Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3325

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
200.173.972/01 en 200.182.410/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:5371
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffing eerder opgelegde dwangsom; verklaring voor recht ter zake van verbeurde dwangsommen; verhoging dwangsom en uitbreiding contactverbod onder oplegging van een dwangsom.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 611 a en 611 d, geldigheid: 2016-08-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2016/71

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 augustus 2016

Zaaknummers: 200.173.972/01 en 200.182.410/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/582290 / FA RK 15‑1433

in de zaak met zaaknummer 200.173.972/01 in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. C.M. Lattmann-van der Heijde te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam;

en in de zaak met zaaknummer 200.182.410/01 in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.M. Lattmann-van der Heijde te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

In de zaak met zaaknummer 200.173.972/01 verwijst het hof naar en neemt het hof over hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 22 december 2015.

1.3.

In de zaak met zaaknummer 200.182.410/01 is de man op 17 december 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 november 2015 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), met kenmerk C13/582290 / FA RK 15-1433.

1.4.

In de zaak met zaaknummer 200.182.410/01 heeft de vrouw op 8 februari 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld tegen een gedeelte van voormelde beschikking van 4 november 2015.

1.5.

In de zaak met zaaknummer 200.182.410/01 heeft de man op 22 maart 2016 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.6.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de navolgende stukken:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 februari 2016 met bijlage, ingekomen op 15 februari 2016;

- een brief van de zijde van de Raad van 22 februari 2016 met bijlage, ingekomen op 25 februari 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 5 april 2016 met bijlage, ingekomen op 6 april 2016;

- een brief van de zijde van de man van 13 april 2016, ingekomen op 14 april 2016.

1.7.

De zaken zijn op 18 april 2016 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw N. van der Geld, vergezeld door mevrouw S.C. Benjamin, vertegenwoordigers van de Raad.

2 De verdere feiten

2.1.

De Raad heeft ambtshalve een beschermingsonderzoek verricht naar de kinderen en hieromtrent op 12 februari 2016 rapport uitgebracht. In dit rapport concludeert de Raad dat sprake is van zorgen in de ontwikkeling of het opgroeien van de kinderen, maar dat partijen op dit moment de gelegenheid wordt geboden om daar in een vrijwillig kader gepaste hulpverlening voor te volgen. De Raad heeft het onderzoek afgesloten, onder verwijzing van partijen naar de vrijwillige hulpverlening, te weten Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), en onder aanmelding van de kinderen aldaar. Voorts benadrukt de Raad dat het van het grootste belang is dat partijen meewerken aan “Kinderen Uit de Knel”. Teneinde partijen hiervoor te motiveren, zal JBRA in een drangkader worden ingezet.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

(zaaknummer 200.182.410/01)

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 4 november 2015 is, voor zover thans van belang:

- de man niet‑ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het niet langer van toepassing laten zijn van de op overtreding van het contactverbod gestelde dwangsommen;

- het verzoek van de vrouw tot uitbreiding van het contactverbod toegewezen, met dien verstande dat de man de kinderen één maal kort mag bellen in de weken waarin zij van donderdag tot en met maandagochtend bij de vrouw verblijven, en wel op zondagochtend om 10.00 uur, en dat hij zich verder van het leggen van contact met de kinderen dient te onthouden;

- het verzoek van de vrouw tot wijziging van de bij beschikking van 2 oktober 2013 vastgestelde zorgregeling toegewezen, met dien verstande dat de vrouw in de oneven weken de kinderen naar het hockeyveld thuis of het verzamelpunt van het team bij uitwedstrijden brengt, de man in de oneven weken vervolgens met de wedstrijd(en) meegaat, ook al is dat vóór 10.00 uur, en het overdrachtsmoment 10.00 uur blijft als er geen hockey is;

- op het verzoek van de vrouw bepaald dat de man, onverminderd de beschikkingen van 2 oktober 2013 en 20 mei 2015, een dwangsom verbeurt van € 500,- voor elke overtreding van het contactverbod zoals dat is bepaald bij deze beschikking met verwijzing naar overwegingen 3.3 en 3.4, met een maximum van € 25.000,-;

