Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3320

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
200.186.614/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging bekrachtigd ten aanzien van echtpaar. Beiden onvoldoende informatie verschaft aan de bewindvoerder. Gebrekkige taalbeheersing brengt niet mee dat dit niet kan worden toegerekend. Zo nodig dient immers hulp worden ingeschakeld.

De vrouw heeft toerekenbaar niet voldaan aan de sollicitatieplicht. Medische beperkingen zijn wel gesteld maar niet gebleken en het had op de weg gelegen deze gestelde beperkingen al eerder aan te kaarten zodat er een keuringsarts ingeschakeld had kunnen worden. De taalachterstand maakt niet dat de tekortkoming niet kan worden toegerekend. Solliciteren is niet geheel onmogelijk, er had op een aangepast niveau gesolliciteerd kunnen worden en betrokkene had hulp kunnen vragen. Ten slotte is ook de zorg voor de echtgenoot en zes kinderen geen reden om niet te solliciteren. Gebleken is dat de man niet afhankelijk is van de zorg van de vrouw. Van hen had mogen worden verwacht dat zij de zorg zo verdeelden dat de vrouw in staat werd gesteld aan de inspanningsverplichting te voldoen.

Na verhoor rechter-commissaris geen verbetering. Ook nu geen gedragsverandering. Daarom niet nog een kans.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.614/01

insolventienummer rechtbank : C/13/14/34-R en C/13/14/35-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 april 2016

in de zaak van

1 [Y] , en

2. [X],

beiden wonende te Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. S. Ettalhaoui te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [Y] c.s. genoemd en afzonderlijk aangeduid met [Y] onderscheidenlijk [X] .

[Y] c.s. zijn bij op 1 maart 2016 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2016, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [Y] c.s. tussentijds heeft beëindigd.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 29 maart 2016. Bij die behandeling zijn [Y] c.s. verschenen, bijgestaan door mr. Ettalhaoui voornoemd, die het verzoekschrift mondeling nader heeft toegelicht. Voorts is de bewindvoerder, A.G. Heijne, verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en het verslag van de bewindvoerder van 21 maart 2016, met bijlagen. [Y] c.s. hebben te kennen gegeven eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[Y] c.s. hebben in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hen alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien. [Y] c.s. hebben gesteld dat eventuele tekortkomingen hen niet toe te rekenen vallen en dat de omstandigheden nu zo gewijzigd zijn dat zij zich wel aan de verplichtingen uit de schuldsanering kunnen houden. Daartoe hebben [Y] c.s. – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [Y] c.s. hebben de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling niet goed begrepen. Zo dachten zij dat de bewindvoerder was aangesteld om hen te helpen. Gedurende de looptijd heeft [X] bovendien (nog) twee kinderen gekregen. De bevallingen en het herstel daarvan verliepen niet zonder complicaties en [X] is nu door de huisarts naar het ziekenhuis verwezen in verband met aanhoudende migraineklachten. Daarnaast heeft [X] die de Nederlandse taal gebrekkig beheerst, de zorg voor haar man en zes kinderen. Hierdoor heeft zij niet aan de informatie- en sollicitatieverplichting kunnen voldoen.

Volgens [Y] c.s. zijn de omstandigheden thans veranderd. Zij hebben recent een verzoek ingediend tot onderbewindstelling en verwachten dat de beoogde beschermingsbewindvoerder hen kan helpen met de financiële zaken, waaronder de aflossing van de boedelachterstand. Voorts heeft [Y] meer inzicht gekregen in zijn (psychische) problemen en is hij door de huisarts naar een psychiater verwezen. [Y] c.s. verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden zodat zij een diagnose van de psychiater kunnen overleggen. [X] is bovendien bereid zich in te schrijven voor een inburgeringscursus opdat zij haar kennis van de Nederlandse taal kan verbeteren en gedurende een eventuele verlenging van de looptijd beter in staat zal zijn aan de informatie- en sollicitatieverplichting te voldoen.

2.2

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. [Y] c.s. zijn door haar voortdurend op de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling gewezen. Daarnaast heeft ten overstaan van de rechter-commissaris een verhoor plaatsgevonden waarbij zij nogmaals op de verplichtingen zijn gewezen. Dit alles heeft niet geleid tot het inzicht en besef dat de verplichtingen nagekomen moesten worden. Ook thans ontbreekt nog veel informatie waardoor de bewindvoerder de exacte boedelachterstand niet kan berekenen. [X] voldoet niet aan de op haar van toepassing zijnde sollicitatieverplichting. De bewindvoerder heeft er geen vertrouwen in dat [Y] c.s. zich in de toekomst wel zullen (willen) houden aan de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Faillissementswet (Fw) – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieplicht niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.4

