Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3336

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
200.192.116/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging afwijzing toelating schuldsanering. Niet gebleken van uitzichtloze situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.192.116/01

rekestnummer rechtbank : C/15/241306 / FT RK 16/628

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2016

in de zaak van

[X] ,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

appellant,

advocaat: mr. M. van Bommel te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [X] genoemd.

[X] is bij op 1 juni 2016 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 mei 2016, waarbij het verzoek van [X] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Op 9 juni 2016 heeft [X] een aanvullend beroepschrift met nadere producties ingediend.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 14 juni 2016. Bij die behandeling is [X] verschenen, vergezeld van zijn schuldhulpverlener, A.G. Heijne, en bijgestaan door mr. Van Bommel voornoemd, die het beroepschrift nader heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift, alsmede van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, zoals door [X] overgelegd.

[X] heeft desgevraagd verklaard over dezelfde processtukken te beschikken.

2 Beoordeling

2.1

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis het verzoek van [X] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat de rechtbank het onvoldoende aannemelijk acht dat [X] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. De omstandigheid dat hij ter nakoming van zijn betalingsverplichtingen veel moet overwerken, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat [X] zich heeft ingespannen om tot een soepelere betalingsregeling met de bank te komen.

2.2

In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.3

[X] – geboren op [..-..-....] – is alleenstaand, werkt als productiemedewerker en heeft een vast dienstverband.

2.4

De totale schuldenlast van [X] bedraagt € 97.723,78. Deze schuldenlast bestaat uit drie schulden, te weten een vordering van de belastingdienst ter zake van inkomstenbelasting 2014 voor een bedrag van € 1.430,-, een vordering van de Bank of Scotland (hierna: de bank) ter zake van een restschuld hypothecaire lening ad € 83.793,78 en een vordering van de ouders van [X] in verband met een privélening ad € 12.500,-.

2.5

[X] heeft – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte onvoldoende aannemelijk geacht dat [X] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Volgens [X] zou hij er, gezien zijn berekende afloscapaciteit van 326,- per maand, ruim 25 jaar over doen zijn schulden af te lossen (indien rekening wordt gehouden met de gehele restschuld aan de bank). [X] voert aan dat hij momenteel op het bestaansminimum leeft en dat zijn situatie, gelet op de tijd die gemoeid zal zijn met de betaling van de schulden (namelijk 25 jaar indien rekening wordt gehouden met de gehele restschuld), derhalve uitzichtloos is. Hij verwijst in dit verband naar een boek van H.H. Dethmers waarin gesteld wordt dat een schuldenaar voor toelating tot de schuldsaneringsregeling in aanmerking komt indien een schuld niet binnen acht jaar kan worden ingelost. [X] stelt, ten slotte, dat hij geen toekomstperspectief heeft en dat de continue stress over zijn situatie op de langere termijn gezondheidsklachten met zich zal brengen.

2.6

Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

2.7

In verband met dit vereiste wordt het volgende overwogen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [X] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn onder 2.4 genoemde schulden. Uit de stukken en het verhandelde in hoger beroep is gebleken dat [X] en zijn ex-partner overeenkomstig een met de bank gemaakte afspraak ieder een maandelijks bedrag van € 500,- aflossen op het restant van de hypotheekschuld en dat [X] tot op heden een bedrag van

€ 6.500,- heeft afgelost. Niet is gebleken dat de inkomsten van [X] ontoereikend zijn om de met de bank afgesproken aflossing voort te zetten. Het gegeven dat [X] de betaling van zijn schulden – in telkens terugkerende termijnbedragen – als bezwaarlijk en belastend ervaart, en dat deze betaling een voortdurend beslag legt op een deel van zijn inkomen, maakt op zichzelf nog niet dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Bovendien kan van hem worden verwacht dat hij (wellicht samen met zijn ex-partner) in overleg treedt met de bank teneinde een nieuw soepeler aflossingsregime af te spreken. De stelling van [X] dat hij voor toelating tot de schuldsaneringsregeling in aanmerking komt indien een schuld niet binnen een termijn van maximaal acht jaar kan worden ingelost, vindt geen steun in het recht en wordt derhalve verworpen.

2.8

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep komt het hof in het licht van het bovenstaande tot het oordeel dat [X] niet in de uitzichtloze financiële situatie verkeert die de wetgever in artikel 288 lid 1 sub a Fw voor ogen stond, en dat hij in staat moet worden geacht om ook in de toekomst te kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Het vonnis van de rechtbank dient dan ook te worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, G.H. Lankhorst en

D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.