- op het verzoek van de vrouw voor recht verklaard dat de man wegens vijf maal overtreden van het contactverbod verbeurd is dwangsommen tot een totaal van € 900,- en dat de man gehouden is dit bedrag binnen één week na het wijzen van deze beschikking aan de vrouw te voldoen;

- aan de vrouw, op haar daartoe strekkende verzoek, vervangende toestemming verleend voor het uit laten voeren van dyslexieonderzoek bij [kind a] ;

- het verzoek van de man tot het bepalen van een deskundigenonderzoek afgewezen;

- het verzoek van de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

I. de vrouw niet‑ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in eerste aanleg, dan wel deze verzoeken af te wijzen;

II. te bepalen dat de dwangsom met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, 28 februari 2015, niet meer van toepassing is;

III. een deskundigenonderzoek te gelasten met toepassing van mediation en als deskundige te benoemen:

- de heer drs. L.J.A. Gomperts, Keizersgracht 70, 1015 CT Amsterdam, ingeschreven in het register van de Stichting Forensische Mediation (hierna: SFM) met als deskundigheid arts-psychiatrie, systeem (gezins-)therapeut, dan wel;

- mevrouw drs. O.B. Koppens, Weteringschans 261B, 1017 XJ Amsterdam, ingeschreven in het register van de SFM met als deskundigheid orthopedagoog, dan wel;

- mevrouw drs. B.M.H. Vosbergen, Gerrit van der Veenstraat 100, 1077 EL Amsterdam, ingeschreven in het register van de SFM met als deskundigheid: pedagoog,

waarbij de deskundige zich zal dienen te richten op het verbeteren van de communicatie tussen partijen, zodanig dat constructief overleg en het maken van afspraken mogelijk wordt over zaken betreffende de kinderen, dan wel zodanige deskundige te benoemen en zodanige vraagstelling vast te stellen als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt:

procedureel:

I. voorwaardelijk, dat wil zeggen, voor het geval dit hof tot een gevoegde behandeling overgaat:

- de beslissing in de tussenbeschikking van dit hof van 22 december 2015 te herzien en de man alsnog niet‑ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek met betrekking tot het niet meer opleggen van de dwangsom, dan wel op dit punt te verwijzen naar hetgeen de rechtbank heeft beslist in de bestreden beschikking van 4 november 2015;

- nadat dit hof in deze zin heeft beslist, de vrouw (partijen) in de gelegenheid te stellen de daarmee van belang zijnde proceshandelingen uit te voeren;

in principaal hoger beroep:

II. de man niet‑ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen;

III. meer specifiek ten aanzien van het verzoek van de man onder III van zijn petitum: voorwaardelijk, dat wil zeggen, indien het hof tot een dergelijk onderzoek beslist, te bepalen (waar nodig te beschouwen als een verzoek in incidenteel hoger beroep):

- dat er eerst een onderzoek naar de psychiatrische gesteldheid van de man wordt gestart, uit te voeren door een in het narcisme of daaraan gelieerde stoornissen gespecialiseerde psychiater;

- alsmede, als onderdeel van de vraagstelling aan de psychiater, duidelijkheid te laten verschaffen over de vraag of er aan de zijde van de man sprake is van een narcistische dan wel daaraan gelieerde stoornis en zo ja, wat de deskundige adviseert ten aanzien van de gevolgen daarvan met betrekking tot het voorliggende verzoek van de man; en, zo nee, of de man – in de context van de realiteit van de echtscheiding en de gescheiden levens van partijen en in samenhang bezien met het voorliggende verzoek van de man – in staat is tot constructief overleg, of hij kan communiceren op basis van gelijkwaardigheid, of hij inzicht heeft in en weet te handelen naar de wensen en behoeftes van een ander en of hij zich weet te houden aan gemaakte afspraken;

- alsmede, dat aan de hand van de uitkomst van dat onderzoek wordt bepaald of – en zo ja, op welke wijze – het door de man verzochte onderzoek zal plaatsvinden;

in incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, met vernietiging van de bestreden beschikking van 4 november 2015 in zoverre:

