Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3314

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
23-001105-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak diefstal, bewezenverklaring poging zakkenrollerij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001105-16

datum uitspraak: 4 augustus 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-701411-16 en 13-703279-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

Geboren in een onbekende plaats in Roemenië op [geboortedag] 1992,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 05 maart 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

1.
subsidiair:
hij op of omstreeks 05 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een mobiele telefoon heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2:
hij op of omstreeks 05 maart 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, naar voornoemde [slachtoffer 2] is toegelopen en/of (vervolgens)

- de rits en/of klip van de tas van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geopend en/of vervolgens

- zijn hand in de tas van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot feit 1 anders dan de rechtbank tot een vrijspraak komt.

Vrijspraak feit 1

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte de telefoon van de aangever heeft gestolen.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier te veel onduidelijkheden om te kunnen vaststellen dat de telefoon die door de verdachte is weggegooid aan de aangever toebehoort.

Zowel verbalisant [verbalisant] als de getuige [getuige] hebben verklaard het door verdachte weggegooide voorwerp te hebben opgeraapt. Voorts biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het bewijs dat de aan de aangever teruggegeven telefoon ook daadwerkelijk aan hem toebehoort. Dit klemt te meer nu verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat het (op de plaats van het ten laste gelegde en in dat tijdsbestek) om een groepje zakkenrollers ging.

Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 2

Anders dan de raadsvrouw, acht het hof de verklaringen van de aangeefster en de getuige [getuige] en de daarin opgegeven signalementen, voldoende duidelijk en overeenstemmend. Op grond daarvan staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte de persoon is geweest die de tas van de aangeefster heeft geopend en zijn hand daarin heeft gestoken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 5 maart 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], naar voornoemde [slachtoffer 2] is toegelopen en vervolgens

de rits en klip van de tas van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geopend en vervolgens zijn hand in de tas van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zakkenrollen. Zakkenrollerij veroorzaakt veel overlast in de binnenstad van Amsterdam en draagt bij aan een in de maatschappij heersend gevoel van onrust en onveiligheid. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij geen respect heeft voor het eigendomsrecht van anderen. Het hof rekent hem dit aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2016 is hij eerder voor diefstal onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 18 november 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 18 november 2015, parketnummer 13-703279-15, te weten van een

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2016.

mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.