toegezonden heeft gekregen. Nu soortgelijke brieven ook bij [slachtoffer 2] en diens buren in de brievenbus terecht zijn gekomen, met dezelfde terugkerende teksten, foto’s en met overeenkomstige handgeschreven teksten gaat het hof er van uit dat deze brieven ook door de verdachte in de brievenbussen zijn gedeponeerd. De verklaring van de verdachte, die inhoudt dat [slachtoffer 2] dit zelf zou hebben gedaan, acht het hof niet aannemelijk, mede gezien de veelal aanstootgevende inhoud van die teksten met betrekking tot [slachtoffer 2].

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr is van belang wat de bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof bewezen dat de verdachte in de bewezen verklaarde periodes veelvuldig brieven en kaarten in de brievenbus van [slachtoffer 2], diens buren en diens dochter [slachtoffer 1] heeft gedaan. De brieven en kaarten bevatten grove, beledigende en seksueel getinte teksten. Naar het oordeel van het hof is, gelet op de intensiteit, de duur en de frequentie van deze handelingen sprake geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Voor het onder feit 2 ten laste gelegde overweegt het hof nog dat de stelselmatigheid hier ook voortvloeit uit het gegeven dat dit feit in het verlengde ligt van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Het verweer omtrent het ‘openlijk tentoonstellen’ of ‘aanslaan’ behoeft geen nadere bespreking, nu het hof tot een andere bewezenverklaring van feit 1 komt dan de rechtbank en dit onderdeel niet bewezen acht. Ten aanzien van de ruchtbaarheid overweegt het hof dat dit verweer weerlegd wordt door de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
zij in de periode van 27 februari 2013 tot en met 5 mei 2013 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, door

- brieven met grove, beledigende, seksuele teksten in de brievenbus bij voornoemde [slachtoffer 1] te doen;

- brieven met grove, beledigende, seksuele teksten in de brievenbus bij voornoemde [slachtoffer 2] en diens buren te doen;

en

zij in de periode van 27 februari 2013 tot en met 5 mei 2013 te Amsterdam, opzettelijk de eer en de goede naam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, te weten de beschuldiging/opmerking dat voornoemde [slachtoffer 2] seksuele handelingen heeft verricht met zijn dochter (voornoemde [slachtoffer 1]) en/of met verdachte zelf, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel die geschriften verspreid door brieven in de brievenbus bij voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de buren van voornoemde [slachtoffer 2] te stoppen, met onder andere de volgende teksten "Mij dochter heeft mij meerdere keren gepijpt verteld ik je een paar jaar geleden", "En er zijn ook littekens gekomen op je kont omdat ik je heb gebeten", "Moppie mijn tong was lekker in je kut was je klaar gekomen in mijn mond";

2:
zij in de periode van 21 oktober 2013 tot en met 2 november 2013 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die voornoemde [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, door bij voornoemde [slachtoffer 1] gedurende anderhalve week, brieven met grove, beledigende, seksuele teksten in de brievenbus te doen.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Belaging, meermalen gepleegd.

en

smaadschrift.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn een meldplicht, een behandelverplichting en een contactverbod opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis alsmede tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met een meldplicht, een behandelverplichting en een contactverbod als bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Voorts houdt het hof rekening met het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 2] en meermalen aan belaging van [slachtoffer 1]. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan smaadschrift, door geschriften met afbeeldingen te verspreiden met intieme details over het leven van de aangevers. De verdachte heeft hiermee op stuitende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en voor hen en voor buren voor overlast gezorgd. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte alleen zichzelf slachtoffer voelt in deze zaak en het laakbare van haar handelen niet inziet. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de persoon van de verdachte, zoals deze naar voren is gekomen uit zowel de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep als uit de uitkomsten van het psychologisch onderzoek in de rapportage van 10 oktober 2014 van klinisch psycholoog [deskundige].

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 juli 2016 is zij niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Gelet op hetgeen omtrent de persoon van de verdachte is gebleken en omdat de feiten inmiddels geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden en niet is gebleken dat de verdachte de aangevers sindsdien nog heeft belaagd of anderszins heeft lastig gevallen, ziet het hof aanleiding te komen tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal geëist.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf met bijzondere voorwaarden van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 700,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Met betrekking tot de gevorderde kosten voor rechtsbijstand is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand. Het hof zal de verdachte veroordelen tot vergoeding van de gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 400,00 voor de rechtsbijstand in eerste aanleg en € 302,50 voor de rechtsbijstand in hoger beroep, met een totaal van € 702,50.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 261 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest te melden bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de Wibautstraat 12 te Amsterdam en zich zo lang en zo frequent te blijven melden als de reclassering dat wenselijk en noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich verplicht laat behandelen bij de Forensische Polikliniek van Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens die instelling en/of behandelaar zullen worden gegeven.

Voornoemde verplichting behelst ook een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek in een ambulant behandeltraject, voor de termijn van maximaal zeven weken, indien de reclassering dit wenselijk acht. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die opname door of namens de instelling en/of behandelaar zullen worden gegeven.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 702,50 (zevenhonderdtwee euro en vijftig cent).

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 augustus 2016.

=========================================================================

[.]