IV. te bepalen dat de man gehouden is de aan de zijde van de vrouw gevallen werkelijke proceskosten ad € 12.124,- binnen één week na deze beschikking te voldoen, bij gebreke waarvan de man geacht wordt in verzuim te verkeren en jegens de vrouw de wettelijke rente verschuldigd is tot de dag van algehele voldoening;

V. in aanvulling op de gegeven vervangende toestemming ten aanzien van het dyslexieonderzoek, de vrouw tevens vervangende toestemming te verlenen voor het laten uitvoeren van het hoogbegaafdheidsonderzoek;

in principaal en incidenteel hoger beroep:

VI. te bepalen dat de man gehouden is de aan de zijde van de vrouw gevallen werkelijke proceskosten in deze (incidenteel) appelprocedure ad € 6.536,- binnen één week na deze beschikking te voldoen, bij gebreke waarvan de man geacht wordt in verzuim te verkeren en jegens de vrouw de wettelijke rente verschuldigd is tot de dag van algehele voldoening.

3.4.

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de vrouw niet‑ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen.

3.5.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep van 18 april 2016 zijn advies, zoals opgenomen in het rapport van 12 februari 2016, gehandhaafd en verklaard dat er een melding is gedaan bij JBRA van het dringende advies aan partijen om onder begeleiding van de gezinsmanager te starten met het traject “Kinderen Uit de Knel”. Voorts heeft de Raad verklaard dat onder begeleiding van de gezinsmanager kan worden gekozen voor een ander hulpverleningstraject en dat de gezinsmanager, indien er in de toekomst zorgen omtrent de kinderen blijken te zijn, de Raad kan verzoeken opnieuw onderzoek te verrichten.

4. Verdere beoordeling van het hoger beroep (200.173.972/01) en beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep (200.182.410/ 01)

Ontvankelijkheid

4.1.

Het hof ziet aanleiding om allereerst het procedurele verzoek van de vrouw te behandelen, nu dit het meest verstrekkend is. De vrouw betoogt – kort gezegd – dat het hof in zijn tussenbeschikking van 22 december 2015 de man ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in zijn verzoek om de bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde dwangsom met ingang van 28 februari 2015 op te heffen. De vrouw verzoekt het hof thans om van deze beslissing terug te komen, omdat deze volgens haar berust op een onjuiste juridische grondslag. De man heeft ter zitting in hoger beroep betwist dat deze beslissing berust op een onjuiste juridische grondslag. Voorts betoogt de man in zijn eerste grief tegen de bestreden beschikking van 4 november 2015 dat de rechtbank hem ten onrechte niet‑ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot het niet langer van toepassing laten zijn van de dwangsommen. Gelet op hun onderlinge samenhang zal het hof voormeld verzoek van de vrouw en voormelde grief van de man gezamenlijk bespreken.

4.2.

Het hof stelt voorop dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Anders dan de vrouw betoogt, ziet het hof geen reden tot heroverweging van zijn beschikking van 22 december 2015, voor zover de man daarbij ontvankelijk is geacht in zijn hoger beroep tegen de beschikking van 20 mei 2015, nu deze beslissing niet berust op een onjuiste juridische dan wel feitelijke grondslag. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Niet in geschil is dat het verzoek van de man in zijn hoger beroep tegen de beschikking van 20 mei 2015, strekkende tot het voor recht verklaren dat hij met ingang van 28 februari 2015 geen dwangsommen verbeurt aan de vrouw, te begrijpen is als een verzoek om te bepalen dat de bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde dwangsom niet meer wordt opgelegd dan wel wordt opgeheven. Bij de bestreden beschikking van 20 mei 2015 heeft de rechtbank beslist op het verzoek van de vrouw om de bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde dwangsom te verhogen. Zoals het hof heeft overwogen in zijn beschikking van 22 december 2015, is door die beslissing omtrent enig deel van het verzochte een einde gemaakt aan de rechtsstrijd tussen partijen en kon de man van die (deel)beslissing hoger beroep instellen. Gelet hierop was de man ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen voormelde (deel)beslissing in de beschikking van de rechtbank van 20 mei 2015.

