Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3387

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
23-005561-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak in verband met belastingfraude, valsheid in geschrifte, witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-005561-12

Datum uitspraak: 5 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2012 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-845034-09 tegen de veroordeelde

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres 1].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 124.315,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2011 veroordeeld ter zake van:

  • -

    medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

  • -

    medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

  • -

    gewoontewitwassen;

  • -

    het deelnemen aan een organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 december 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 124.315,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2012 veroordeeld ter zake van:

  • -

    medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

  • -

    medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

  • -

    gewoontewitwassen.

Tegen laatstgenoemd arrest is cassatieberoep ingesteld dat op 14 april 2015 niet-ontvankelijk is verklaard. Hiermee is het arrest in de strafzaak onherroepelijk geworden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2015 en 22 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 119.315, vermeerderd met het vervolgprofijt. Hij is hierbij uitgegaan van de betalingsverplichting zoals opgelegd in eerste aanleg, maar heeft daarbij rekening gehouden met een matiging van € 5.000 wegens het tijdsverloop in de ontnemingszaak.

Standpunt verdediging

De verdediging van de veroordeelde heeft in haar conclusies en ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat:

  • -

    de veroordeelde zich niet schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor hij is veroordeeld en derhalve geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, hetgeen dient te leiden tot afwijzing van de ontnemingsvordering;

  • -

    de veroordeelde geen beschikking heeft gehad over de bankrekeningen waarop de betreffende geldbedragen zijn gestort en dus niet daadwerkelijk voordeel heeft genoten van de wederrechtelijk verkregen geldbedragen;

  • -

    voor zover de veroordeelde wel de beschikking heeft gehad over onderhavige geldbedragen, hij deze heeft geretourneerd aan (wie hij veronderstelde te zijn) de belastingplichtigen;

  • -

    de teruggave van € 6.796 is op verzoek van [naam 1] op 29 juni 2009 op diens bankrekening gestort, waardoor onbekend is waar de terugstorting van € 6.796 op de bankrekening van [naam 2] op ziet en dat uit de bankafschriften de totale opname en overdracht aan veroordeelde van dit geldbedrag niet valt te reconstrueren;

  • -

    de aanname dat de veroordeelde kon beschikken over het bedrag van € 13.628 ([naam 3]) niet is gebaseerd op enig bewijsmiddel waar de aannemelijkheid voor het daadwerkelijk genoten wederrechtelijk voordeel uit volgt;

  • -

    het niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde € 943 heeft achtergehouden in verband met een geldbedrag van € 8.943 dat zou zijn overgedragen aan [naam 4], omdat de conclusie waar toe laatstgenoemde samen met de FIOD is gekomen een onvoldoende stellige gissing betreft;

  • -

    [naam 4] toegang heeft gehad tot alle vertrekken van veroordeeldes woning, zelfs tot de slaapkamer, waar de stukken die gerelateerd worden aan [berijfsnaam] zijn aangetroffen, waardoor niet valt uit te sluiten dat [naam 4] heeft getracht op deze manier de schuld in de schoenen van de veroordeelde te schuiven, waardoor in ieder geval de aanname dat de veroordeelde de beschikking had over het bedrag van € 5.550 is weerlegd.

Oordeel van het hof

In de berekening zal het hof alleen ingaan op verweren die rechtstreeks betrekking hebben op de ontnemingsvordering en het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt, met overname van de gronden uit het vonnis, als volgt.

De vordering is gegrond op de feiten waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is veroordeeld en feiten soortgelijk aan de feiten waarvoor hij is veroordeeld. De hieronder genoemde bedragen houden allen verband met valse belastingaangiften die tot onterechte teruggaven van de Belastingdienst hebben geleid. Uit de stukken in het dossier is, voor zover van belang voor de schatting van het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel, het hiernavolgende vast te stellen (en aannemelijk geworden).

Op twee bankrekeningen op naam van de veroordeelde heeft de Belastingdienst de volgende geldbedragen overgeboekt:

Op bankrekening met nummer [rekeningnummer 2]

Datum Bedrag Betreft

-------------------------------------------------------------------------------------------------

3 juli 2007 € 13.624 Teruggaaf 2006 [naam 5]

4 juli 2007 € 12.081 Teruggaaf 2006 [naam 6]

5 augustus 2009 € 3.398 Teruggaaf 2007 [naam 5]

Op bankrekening met nummer 89.20.15.543

Datum Bedrag Betreft

-------------------------------------------------------------------------------------------------

3 juli 2007 € 13.622 Teruggaaf 2006 [naam 7]

3 juli 2007 € 13.621 Teruggaaf 2006 [naam 8]

23 april 2009 € 8.045 Teruggaaf 2007 [naam 9]

7 mei 2009 € 7.386 Teruggaaf 2008 [naam 10]

14 juli 2009 € 7.753 Teruggaaf 2007 [naam 10]

Deze geldbedragen zijn op de bankrekeningen van de veroordeelde gestort en het is aannemelijk dat hij hierover de beschikking had. Dat geldt ook voor de teruggaaf 2006 op naam van [naam 6]. De veroordeelde heeft immers gereageerd op een brief van de Belastingdienst waarin werd medegedeeld dat de veroordeelde een tweetal betalingen van € 12.081 en € 568 ten onrechte heeft ontvangen. In zijn reactie heeft de veroordeelde geschreven dat hij deze bedragen inderdaad op zijn rekening met nummer [rekeningnummer 2] heeft ontvangen en dat deze niet ten onrechte op zijn rekening zijn gestort. Gelet op de inhoud van deze brief is het eveneens aannemelijk geworden dat de veroordeelde ook een bedrag van

€ 568 heeft ontvangen.

