Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3247

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
200.174.627/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het door de gemeente gelegde beslag is onrechtmatig maar de gemeente is niet aansprakelijk voor de geleden schade van appellant. Geen risicoaansprakelijkheid van de beslaglegster. Appellant had de schade eenvoudig kunnen beperken tot nihil door de gemeente informatie te verschaffen over de gevolgen van de gelegde beslagen. Het hof bekrachtigd het vonnis waarvan beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/515

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.174.627/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/199254 / HA ZA 13-22

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 augustus 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellant,

advocaat: mr. G.C.M. Schipper te Hoofddorp,

tegen

de GEMEENTE BEEMSTER,

zetelend te Middenbeemster, gemeente Beemster,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.A.L. van de Sande te Breda.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 2 juni 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 maart 2015, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 juli 2016 doen bepleiten door hun voornoemde raadslieden, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

– uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en met nakosten.

De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met

– uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank in deze zaak gewezen tussenvonnis van 9 juli 2014 onder 2.1 als feit vastgesteld dat de gemeente bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 28 juli 2010 (NL:RBHAA:2010:BN8311) is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige beslaglegging op 28 november 2007 door de gemeente onder [appellant], nader op te maken bij staat. Dit feit is in hoger beroep niet in geschil en dient ook het hof als uitgangspunt. De beslaglegging is onrechtmatig geoordeeld omdat, kort gezegd, de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen was verjaard.

2.2.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist staat voorts vast dat voornoemde onrechtmatig bevonden beslaglegging executoriaal beslag betrof op onroerende zaken van [appellant] ter verzekering van verhaal van verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 20.000,= en € 45.378,=, derhalve in totaal een bedrag van € 65.378,=, te vermeerderen met rente en kosten.

3 Beoordeling

3.1.

In de eerste aanleg van deze procedure heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank de schade waartoe de gemeente is veroordeeld, zal begroten op een bedrag van € 2.366.141,=, te vermeerderen met verdere schade, rente en kosten. Hij heeft daartoe gewezen op een schaderapport opgemaakt door De Jong & Laan Corporate Finance B.V. van november 2011 (hierna het schaderapport), waarin de volgende acht schadeposten zijn vermeld:

a. het niet kunnen doorgaan van een aankooporder van goud;

b. het niet kunnen afbouwen van de handelsstal met paardenboxen aan de [straat];

c. het niet kunnen ontwikkelen van een monumentaal pand aan de [straat];

d. het niet kunnen verkopen van grond aan de [straat] aan een projectontwikkelaar;

e. het niet kunnen verkopen van een pand aan de [straat] aan de huurder;

f. het niet kunnen verhuren van ruimte in het pand aan de [straat];

g. het moeten betalen van een schadevergoeding aan de Rabobank;

h. het moeten maken van kosten van adviseurs, accountants en juristen.

[appellant] heeft, onder verwijzing naar een brief van 28 februari 2008 van de Friesland Bank, gesteld dat deze bank een door [appellant] ingediende aanvraag voor een lening van € 5.000.000,=, om daarmee goud aan te kopen, niet in behandeling heeft genomen omdat het beoogde onderpand onder de beslaglegging viel. Als gevolg hiervan stelt [appellant] een schade te hebben geleden van € 1.575.8939,= aan koerswinst (schadepost a). Met betrekking tot de schadeposten b tot en met g heeft [appellant] gesteld dat de Rabobank ten gevolge van het beslag de aan [appellant] verstrekte financieringen heeft opgezegd, waardoor lopende investeringen en handelsactiviteiten stil kwamen te liggen en [appellant] uiteindelijk werd geconfronteerd met een vordering tot vergoeding van juridische kosten van de Rabobank. De schadepost onder h betreft het inzichtelijk maken en instellen van zijn vordering tot schadevergoeding.

3.2.

Bij het bestreden vonnis is de vordering afgewezen en [appellant] belast met de gedingkosten. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat [appellant] zijn plicht tot schadebeperking heeft verzaakt. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3.

Het hof overweegt als volgt.

3.3.1.