Bij de bestreden beschikking van 4 november 2015 heeft de rechtbank de man niet‑ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van de opgelegde dwangsom. Anders dan waarvan de vrouw uitgaat, heeft derhalve de rechter die de dwangsom heeft opgelegd – te weten de rechtbank Amsterdam – tevens beslist op het verzoek tot opheffing van die dwangsom. Tegen die beslissing stond hoger beroep open, zodat de man die beslissing door de appelrechter kon laten toetsen.

Het hof overweegt voorts dat, anders dan de vrouw stelt, niet alleen in een dagvaardingsprocedure, maar ook in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige een dwangsom aan de uitspraak kan worden verbonden en de opgelegde dwangsom weer kan worden opgeheven. De in artikel 611a en 611d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gehanteerde terminologie “op vordering van” staat hieraan niet in de weg, doch strekt ertoe te verduidelijken dat een dwangsom in beginsel niet ambtshalve door de rechter kan worden opgelegd respectievelijk opgeheven.

De vrouw stelt met juistheid dat de man geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen die openstonden tegen de beslissing waarbij de dwangsom is opgelegd en dat artikel 611d Rv niet een extra mogelijkheid biedt om de juistheid van de hoofdveroordeling te laten beoordelen. Naar het oordeel van het hof wordt door de man echter niet in de onderhavige procedure verzocht om alsnog de juistheid van de hoofdveroordeling te beoordelen, nu de man geen wijziging verzoekt van de zorgregeling of het contactverbod, zoals bepaald in de beschikking van 2 oktober 2013.

De rechtbank heeft de man derhalve ten onrechte niet‑ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te bepalen dat de dwangsom met ingang van 28 februari 2015 niet langer van toepassing is.

4.3.

Vervolgens ligt aan het hof ter beoordeling voor of grond bestaat voor het niet langer van toepassing zijn dan wel het opheffen van de dwangsom, zoals door de man verzocht.

De man stelt (in zijn tweede grief) dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen reden is voor opheffing van de opgelegde dwangsom en dat haar eerdere beslissingen versterkt moeten blijven met een dwangsom. Volgens de man is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan zijn stelling dat dwangsommen niet in het belang van de kinderen zijn en dat de communicatie tussen partijen hierdoor alleen maar verslechtert. De vrouw heeft deze stellingen betwist. Zij stelt voorts dat de man van een onjuist criterium uitgaat.

Het hof stelt voorop dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de man de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast draagt van zijn stelling dat het handhaven van deze dwangsommen inmiddels het daarmee beoogde doel voorbijschiet en niet in het belang van de kinderen is. De man beroept zich immers op het rechtsgevolg ervan, te weten opheffing van voormelde dwangsom. Op grond van het bepaalde in artikel 611d lid 1 Rv kan de dwangsom worden opgeheven in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Volgens vaste jurisprudentie is van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen sprake, indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel – dat wil zeggen: als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren – zijn zin verliest. Dit laatste moet worden aangenomen in een geval waarin niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan, indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht (vgl. HR 20 februari 2015; ECLI:NL:HR:2015:396).