In het dossier zijn geen concrete aanknopingspunten te vinden dat de veroordeelde deze geldbedragen aan de belastingplichtige dan wel aan iemand die zich zou hebben voorgedaan als [naam 6] heeft gegeven. Integendeel, uit analyse van de bankrekening van de veroordeelde blijkt dat het bedrag van

€ 12.081 kort na ontvangst (op dezelfde dag) is overgeboekt naar een bankrekening met nummer [rekeningnummer 1], die ook op zijn – veroordeeldes – naam staat.

Op de girorekening met nummer [rekeningnummer 3], die op naam van [berijfsnaam] staat, zijn de volgende bedragen van de Belastingdienst overgeboekt:

Datum Bedrag Betreft

-----------------------------------------------------------------------------------------------

2 oktober 2007 € 11.436 Teruggaaf 2006 [naam 11]

5 oktober 2007 € 9.727 Teruggaaf 2006 [naam 12]

5 oktober 2007 € 13.003 Teruggaaf 2006 [naam 13]

Kort na deze stortingen, te weten op 9, 10 en 11 oktober 2007, zijn van de bankrekening van [berijfsnaam] een aantal geldopnames gedaan. Uit de bankafschriften blijkt dat deze opnames zijn gedaan met een bankpas met kaartnummer [kaartnummer 1]. In totaal is een bedrag van € 5.550 opgenomen. Op de zolder van de woning van veroordeelde is de betreffende bankpas met kaartnummer [kaartnummer 1] aangetroffen. Ook zijn in veroordeeldes slaapkamer in een verborgen bergplek in de bedombouw enkele pinbonnen van een aantal van deze geldopnames aangetroffen. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof aannemelijk dat in ieder geval een bedrag van € 5.550 bij de veroordeelde terecht is gekomen.

Zoals het hof reeds in de strafzaak heeft overwogen, is het niet aannemelijk dat de betreffende documenten en voorwerpen zich buiten toedoen en wetenschap van de veroordeelde in zijn woning bevonden. De verdediging wijst naar [naam 4] als de persoon die de schuld in de schoenen van de veroordeelde heeft willen schuiven en daartoe bij uitstek de mogelijkheid had, omdat hij toegang heeft gehad tot nagenoeg alle vertrekken van de woning van de veroordeelde. Dit scenario is onaannemelijk, omdat in eerste instantie niet valt in te zien dat een dergelijk intensief gebruik van de woning door [naam 4] zich volledig aan het blikveld en de wetenschap van de veroordeelde zou hebben onttrokken. Voorts heeft [getuige] verklaard [naam 4] niet te kennen en hem nooit bij de veroordeelde in de woning te hebben gezien en bovendien zijn de (andersluidende) verklaringen van [naam 4], waarmee hij ook zichzelf heeft belast, consistent en worden zij op wezenlijke onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen. In dit verband ziet het hof evenmin aanleiding te twijfelen aan de gang van zaken in verband met de valse aangifte voor [naam 4] – zoals hieronder nader zal worden besproken.

Op de girorekening met nummer [rekeningnummer 4] die op naam van [naam 14] staat, is het volgende bedrag van de Belastingdienst overgeboekt:

Datum Bedrag Betreft

---------------------------------------------------------------------------------------------

l7 juni 2009 € 8.943 Teruggaaf 2007 [naam 4]

Na deze bijboeking zijn in de periode van 17 juni 2009 tot en met 25 juni 2009 dertien geldopnames gedaan. In totaal is van deze rekening een bedrag van € 9.600 opgenomen. Van negen geldopnames zijn pinbonnen in de woning van de veroordeelde aangetroffen en is gebleken dat de veroordeelde houder is van de bankpas van de rekening van [naam 14].

Een gedeelte van het geld dat is gestort in verband met de valse aangifte, te weten een bedrag van

€ 8.000, heeft de veroordeelde aan [naam 4] gegeven. In verband met deze valse aangifte heeft de veroordeelde naar het oordeel van het hof derhalve een wederrechtelijk voordeel genoten van € 943.