Juist is dat de aansprakelijkheid van de gemeente in de hoofdzaak is vastgesteld en in de onderhavige vervolgprocedure vast staat. [appellant] heeft aangevoerd dat geen zware eisen aan hem mogen worden gesteld waar het gaat om mogelijke eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW, en dus aan zijn schadebeperkingsplicht, omdat sprake is van risicoaansprakelijkheid aan de kant van de gemeente,. Het betoog van [appellant] op dit punt spitst zich toe op de vraag of hij verplicht was zijn schade te beperken door, kort gezegd, inzicht te geven in de (over)waarde van de beslagen objecten. Het hof overweegt hieromtrent dat weliswaar juist is dat bij het leggen van beslag de beslaglegger op eigen risico handelt, maar dat dit niet betekent dat, zoals [appellant] betoogt, de aansprakelijkheid van de beslaglegger voor een onrechtmatig gelegd beslag is te kwalificeren als een risicoaansprakelijkheid in de zin van de wet.

De aard van de aansprakelijkheid van de gemeente brengt ook niet met zich dat haar geen beroep toekomt op eigen schuld van [appellant].

Anders dan [appellant] meent, heeft de rechter in de hoofdzaak zich niet uitgelaten over de vraag of [appellant] gehouden was zijn schade te beperken. De overweging waarop [appellant] wijst, betreft het door de rechter in de hoofdzaak buiten behandeling laten van een verweer van [appellant] inhoudende dat de gemeente met een minder verstrekkend beslag had kunnen volstaan, niet de behandeling van een beroep van de gemeente op schending van de schadebeperkingsplicht door [appellant]. Een (bindende eind-)beslissing omtrent de schadebeperkingsplicht van [appellant] is in de hoofdzaak dus niet gegeven.

3.3.2.

De rechtbank heeft in de onderhavige vervolgprocedure, naar aanleiding van het gemotiveerde beroep van de gemeente op de schadebeperkingsplicht, terecht overwogen dat de benadeelde binnen redelijke grenzen is gehouden tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit uitgangspunt in deze zaak met zich brengt dat, gelet op de aard en omvang van de door [appellant] gestelde schade, gerelateerd aan de omvang van het door de gemeente nagestreefde financiële belang, van [appellant] kon worden verlangd dat hij de gemeente ten minste duidelijk had gemaakt wat de gevolgen van handhaving van de gelegde beslagen zouden zijn en dat het verder op de weg van [appellant] lag om de gemeente de mogelijkheid te bieden haar belang na te streven zonder schade te veroorzaken, voor zover dat door middel van de door de gemeente aangeboden beperking van het beslag had gekund.

3.3.3.

[appellant] heeft niet gemotiveerd bestreden dat hij de gemeente niet eerder dan medio mei 2008, bij gelegenheid van het tussen partijen gevoerde kort geding, op de hoogte heeft gesteld van de gestelde uitzonderlijk grote financiële gevolgen van het leggen en handhaven van de beslagen.

Evenmin heeft [appellant] bestreden dat hij geen informatie omtrent de beslagen percelen en de waarde daarvan aan de gemeente heeft verstrekt, terwijl de gemeente hem in ieder geval al bij faxbericht van 11 januari 2008 had laten weten dat zij de waarde van de beslagen percelen nog niet kende en [appellant] vanaf 19 februari 2008 beschikte over een taxatierapport van [L.], met de conclusie dat de onderhandse verkoopwaarde van de beslagen onroerende zaken € 8.000.000,= was, aan de hand van welk rapport in beginsel de executiewaarde kon worden vastgesteld.

Ten slotte heeft [appellant] niet de stelling bestreden dat de gemeente haar beslag zou hebben beperkt tot € 100.000,= indien haar toereikende informatie over de overwaarde van de diverse beslagen onroerende zaken zou zijn verstrekt, een mogelijkheid die de gemeente [appellant] bij gelegenheid van het kort geding in mei 2008 tot twee keer toe heeft voorgehouden.

3.3.4.

De stelling van [appellant] dat het voor de gemeente, gelet op haar deskundigheid op het gebied van grondexploitatie en de mogelijkheid om in overleg met de deurwaarder tot een goede waardebepaling te komen, net zo eenvoudig was als voor [appellant] om de potentiële schade te beperken, gaat niet op. Hij miskent hiermee allereerst dat een eigen schatting van de grondwaarde die de gemeente volgens hem op grond van haar deskundigheid en die van de deurwaarder zou kunnen maken – wat van deze stelling verder ook zij – hoe dan ook niets zegt over de overwaarde van een perceel en voorts dat aan de openbare registers niet valt te ontlenen wat de actuele overwaarde is van een onroerende zaak. [appellant] had daarentegen de bij hem bekende en voorhanden gegevens aan de gemeente kunnen verstrekken, te weten (i) welke van zijn (negentien) beslagen onroerende zaken voor enkel de vordering van de gemeente in beginsel voldoende verhaal bood/boden, (ii) welke percelen voor welke schulden/bedragen hypothecair waren belast en (iii) op welke percelen het beslag in zijn visie het minst bezwarend zou zijn. Vast staat dat [appellant] dat niet heeft gedaan. Hij heeft daarvoor geen enkele steekhoudende reden gegeven. Dat van zijn kant ‘wel degelijk acties zijn ondernomen’ (veelvuldig contact tussen zijn advocaat en die van de gemeente na de beslaglegging, correspondentie tussen de advocaten na het kort geding in mei 2008, uitmondend in een groot overleg in het voorjaar van 2009) maakt dit niet anders, nu die acties kennelijk niet gericht waren op het verschaffen van de door de gemeente verzochte informatie.