Het contactverbod, zoals opgelegd bij beschikking van 2 oktober 2013, houdt in dat de man een dwangsom verbeurt van € 100,- voor iedere keer dat hij gedurende de zorgtijd van de vrouw verschijnt bij activiteiten van de kinderen, met verwijzing naar overweging 5.2.5 van die beschikking, tenzij de vrouw vooraf uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de aanwezigheid van de man. Bij de bestreden beschikking van 20 mei 2015 heeft de rechtbank overwogen dat de man alleen bij zeer bijzondere activiteiten (in de zorgtijd van de vrouw) aanwezig kan zijn, waarbij hij dit vooraf aan de vrouw kenbaar dient te maken en zich nadrukkelijk op afstand dient te houden. Bij die beschikking is voorts de dwangsom die aan voormeld contactverbod was verbonden, verhoogd met ingang van 20 mei 2015. Zoals de rechtbank in de bestreden beschikking van 4 november 2015 heeft verduidelijkt, liep het bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde contactverbod onder dwangsom door met verhoogde dwangsom vanaf 20 mei 2015.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat voormeld contactverbod, in ieder geval op 22 april 2015 en na de bestreden beschikking van 20 mei 2015 door de man is geschonden. Ter zitting in hoger beroep van 18 april 2016 heeft de man verklaard dat hij de hockey-(uit)wedstrijden van (één van) de kinderen bezoekt in de zorgtijd van de vrouw. Vast staat voorts dat de hockeywedstrijden niet begrepen zijn onder de zeer bijzondere activiteiten als hiervoor bedoeld. Ook ter zitting in eerste aanleg van 4 september 2015 heeft de man, blijkens het hiervan opgemaakte proces‑verbaal, verklaard dat hij in de zorgtijd van de vrouw aanwezig is geweest. Vast staat daarmee, ook door de erkenning daarvan door de man, dat hij het contactverbod heeft overtreden.

Voor zover de man stelt dat hij, in verband met een onderlinge afspraak tussen partijen, toestemming van de vrouw had om in haar zorgtijd aanwezig te zijn bij de hockey-(uit)wedstrijden van één van de kinderen, niet zijnde de wedstrijd waarbij de vrouw aanwezig is, gaat het hof aan die stelling voorbij. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat partijen in onderling overleg een van voormelde beschikking afwijkende regeling zijn overeengekomen.

Voor zover de man met zijn stelling dat de dwangsom zijn doel voorbij schiet, betoogt dat hij in de onmogelijkheid verkeert om aan het contactverbod te voldoen, heeft de man die stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende onderbouwd en niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. De man heeft met de door hem in dit verband genoemde voorbeelden niet aangetoond dat hij redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan het contactverbod te voldoen. De man heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd waarom het onredelijk zou zijn van hem te vergen niet als vrijwilliger bij activiteiten van de kinderen in de zorgtijd van de vrouw aanwezig te zijn. Voor zover de man stelt dat hij tijdens die activiteiten niet altijd daadwerkelijk contact heeft met de kinderen, laat dit het voorgaande onverlet, temeer nu de kinderen immers bij die activiteiten aanwezig zijn. Voor het oordeel dat het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid van de man te vergen dan hij heeft betracht, ziet het hof dan ook geen grond.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de dwangsommen op te heffen.

4.4.

Partijen zijn voorts verdeeld over de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht ter zake van verbeurde dwangsommen, de verhoging van de bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde dwangsom, de uitbreiding van het contactverbod, het verbinden van een dwangsom aan die uitbreiding, een deskundigenonderzoek en de proceskosten.

4.5.

De man betoogt (in zijn derde grief) dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, voor recht heeft verklaard dat hij dwangsommen van in totaal € 900,- heeft verbeurd. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank de situaties die zich op 7 september 2014, 21 september 2014, 4 oktober 2014, 22 april 2015 en 26 augustus 2015 hebben voorgedaan, ten onrechte als een overtreding van het contactverbod heeft aangemerkt.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat die dwangsommen terecht zijn verbeurd, aangezien de man zijn aanwezigheid bij voormelde situaties erkent, terwijl zij op dat moment de zorg had voor de kinderen. De vrouw stelt voorts dat niet is gebleken dat zij de man vooraf toestemming heeft gegeven om aanwezig te zijn.

4.6.

Het hof stelt voorop dat thans niet (meer) in geschil is dat de rechtbank een verklaring voor recht kon uitspreken. Ten aanzien van de hiervoor vermelde situaties heeft de man erkend dat hij aanwezig was en dat de vrouw op dat moment de zorg voor de kinderen had. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, heeft de man onvoldoende onderbouwd dat die situaties geen overtreding van het contactverbod betroffen. De man heeft niet aangetoond dat hij vooraf uitdrukkelijk toestemming van de vrouw had gekregen om aanwezig te zijn in haar zorgtijd. Voor zover de man stelt dat het hierbij gaat om zeer bijzondere activiteiten van de kinderen als bedoeld in de bestreden beschikking van 20 mei 2015, die niet onder de werking van het contactverbod vallen, volgt het hof de man niet in die stelling, nu vaststaat dat hockeywedstrijden niet zijn begrepen onder zeer bijzondere activiteiten, nog daargelaten dat ook in die gevallen de voorafgaande toestemming van de vrouw voor de aanwezigheid van de man in haar zorgtijd vereist is. De vraag of de desbetreffende situatie wel of niet spanning en frustratie bij de vrouw heeft opgeroepen, zoals de man kennelijk bedoelt te betogen, is naar het oordeel van het hof in dit verband niet relevant.

