Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3305

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
23-004172-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering leenauto. De verdachte heeft nagelaten de auto, die hij anders dan door misdrijf onder zich had, tijdig te retourneren en is als heer en meester over die auto gaan beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004172-15

datum uitspraak: 9 augustus 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-167639-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op enig tijdstip gelegen in de periode van 11 juni 2015 tot en met 17 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval Nederland, opzettelijk een personenauto (Fiat 500) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] Autoverhuur, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als leenauto en/of huurauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe primair gesteld dat de verdachte er niet van op de hoogte was dat de verdachte niet langer over de leenauto mocht beschikken. Op geen enkele wijze blijkt namelijk dat het schadebedrijf contact met de verdachte heeft gezocht en in de brief van de verzekeringsmaatschappij van 7 augustus 2015 wordt niet gesproken over de verplichting tot teruggave van de auto. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de auto niet wederrechtelijk heeft toegeëigend, omdat hij op geen enkel moment als heer en meester over de auto is gaan beschikken. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat alles is te herleiden tot dezelfde bron, schadeherstelbedrijf [bedrijfsnaam 2] bij monde van [naam], en er derhalve onvoldoende bewijs is om tot een veroordeling te komen.

Het hof stelt vast dat de verdachte zijn auto op 11 juni 2015 ter reparatie naar [bedrijfsnaam 2] Autoschadebedrijf te Amsterdam heeft gebracht en van het schadebedrijf vervangend vervoer, een aan [bedrijfsnaam 1] Autoverhuur in eigendom toebehorende Fiat 500, heeft meegekregen als leenauto. De verdachte heeft een huurovereenkomst voor de leenauto ondertekend en heeft daarop zijn personalia en adresgegevens vermeld. Op de huurovereenkomst is geen einddatum ingevuld, omdat een - in verband met een reparatie aangeboden -leenauto in beginsel in gebruik mag worden genomen zolang de reparatie duurt.

Op zaterdag 4 juli 2015 is de auto van de verdachte op het terrein van het schadebedrijf door brand verwoest. Twee dagen later, op 6 juli 2015, is de verdachte naar het schadebedrijf toegegaan, waarbij hij de leenauto niet op het terrein van het schadebedrijf heeft geparkeerd. [naam] en een collega hebben de verdachte er bij die gelegenheid van op de hoogte gesteld dat zijn auto geheel was uitgebrand en hem gesommeerd de leenauto in te leveren, omdat de verzekering niet zou gaan uitkeren omdat er geen dekking was. Er ontstond een onprettig gesprek, waardoor [naam] na overleg met de bedrijfsleider heeft toegezegd dat de verdachte de leenauto tot uiterlijk vrijdag 10 juli 2015 mocht blijven gebruiken en dan moest terugbrengen.

Het was de verdachte bekend dat hij niet de onbeperkte beschikking had over de Fiat 500, maar dat hij deze in beginsel mocht gebruiken gedurende de periode waarin zijn eigen auto werd gerepareerd en in geval de auto total loss is voor een periode van maximaal 5 dagen. Op het moment dat hij vernam dat zijn auto op 4 juli 2015 was afgebrand en derhalve niet meer kon worden gerepareerd, had de verdachte minst genomen moeten weten dat zijn recht tot het gebruik van de leenauto daarmee was komen te vervallen. Tijdens het gesprek op 6 juli 2015 heeft [naam] de verdachte toegestaan de auto tot

10 juli 2015 te gebruiken, zodat de verdachte de Fiat op die datum uiterlijk had moeten terugbrengen. Anders dan de raadsman hecht het hof waarde aan de verklaring van [naam], omdat de inhoud daarvan door de genoemde concrete feiten en omstandigheden, die daarmee op relevante wijze in verband staan, wordt geschraagd en het hof deze ook overigens geloofwaardig over komt.

De verdachte heeft aldus nagelaten de auto, die hij anders dan door misdrijf onder zich had, tijdig te retourneren aan het schadebedrijf. De vraag die dan dient te worden beantwoord is of de verdachte zich de auto wederrechtelijk heeft toegeëigend. In casu is geen sprake van enkel het zuiver nalaten van de verdachte om de leenauto aan het schadebedrijf terug te geven. Immers, namens het schadebedrijf is meermalen naar het telefoonnummer van de verdachte, dat hij op de huurovereenkomst had geschreven, gebeld en zijn meerdere voicemails ingesproken. Daar komt bij dat de verdachte, aan wie reeds was tegemoet gekomen door een verlenging van de leentermijn toe te staan, er blijk van heeft gegeven de auto niet terug te willen brengen door de afspraak met [naam] niet daadwerkelijk na te komen.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, in elk geval vanaf 10 juli 2014 als heer en meester over de leenauto is gaan beschikken. Hij heeft de auto kennelijk voor zichzelf willen behouden en heeft zich als eigenaar gedragen. Het niet reageren op telefonische berichten, de weigering om de auto op 6 juli 2014, ondanks sommatie daartoe, bij het schadebedrijf achter te laten zoals hij had behoren te doen, zijn een duidelijke indicatie dat het retourneren van de leenauto niet in de bedoeling van de verdachte lag. De leenauto uiteindelijk niet terugbrengen op een daartoe afgesproken datum, te weten 10 juli 2014 is (andermaal) een bevestiging daarvan. De leenauto is (door de politie) uiteindelijk op 17 augustus 2015 aan het schadebedrijf teruggegeven. Het hof verwerpt daarom de verweren van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 10 juli 2015 tot en met 17 augustus 2015 in Nederland, opzettelijk een personenauto (Fiat 500), toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] Autoverhuur, welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als leenauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag met aftrek en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag en een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verduistering van een personenauto die hij te leen heeft gekregen van een autoschadeverhuurbedrijf, maar niet heeft teruggebracht. Hij heeft door zijn handelen overlast bij het autoschadebedrijf veroorzaakt en het vertrouwen geschonden dat het bedrijf mag stellen in personen aan wie een leenauto ter beschikking wordt gesteld.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juli 2016 is hij eerder ter zake van gekwalificeerde diefstal onherroepelijk veroordeeld.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof noch in de ernst van het feit noch in de omstandigheden waaronder het is gepleegd aanleiding tot een hogere strafoplegging dan in eerste aanleg te komen. Rekening houdend met het in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht neergelegde taakstrafverbod, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van 1 dag, gecombineerd met een taakstraf van 120 uren, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.D.L. Nuis en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van

mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 augustus 2016.

mr. Geelhoed is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.