Het hof is van oordeel dat [Y] c.s. ernstig zijn tekortgeschoten in de verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan zij weten of behoren te begrijpen dat die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Deze verplichting brengt mee dat [Y] c.s. zoveel mogelijk de aanwijzingen van de bewindvoerder dienen te volgen en de informatie verstrekken waar de bewindvoerder om vraagt. Gebleken is dat zij geen althans onvoldoende informatie hebben verstrekt met betrekking tot de vergoedingen van Sport Vereniging [W] aan [Y] , het gebruik van een auto, en het vliegticket inzake de reis naar Marokko. Door het niet verstrekken van deze inlichtingen hebben [Y] c.s. geen dan wel onvoldoende transparantie betracht jegens de bewindvoerder. Deze tekortkoming vormt een voldoende aanwijzing dat bij [Y] c.s. de van hun te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Voor zover deze tekortkoming het gevolg is van een gebrekkige taalbeheersing – ter zitting is daarvan overigens onvoldoende gebleken – brengt die omstandigheid niet mee dat [Y] c.s. geen verwijt kan worden gemaakt van het niet naar behoren nakomen van de informatieverplichting. [Y] c.s. dragen immers zelf de verantwoordelijkheid voor het welslagen van de op hun van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling en dienen daarbij zo nodig hulp van derden in te roepen. Dit laatste is niet (tijdig) geschied en uit hetgeen [Y] c.s. naar voren hebben gebracht volgt niet dat zij de bewindvoerder of de rechter-commissaris niet eerder hadden kunnen informeren.

2.5

Ingevolge artikel 288, eerste lid, onder c, Fw rust op [X] de verplichting om zich in te spannen zo veel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarom dient [X] - zoals herhaaldelijk aan haar is medegedeeld - ten minste gemiddeld viermaal per maand aantoonbaar te solliciteren naar betaald werk. Vast is komen te staan dat [X] niet heeft gesolliciteerd. [X] heeft ter zitting in hoger beroep betoogd dat zij vanwege medische redenen niet in staat is betaalde arbeid te verrichten. Zij stelt in dit kader dat zij twee moeilijke bevallingen heeft gehad en thans lijdt aan migraine. Dit betoog faalt. Niet is gebleken dat [X] door een keuringsarts als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is bevonden. Indien [X] zodanige medische beperkingen ondervindt dat zij niet kan deelnemen aan het arbeidsproces – daarvan is het hof overigens noch uit de stukken noch uit de verklaring van [X] ter zitting in hoger beroep gebleken – dan had het op haar weg gelegen dit aan te kaarten bij de bewindvoerder opdat deze via de rechter-commissaris een medische keuring kon aanvragen teneinde de arbeidsgeschiktheid van [X] te doen vaststellen. Nu [X] dit heeft nagelaten, moet het ervoor worden gehouden dat de inspanningsverplichting op [X] onverkort van toepassing is gebleven. Ook het betoog van [X] dat zij door een taalachterstand niet in staat was te solliciteren en te werken, gaat niet op. Niet valt in te zien dat een taalachterstand het solliciteren naar betaald werk geheel onmogelijk maakt. Zo kan er in overleg met de bewindvoerder op een aangepast niveau gesolliciteerd worden. Daarbij komt dat - zoals reeds hiervoor is overwogen - [X] hulp van derden had kunnen inroepen om aan de sollicitatieverplichting te voldoen. Met betrekking tot de stelling dat [X] de zorg heeft voor haar echtgenoot en zes kinderen overweegt het hof dat dit geen reden is om niet aan de inspanningsverplichting te voldoen. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat [Y] zodanig afhankelijk is van de zorg van [X] dat laatstgenoemde daardoor niet aan het arbeidsproces kan deelnemen. Van [Y] c.s. mocht verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken zo verdelen dat [X] daardoor in staat is om aan haar inspanningsverplichting te voldoen.

2.6

Namens [Y] c.s. heeft de advocaat ter zitting in hoger beroep verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat ter zake van [Y] een behandelplan zal kunnen worden overgelegd en dat [X] zich wenst in te schrijven voor een inburgeringscursus, waarna – met een verlenging van de looptijd - de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde kan worden gebracht. Dit verzoek wordt afgewezen. Gebleken is dat [Y] c.s. op 12 januari 2015 zijn opgeroepen voor een verhoor ten overstaan de rechter-commissaris, bij welke gelegenheid de tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen zijn besproken en [Y] c.s. zijn aangespoord beter hun best te doen. Ondanks herhaaldelijke verzoeken daarna door de bewindvoerder hebben [Y] c.s. na dat verhoor geen verbetering laten zien. [Y] c.s. zijn voldoende in de gelegenheid geweest de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Dat zij thans beschermingsbewind wensen aan te vragen, [Y] bereid is hulp te aanvaarden van een psychiater en [X] zich wenst in te schrijven voor een inburgeringscursus, kan hen dan ook niet meer baten. Daarbij komt dat [Y] c.s. in hoger beroep niet een zodanige gedragsverandering hebben laten zien dat het hof thans er vertrouwen in heeft dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zullen nakomen. Het hof wijst er in dat verband op dat de bewindvoerder nog steeds een aantal noodzakelijke stukken mist.

Bovenomschreven tekortkomingen vormen voldoende aanwijzing dat bij [Y] c.s. de van hun te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. De genoemde tekortkomingen die niet als geringe tekortkoming buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig en verwijtbaar dat slechts de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, J.E. Molenaar en R.J.Q. Klomp en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.