De rechtbank heeft derhalve terecht voor recht verklaard dat de man dwangsommen heeft verbeurd ten bedrage van in totaal € 900,- (viermaal € 100,- en eenmaal € 500,-).

4.7.

De man handhaaft zijn grief (in het tegen de bestreden beschikking van 20 mei 2015 ingestelde hoger beroep) dat de rechtbank ten onrechte de bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde dwangsom heeft verhoogd naar € 500,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-.

De vrouw handhaaft haar verweer dat de man het contactverbod stelselmatig overtreedt en dat de daaraan verbonden dwangsom van € 100,- per overtreding te laag was om de man te weerhouden van overtreding van het contactverbod. Voorts woog die dwangsom niet op tegen de kosten van een procedure tot executie van de verbeurde dwangsommen, aldus de vrouw.

4.8.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.6 is overwogen, staat vast dat de man herhaaldelijk het bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde contactverbod heeft overtreden. Gelet hierop volgt het hof de vrouw in haar stelling dat een dwangsom van € 100,- per keer dat de man gedurende haar zorgtijd bij activiteiten van de kinderen verschijnt, onvoldoende is gebleken om de man te weerhouden van overtreding van het contactverbod. De man heeft hiertegenover onvoldoende gesteld. Nu de man het contactverbod stelselmatig overtreedt, acht het hof een verhoging van de – bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde – dwangsom naar € 500,- voor elke overtreding van het contactverbod, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,-, noodzakelijk en redelijk. De bestreden beschikking van 20 mei 2015 dient derhalve in zoverre te worden bekrachtigd.

4.9.

De man betoogt (eveneens in zijn tweede grief) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij, onverminderd de beschikkingen van 2 oktober 2013 en 20 mei 2015, een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke overtreding van het contactverbod, zoals bepaald in de bestreden beschikking van 4 november 2015 (overwegingen 3.3 en 3.4), met een maximum van € 25.000,-. De man stelt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte het tussentijds contact opnemen met de kinderen gedurende de zorgtijd van de vrouw – afgezien van het belmoment op zondagochtend – onder de werking van voormelde dwangsom heeft gebracht. In zijn vijfde grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte het contactverbod in die zin heeft uitgebreid.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat de rechtbank terecht het contactverbod in voormelde zin heeft uitgebreid, omdat de man zonder begrenzing in haar leven blijft interveniëren.

4.10.

Het hof stelt voorop dat de man geen verzoek heeft gedaan om een andere zorgregeling ten aanzien van de hockeywedstrijden van de kinderen te bepalen dan die welke is bepaald bij de bestreden beschikking van 4 november 2015, overeenkomstig overweging 3.4 van die beschikking. Met betrekking tot de uitbreiding van het contactverbod en de daaraan verbonden dwangsom, overweegt het hof als volgt.

De uitbreiding van het contactverbod, zoals bepaald bij de bestreden beschikking van 4 november 2015, houdt in dat de man gedurende de zorgtijd van de vrouw, uitgezonderd het éénmaal kort bellen met de kinderen op zondagochtend om 10.00 uur, zich van het leggen van contact met de kinderen dient te onthouden, op straffe van de reeds op het (bestaande) contactverbod gestelde dwangsom van € 500,- voor elke overtreding tot een maximum van € 25.000,-. De rechtbank heeft hierbij voorts overwogen dat de kinderen, wanneer zij bij de vrouw verblijven, de man op eigen initiatief altijd mogen bellen.

