Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
200.185.672
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging tussentijdse beëindiging. Sollicitatieplicht was vanwege ziekte slechts korte tijd van kracht en nadat zij arbeidsgeschikt werd bevonden heeft betrokkene gesolliciteerd. Nieuwe schuld aan DWI kan betrokkene niet volledig worden toegerekend omdat zij budgetbeheer had en onvoldoende overzicht over haar financiën had om deze schuld te voorkomen. Bovendien is er een boedelvoorstand en hebben de twee zoons van betrokkene toegezegd teruggevorderde huurtoeslag te voldoen. Voorts is de informatieplicht in het verleden grof geschonden maar is het hof niet gebleken van tekortkomingen na het eerdere tussenvonnis van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.185.672/01

insolventienummer rechtbank : C/13/13/539-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 maart 2016

in de zaak van

[X] ,

wonende te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. J.M.J. Langelaar te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [X] genoemd.

[X] is bij op 16 februari 2016 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2016 (en daarmee ook van het tussenvonnis van de rechtbank van 20 mei 2015), waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X] tussentijds heeft beëindigd.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 15 maart 2016. Bij die behandeling is [X] samen met de beschermingsbewindvoerder P. Verbeek verschenen, bijgestaan door mr. T. van Uden, advocaat te Amsterdam, die het beroepschrift mondeling nader heeft toegelicht. Voorts is de bewindvoerder, C.G. van der Wiel, verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de eerste aanleg, waaronder de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg alsmede het verzoek schuldsanering met de crediteurenlijst, overgelegd namens [X] bij brieven van 3, 4 en 10 maart 2016, de door de bewindvoerder overgelegde stukken bij brief van 10 maart 2016, en de namens [X] op de zitting in hoger beroep nader overgelegde stukken. [X] heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[X] heeft in het beroepschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en haar alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien, dan wel subsidiair de looptijd te verlengen. [X] heeft gesteld niet te zijn tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen. Voor zover zij is tekortgeschoten stelt zij dat dit haar niet toegerekend kan worden en dat zij haar crediteuren niet heeft benadeeld, dan wel dat het tekortschieten van geringe aard is. Daartoe heeft [X] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd.

[X] heeft zo goed mogelijk meegewerkt aan een goede uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Zij heeft daarbij de hulp ingeschakeld van budgetbeheer en later heeft zij de hulp gekregen van een beschermingsbewindvoerder. Ondanks deze hulp is er toch een schuld aan de DWI ad € 4.122,73 ontstaan, door de betaling van achterstallig loon door haar voormalig werkgever en de samenloop van twee uitkeringen, en is er een terugvordering van de huurtoeslag 2014, ontstaan door het inkomen van de toen inwonende zoon. [X] heeft met betrekking tot de schuld aan de DWI gesteld dat het klopt dat zij in twee verschillende periodes te veel uitkering heeft ontvangen, maar dat dit haar niet te verwijten valt omdat zij geen zicht had op haar inkomen, nu haar budget werd beheerd en zij enkel € 50,- leefgeld in de week ontving. Nadat de beschermingsbewindvoerder zijn taak had aangevangen, heeft hij zelf namens [X] de DWI erop geattendeerd dat er bedragen ten onrechte uitgekeerd waren. In de door [X] gevoerde bezwaarprocedure heeft de gemeente Amsterdam aangegeven dat zij niet verwijtbaar gehandeld heeft en dat de schuld na afloop van de schuldsanering mag worden ingelost. [X] acht het onder deze omstandigheden niet gerechtvaardigd de schuldsanering op deze grond tussentijds te beëindigen. Bovendien kan een gedeelte van de schuld worden afgelost met de boedelvoorstand ad € 1.202,17 en heeft de oudste zoon zich bereid verklaard een bedrag van € 1.000,- ineens en vijf termijnbedragen van € 400,- per maand ter aflossing van de schuld te voldoen. Daarnaast is de terugvordering van de huurtoeslag 2014 voldaan door [Y] , de zoon die inwonend was. Deze zoon stelt zich ook garant voor voldoening van de eventuele terugvordering van de huurtoeslag 2015, mocht deze terugvordering ontstaan.

Met betrekking tot de inspanningsverplichting heeft [X] aangevoerd dat zij zich in november 2014 ziek heeft gemeld bij het UWV en toen een ziektewetuitkering heeft ontvangen en derhalve niet gehouden was aan de inspanningsverplichting. Omdat zij een en ander niet goed had begrepen heeft zij toch enkele maanden aan de sollicitatieverplichting voldaan. Nadat zij in december 2015 arbeidsgeschikt is bevonden en dientengevolge een werkloosheidsuitkering kreeg, heeft zij bezwaar ingediend op welk bezwaar nog geen beslissing genomen is. [X] heeft in de afgelopen maanden voldaan aan de eisen van het UWV en heeft de afgelopen maand ook op de wijze zoals gevraagd in de schuldsanering gesolliciteerd. Als [X] al niet aan de inspanningsverplichting heeft voldaan, dan is zij van mening dat het een geringe tekortkoming betreft die buiten beschouwing gelaten kan worden, temeer nu het de vraag is, gezien de leeftijd, beperkte inzetbaarheid en opleidingsgraad van [X] , of de schuldeisers zijn benadeeld.