Op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 5], die op naam [naam 15] (hierna: [naam 15]) staat, zijn de volgende bedragen van de Belastingdienst overgeboekt:

Datum Bedrag Betreft

-----------------------------------------------------------------------------------------------

7 mei 2009 € 7.676 Teruggaaf 2008 [naam 16]

14 juli 2009 € 9.624 Teruggaaf 2007 [naam 17]

[naam 15] is de moeder van de veroordeelde en van haar rekening is op 7 mei 2009 – na de storting van de Belastingdienst die betrekking had op de teruggaaf van [naam 16] – in vier opnames een bedrag van in totaal € 7.700 opgenomen met een ABN-AMRO bankpas met kaartnummer [kaartnummer 2]. Ook na de storting van de teruggaaf [naam 17] is van de rekening van [naam 15] geld afgehaald. Op 15 juli 2009 is namelijk in vier opnames in totaal een bedrag van € 9.000 opgenomen, alle vier in een kort tijdsbestek (25 minuten) bij het ABN-AMRO-kantoor [adres 2] te Almere, met een bankpas met kaartnummer [kaartnummer 2]. Van laatstgenoemde opnames zijn in de woning van de veroordeelde pinbonnen aangetroffen, alsook de bankpas met kaartnummer [kaartnummer 2]. Het is naar het oordeel van het hof derhalve aannemelijk dat de veroordeelde de beschikking had over de rekening van [naam 15] en de daarop gestorte bedragen van de Belastingdienst.

Op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 6], die op naam van [naam 2] staat, is het volgende bedrag van de Belastingdienst overgeboekt:

Datum Bedrag Betreft

----------------------------------------------------------------------------------------

2 mei 2009 € 6.796 Teruggaaf 2008 [naam 18]

[naam 2] heeft verklaard dat hij dit bedrag op verzoek van de veroordeelde (zijn buurman) op zijn rekening heeft ontvangen en vervolgens heeft opgenomen om aan de veroordeelde te overhandigen. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de getuigenverklaring van [naam 2] en, gelet op de vaststelling van de Belastingdienst dat het bedrag abusievelijk op de rekening van [naam 2] is gestort, alsook de exacte overeenkomst met het bedrag dat aan [naam 18] is teruggestort, gaat het hof voorbij aan het verweer van de verdediging dat onbekend is gebleven waar deze storting op de rekening van [naam 2] op ziet.

Op de girorekening met nummer [rekeningnummer 7], die op naam van [naam 19] staat, is het volgende bedrag van de Belastingdienst overgeboekt:

Datum Bedrag Betreft

----------------------------------------------------------------------------------------

30 juni 2007 € 13.628 Teruggaaf 2006 [naam 3]

[naam 19] (vader van de veroordeelde) en zijn moeder [naam 15] wonen op hetzelfde adres. De omstandigheid dat de veroordeelde beschikking had over de rekening van zowel zijn moeder als zijn vader en het feit dat de belastingaangifte van [naam 3] op dezelfde wijze is geschied als de andere onjuiste belastingaangiften, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof het aannemelijk dat dit bedrag van € 13.628 ook aan de veroordeelde ten goede is gekomen.

Het voorgaande, tezamen met de omstandigheid dat niet is gebleken dat een ander de beschikking over voornoemde tegoeden had, brengt met zich dat het hof van oordeel is alle hiervoor besproken bedragen bij elkaar opgeteld het totaal verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde vormen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt en zulks is ook niet aangevoerd.

Uit een door de advocaat-generaal op de zitting van 25 september 2015 overgelegd overzicht rentevergoeding op inbeslaggenomen geld, blijkt dat een onder de veroordeelde inbeslaggenomen geldbedrag een vervolgprofijt heeft gegenereerd van € 790,97. Hiermee dient eveneens rekening te worden gehouden.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, geschat op een bedrag van € 125.105,97 (€ 13.624 + € 12.649 + € 3.398 + € 13.622 + € 13.621 + € 8.045 + € 7.386 + € 7.753 + €5.550 + € 943 + € 7.676 + € 9.624 + € 6.796 + € 13.628 + 790,97).

Verplichting tot betaling aan de staat

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de betalingsverplichting te matigen wegens een overschrijding van de redelijke termijn, de ouderdom van de feiten waarop de vordering ziet en om onnodige leedtoevoeging te vermijden.

Het hof ziet aanleiding om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep en acht het redelijk en billijk om de verplichting tot betaling aan de staat te matigen met een bedrag ter hoogte van € 1.500. In de overige door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden ziet het hof geen aanleiding thans tot verdere matiging over te gaan.

In de strafzaak zijn verscheidenen geldbedragen verbeurdverklaard die voor aftrek in aanmerking komen. Het betreft een totaal van € 26.635 aan verbeurd verklaarde geldbedragen. Het hof zal deze in mindering brengen op de betalingsverplichting.

Resumerend dient aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 96.970,97.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 125.105,97 (honderdvijfentwintigduizend honderdvijf euro en zevenennegentig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 96.970,97 (zesennegentigduizend negenhonderdzeventig euro en zevenennegentig cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P. Greve en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 augustus 2016.

=========================================================================

[....]