Gelet op de structurele overtredingen door de man van het bestaande, bij beschikking van 2 oktober 2013 opgelegde contactverbod, alsmede gezien de (recente) gedragingen van de man, waaronder het verschijnen bij de hockey-(uit)wedstrijden in de zorgtijd van de vrouw, heeft het hof niet de verwachting dat de belregeling door de man zal worden nageleefd, indien daaraan geen dwangsom is verbonden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking de reactie van de man op het raadsrapport, alsmede de uitlatingen van de man ter zitting in hoger beroep en jegens de raadsonderzoeker, waaronder zijn uitlatingen dat hij nog alles samen met de vrouw wil doen waar het de kinderen betreft en dat hij gewoon naar alle sportwedstrijden van de kinderen moet kunnen gaan. De man heeft zijn stelling dat de kinderen niet vrij zijn om hem te bellen wanneer zij bij de vrouw verblijven alsmede dat de vrouw geen medewerking verleent aan de belafspraak, onvoldoende onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw. Evenmin heeft de man aannemelijk gemaakt dat voormelde uitbreiding van het contactverbod niet werkbaar is. Zijn stelling dat de vrouw de kinderen wel in zijn zorgtijd mag bellen, maakt het voorgaande niet anders.

Voor zover de man stelt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot uitbreiding van het contactverbod ten onrechte heeft toegewezen, waar dat het langskomen bij de woning van de vrouw in haar zorgtijd betreft, mist die stelling feitelijke grondslag. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw in zoverre afgewezen en de vrouw is hiervan niet in hoger beroep gekomen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank het contactverbod terecht heeft uitgebreid, zoals hiervoor weergegeven. Voorts heeft de rechtbank op goede gronden een dwangsom verbonden aan het contactverbod, zoals bepaald bij de bestreden beschikking van 4 november 2015 met verwijzing naar overwegingen 3.3 en 3.4. Ook in hoger beroep is gebleken dat de man zich notoir niet houdt aan het contactverbod en dit stelselmatig blijft overtreden. Voor zover de man (met zijn tweede grief) tevens opkomt tegen de hoogte van de dwangsom, overweegt het hof dat de man zijn bezwaren hiertegen niet, althans onvoldoende heeft geconcretiseerd.

4.11.

De man betoogt (in zijn vierde grief) dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek heeft afgewezen en aldus de belangen van de kinderen heeft miskend. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn verzoek gehandhaafd voor het geval de vrouw geen medewerking verleent aan het door de Raad geadviseerde hulpverleningstraject “Kinderen Uit De Knel”.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat de rechtbank hiervoor terecht geen grond aanwezig heeft geacht. De vrouw stelt dat de communicatie tussen partijen met betrekking tot de kinderen voldoende verloopt en dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de onderlinge communicatie voor het overige vanzelf zal verbeteren als de man zich aan het contactverbod zal gaan houden. Indien het hof een deskundigenonderzoek gelast, dient eerst een onderzoek naar de psychische gesteldheid van de man, uit te voeren door een in narcisme of daaraan gelieerde stoornis gespecialiseerde psychiater, plaats te vinden, aldus de vrouw.

4.12.

