Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3273

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
23-004201-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-004201-15

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 13-702159-15 en 13-113344-14 (TUL), 13-684434-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op station Sloterdijk, in elk geval op of aan een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een tas (met inhoud) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) dicht tegen/bij voornoemde [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of aan voornoemde [slachtoffer] een vinger met bloed heeft/hebben laten zien en/of (vervolgens) eenmaal of meermalen aan voornoemde tas heeft/hebben getrokken en/of gerukt en/of eenmaal of meermalen om geld heeft/hebben gevraagd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en oplegging van straf komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het duidelijk is dat er op 13 juni 2015 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte en zijn medeverdachten, maar de verdachte heeft consequent verklaard dat hij de aangever enkel wilde beschermen. Slechts de aangever heeft verklaard dat alle drie de verdachten aan zijn tas hebben getrokken en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen, aldus de raadsman.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Op 13 juni 2015 liep de aangever [slachtoffer] op station Sloterdijk te Amsterdam toen er drie mannen op hem af kwamen lopen. Eén van de mannen vroeg hem om geld, waarna één van de andere mannen op hem afkwam en agressief werd. Diezelfde man kwam dicht bij hem staan. De mannen bleven vragen om geld. Alle drie de mannen hebben geprobeerd de tas van de aangever af te pakken. Ze trokken aan zijn tas, waardoor de tas scheurde. De aangever kon de tas desondanks vasthouden.

Kort na dit voorval werd de verdachte samen met zijn twee medeverdachten aangehouden in de nabije omgeving van station Sloterdijk. Alle drie voldeden zij aan het signalement dat de aangever had opgegeven. Uit het dossier leidt het hof af dat de verdachte de man is geweest die op de aangever af is gelopen, dicht bij hem kwam staan en agressief werd.

Gelet op deze verklaring van de aangever stelt het hof de verklaring van de verdachte dat hij slechts de aangever wilde beschermen als ongeloofwaardig terzijde.

Oordeel van het hof over het tenlastegelegde

Het hof stelt voorop dat – anders dan door de advocaat-generaal ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht, en anders dan door de rechtbank als kwalificatie van het in eerste aanleg bewezenverklaarde in het vonnis is opgenomen – blijkens de tekst van de tenlastelegging niet aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal met – kort gezegd – geweld. De tenlastelegging beschrijft dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een (door hem alleen gepleegde) poging tot het medeplegen van een diefstal met geweld. Niet kan worden bewezenverklaard dat hij, zoals is ten laste gelegd, heeft gepoogd een diefstal met geweld mede te plegen, nu er geen sprake is van een voltooide diefstal met geweld. Hetgeen in de tenlastelegging is opgenomen als omschrijving van de handelingen van de medeverdachten kan voorts niet – als onderdeel van de door de verdachte gepleegde poging – worden bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 juni 2015 te Amsterdam, op station Sloterdijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een tas toebehorende aan [slachtoffer], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld tegen [slachtoffer], met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan, waarna hij, verdachte, dicht bij voornoemde [slachtoffer] is gaan staan en aan voornoemde tas heeft getrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventuele aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de dan op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (met bijzondere voorwaarden) en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft primair verzocht te volstaan met het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Na het onderhavige feit is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Hij wil zijn leven beteren. De verdachte lijdt aan psychische problemen, waardoor het voor hem moeilijk is om weerstand te bieden aan sociale druk. Dit kan hem niet te zwaar worden aangerekend.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De bijzondere voorwaarden van een locatiegebod en urinecontroles hoeven niet langer aan een voorwaardelijke straf te worden verbonden. De verdachte verblijft niet meer bij De Klif en hij krijgt voldoende advies en begeleiding, waardoor zijn alcoholgebruik inmiddels onder controle is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft ’s nachts op station Sloterdijk het slachtoffer op agressieve wijze benaderd, aan zijn tas getrokken en zo geprobeerd zijn tas te stelen. Door aldus te handelen heeft de verdachte onvoldoende respect getoond voor andermans eigendommen. Bij slachtoffers en getuigen van dergelijke voorvallen kunnen nog lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid blijven bestaan. Uit de aangifte blijkt voorts dat dit voorval het slachtoffer heeft aangegrepen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 juli 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

Het hof is van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze zaak geen recht doet aan de ernst en de aard van het bewezen verklaarde misdrijf.

Uit de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde brief van [naam], orthopedagoog bij het Fasehuis ’t Gein, blijkt dat de verdachte er belang bij heeft dat zijn huidige behandeltraject wordt voortgezet. Gelet hierop ziet het hof aanleiding niet de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat‑generaal gevorderde taakstraf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het is in ieders belang dat de reeds ingezette behandeling en begeleiding van de verdachte doorgang kan vinden.

Het hof zal ten aanzien van het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde van een meldplicht in combinatie met reclasseringstoezicht opleggen. Gelet op voormelde brief ziet het hof geen aanleiding de overige, door de rechtbank opgelegde, bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de straf te verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van twee voorwaardelijk opgelegde straffen bij uitspraken van onderscheidenlijk:

  • -

    de politierechter Amsterdam van 19 augustus 2014, waarbij een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis is opgelegd (13-113344-14) en

  • -

    de politierechter Amsterdam van 17 december 2014, waarbij een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis is opgelegd (13-684434-14).

De rechtbank heeft de beide vorderingen tot tenuitvoerlegging toegewezen. Voornoemde vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gesteld dat deze vorderingen dienen te worden toegewezen.

De raadsman heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen, nu er geen noodzaak tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straffen bestaat.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straffen in beginsel worden gelast.

Gelet echter op de ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk geworden gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht het hof het thans niet opportuun om tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straffen over te gaan. Het hof zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging dan ook afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 54 (vierenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (adres: Weesperzijde 70, 1091 EH te Amsterdam), zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht. Tevens dient de veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die deze instelling hem geeft.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 17 juni 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 19 augustus 2014, parketnummer 13-113344-14, voorwaardelijk opgelegde taakstraf 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 18 juni 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 17 december 2014, parketnummer 13-684434-14, voorwaardelijk opgelegde taakstraf 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2016.

Mr. M.J.A. Plaisier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.