2.2

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. [X] heeft structureel niet voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en de bewindvoerder heeft er geen vertrouwen in dat dit nog goed kan komen. Zij acht het aflossingsvoorstel te laat gedaan en is van mening dat [X] reeds eerder, namelijk na het tussenvonnis van mei 2015, haar best had moeten doen de schuldsanering goed te laten verlopen. [X] heeft structureel niet aan de sollicitatieverplichting voldaan, heeft ook thans niet volledig aan de informatieverplichting voldaan, ze heeft de bewindvoerder niet tijdig op de hoogte gesteld van haar ziektemelding in november 2014 en is zonder toestemming van de bewindvoerder naar Suriname vertrokken in mei 2015. De bewindvoerder is van mening dat de tijd en energie die zij in de schuldsanering van [X] heeft gestopt niet in verhouding staat tot de vergoeding die zij daarvoor krijgt en acht dit in strijd met de wet.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieplicht niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.4

Het hof oordeelt op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep en de overgelegde stukken als volgt.

[X] heeft ondanks dat zij onvoldoende informatie heeft overgelegd en zonder toestemming naar Suriname is gegaan en er nieuwe schulden waren ontstaan van de rechtbank bij vonnis van mei 2015 een laatste kans gekregen om de schuldsanering tot een goed einde te brengen. In dat vonnis heeft de rechtbank tevens overwogen dat [X] tot 24 november 2014 voldaan heeft aan de inspanningsverplichting en dat zij sindsdien een ziektewetuitkering heeft en de sollicitatieverplichting derhalve niet van toepassing is. Deze situatie heeft voortgeduurd tot 9 december 2015 toen [X] arbeidsgeschikt is verklaard door het UWV. Sindsdien ontvangt zij een werkloosheidsuitkering.

Het hof stelt voorop dat [X] wat betreft de sollicitatieverplichting niet alleen moet voldoen aan de door het UWV gestelde eisen, maar tevens aan de eisen die gelden in de schuldsanering, welke eisen vaak strenger zijn dan de eisen die het UWV stelt. Gelet op de relatief korte periode sedert 9 december 2015, de omstandigheid dat [X] sedertdien wel heeft gesolliciteerd en zich voorts bereid heeft verklaard vanaf nu strikt overeenkomstig de eisen van de schuldsanering te solliciteren (dat wil zeggen: tenminste vier sollicitaties per maand, met mededeling aan de bewindvoerder van de gedane sollicitaties) acht het hof de tekortkoming niet zo ernstig dat deze tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsanering zou moeten leiden.

2.5

Met betrekking tot de nieuwe schuld aan de DWI ad € 4.122,73 is het hof van oordeel dat deze [X] onvoldoende valt toe te rekenen. De schuld is mede ontstaan omdat haar ontslag werd teruggedraaid en zij alsnog achterstallig loon ontving. [X] heeft dit niet bemerkt omdat zij slechts leefgeld van CAV, de budgetbeheerder, ontving. Dat deze schuld thans tot een tussentijdse beëindiging zou leiden acht het hof niet gerechtvaardigd. Temeer nu de ene zoon de teruggevorderde huurtoeslag 2014 heeft betaald en de andere zoon de schuld aan de DWI wil voldoen en er bovendien sprake is van een boedelvoorstand van € 1.202,17. Van een terugvordering van de huurtoeslag 2015 is (nog) geen sprake, maar ook hiervoor heeft de zoon van [X] zich garant gesteld. Het hof is het met de bewindvoerder eens dat het aflossingsvoorstel reeds in een eerder stadium door [X] ingediend had moeten zijn, maar feit is dat de zonen thans bereid zijn bij te dragen. Het hof acht het voorstel haalbaar en concreet en heeft er voldoende vertrouwen in dat [Z] en [Y] hun aanbod zullen nakomen.

2.6

Met betrekking tot de informatieverplichting en de gevergde actieve medewerking van [X] is het hof gebleken dat het daar in het verleden ernstig aan ontbroken heeft. De bewindvoerder heeft vaak informatie moeten opvragen, terwijl deze spontaan en tijdig geleverd dient te worden, en de bewindvoerder is daardoor regelmatig niet in staat geweest een juiste boedelberekening te maken. [X] heeft zich herhaaldelijk onttrokken aan het toezicht van de bewindvoerder, onder meer door zonder toestemming naar het buitenland af te reizen. Een en ander kan voldoende grond opleveren voor een tussentijdse beëindiging. Na het tussenvonnis van mei 2015 is het hof niet gebleken van een structurele tekortkoming die een tussentijdse beëindiging rechtvaardigt.

2.7

Tegen de achtergrond van de voor [X] bij een juiste afronding van de schuldsaneringsregeling gemoeide belangen en in aanmerking nemend dat daarnaast voldoende aannemelijk is geworden dat [X] de nieuwe schulden voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan inlopen, acht het hof vernietiging van het bestreden vonnis aangewezen. Het hof tekent daarbij aan dat met de aflossing van de schuld aan de DWI met een bedrag ineens en maandelijkse termijnen onmiddellijk na deze uitspraak zal moeten worden begonnen omdat anders het inlopen van deze schuld voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet haalbaar zal zijn.

2.8

[X] dient zich te realiseren dat haar hiermee een bijzondere kans wordt gegeven om uit haar schuldenpositie te komen. Het hof wijst haar er op dat tijdens het verdere verloop van de schuldsaneringsregeling alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling onverkort van toepassing blijven en dat zij zich in de toekomst blijvend aan al haar verplichtingen moet houden die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien.

3 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

- wijst de voordracht tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verstaat dat de rechtbank te zijner tijd bij gelegenheid van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog zal bepalen of aan [X] de zogenoemde schone lei wordt verleend.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, D.J. Oranje en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.