In zijn tussenbeschikking van 22 december 2015 heeft het hof, op grond van hetgeen uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep was gebleken, onvoldoende aanknopingspunten gezien om een deskundigenonderzoek te gelasten. Het hof heeft in die beschikking overwogen dat het partijen vrij staat om zelf hulpverlening ten behoeve van hun onderlinge communicatie te starten. Het hof ziet thans evenmin aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten, zoals door de man is verzocht. Het hof is, met de rechtbank in de bestreden beschikking van 4 november 2015, van oordeel dat alle beslissingen omtrent de geschilpunten van partijen zonder dit onderzoek genomen kunnen worden en dat eventueel onderzoek, zorg en begeleiding aangaande de communicatie tussen partijen in een vrijwillig kader dienen plaats te vinden. Partijen kunnen in dit kader zelf stappen ondernemen richting (de zogenoemde echtscheidingsmodule van) JBRA, zoals door de Raad is geadviseerd. Voorts is gebleken dat het partijen, ondanks hun moeizame onderlinge communicatie, lukt om de co-ouderschapsregeling uit te voeren en dat die zorgregeling voor wat betreft de verdeling van de zorgtijden tussen partijen op zichzelf goed verloopt. Het hof acht het voorts van belang dat het op dit moment goed gaat met de kinderen, zowel thuis als op school. Het hof is met de Raad van oordeel dat thans rust en duidelijkheid voor de kinderen geboden is. Het is dan ook in het belang van de kinderen dat er een zeer duidelijke zorgregeling is en dat er een duidelijke sanctie staat op het niet naleven van die zorgregeling. Het hof merkt op dat, indien de man zich zal houden aan de contactregeling en de contactverboden, er mogelijk op termijn ruimte bij de vrouw zal kunnen ontstaan voor een soepelere omgang met de zorgregeling.

4.13.

Nu de vrouw ter zitting in hoger beroep van 18 april 2016 heeft verklaard haar verzoek in incidenteel hoger beroep (onder V), met betrekking tot het verlenen van vervangende toestemming voor het laten uitvoeren van een hoogbegaafdheidsonderzoek bij [kind a] , niet langer te handhaven, behoeft dit punt geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor haar tweede grief in incidenteel hoger beroep, inhoudende dat de strekking van de door de rechtbank verleende vervangende toestemming dient te worden uitgebreid met een onderzoek naar hoofdbegaafdheid.

De zesde grief van de man, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend voor een dyslexie-onderzoek bij [kind a] , behoeft evenmin verdere bespreking. De man heeft hierbij geen belang meer, nu ter zitting in hoger beroep van 18 april 2016 gebleken is dat dat onderzoek inmiddels heeft plaatsgevonden.

4.14.

De vrouw betoogt in haar eerste grief in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank haar verzoek om de man te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke proceskosten ten onrechte heeft afgewezen. De vrouw verzoekt daarnaast de man te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke proceskosten van de onderhavige appelprocedures. De vrouw stelt in dit verband – kort gezegd – dat de man nodeloos procedeert. Voorts lijdt zij zwaar onder de jarenlang door de man geïnitieerde procedures, aldus de vrouw.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt dat de proceskosten terecht zijn gecompenseerd en dat de door hem geëntameerde procedures niet lichtvaardig of kwaadwillig zijn gevoerd. De man stelt voorts dat hij slechts twee verzoeken aan de rechtbank heeft voorgelegd, terwijl de vrouw in eerste aanleg vier zelfstandige verzoeken heeft gedaan. Bovendien zijn de door de vrouw opgevoerde kosten buitenproportioneel en is een enkele specificatie onvoldoende om te bewijzen dat zij die kosten heeft gemaakt, aldus de man.

4.15.

Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, acht het hof de stelling van de vrouw dat de man misbruik zou hebben gemaakt van procesrecht onvoldoende onderbouwd. Ook overigens ziet het hof, mede gelet op de aard van de procedure, onvoldoende aanleiding af te wijken van de gebruikelijke compensatie van kosten tussen de partijen, nu beide partijen in deze procedure in eerste aanleg en hoger beroep over en weer verzoeken hebben gedaan. Iedere partij dient derhalve de eigen kosten te dragen.

6 Beslissing

Het hof:

in zaaknummer 200.173.972/01:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van 20 mei 2015, voor zover daarbij is bepaald dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,- voor elke overtreding van hetgeen is bepaald bij beschikking van 2 oktober 2013 onder het vierde liggende streepje met een maximum van € 25.000,-;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in zaaknummer 200.182.410/01:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 4 november 2015, voor zover daarbij de man niet‑ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot het niet langer van toepassing laten zijn van de op overtreding van het contactverbod gestelde dwangsommen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van de man, te bepalen dat de dwangsommen met ingang van 28 februari 2015 niet langer van toepassing zijn, af;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van 4 november 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.A.M. Graafland‑Verhaegen, mr. C.E. Buitendijk en mr. I.M. Dölle in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.