3.3.5.

[appellant] heeft ook gesteld dat hij zich wel degelijk heeft ingespannen door de gemeente in januari 2008 een bankgarantie aan te bieden (pleitnota in hoger beroep, randnummer 29) en dat de gemeente deze ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft echter niet gesteld dat dit een onvoorwaardelijke bankgarantie was. Het had op zijn weg gelegen zijn stelling in zoverre nader toe te lichten. Dat hij dat niet heeft gedaan komt voor zijn rekening. Het ontbreken van een nadere toelichting klemt temeer omdat niet in geschil is dat hij de gemeente in 2009 een bankgarantie heeft aangeboden, op voorwaarde dat eerst zijn schade zou worden vergoed.

3.3.6.

Volgens [appellant] betekende het beslag het einde van de bancaire relatie met de Rabobank. De uiteindelijke opzegging van de relatie door de Rabobank werd, aldus [appellant], ingegeven doordat de gemeente de Rabobank heeft laten weten dat geen regeling met [appellant] tot stand was gekomen. Het hof constateert dat dit betoog geen steun vindt in de opzeggingsbrief van de Rabobank van 29 april 2008, die voor zover hier van belang luidt als volgt:

‘Met onze brief van 14-04-2008 bent u erop gewezen dat de beslaglegger op uw jegens onze bank hypothecair verbonden registergoederen, aandringt op executie. U bent daarbij gewezen op de mogelijke gevolgen als u niet alsnog een regeling zou treffen.

Er is geen bericht ontvangen van de beslaglegger dat er een regeling is getroffen.’

Uit deze passage blijkt dat de Rabobank geen bericht van de gemeente had ontvangen. Voorts kan hieruit worden afgeleid dat het treffen van een regeling tussen de gemeente en [appellant] voor de Rabobank voorwaarde was voor het in stand houden van de bancaire relatie en aldus de Rabobank had kunnen weerhouden van de opzegging. Aannemelijk is dat, wanneer [appellant] de gemeente voor 29 april 2008 de hiervoor onder 3.3.4 (i) tot en met (iii) bedoelde informatie had gegeven, een regeling tussen de gemeente en [appellant] tot stand zou zijn gekomen als gevolg waarvan de Rabobank, mede gezien de omvang van de hypothecaire zekerheden (uitsluitend boerderij en weiland staande en gelegen te [straat] tot een bedrag van in totaal € 600.000), geen reden meer gehad zou hebben de relatie met Doets op te zeggen.

3.3.7.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt, noch is anderszins gebleken, dat hij, indien hij de gemeente voornoemde informatie had gegeven en de waarde van het beslagene vervolgens was beperkt tot € 100.000,= door het beslag slechts te handhaven op een of meer registergoederen met een dergelijke totale waarde en voor het overige door te halen (hetgeen de gemeente voorstond), enige schade, laat staan de gestelde, onder 3.1 vermelde schade, zou hebben geleden.

3.3.8.

Uit het voorgaande volgt dat de gemeente heeft voldaan aan haar stelplicht ter zake van haar beroep op schending van de schadebeperkingsplicht door [appellant] en dat [appellant] deze stellingen niet voldoende heeft weerlegd. Het door de gemeente gelegde beslag is weliswaar onrechtmatig en zij is in beginsel aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [appellant] geleden schade. Echter, met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] de door hem gestelde schade – wat daar verder ook van zij – eenvoudig had kunnen beperken tot nihil door de gemeente meergenoemde informatie te geven. De gehele gestelde schade is derhalve een gevolg van een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend. De billijkheid leidt niet tot een andere verdeling.

3.3.9.

De grieven falen. Het bewijsaanbod van [appellant] heeft geen betrekking op feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat dit als niet ter zake dienend wordt verworpen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 5.160,= aan verschotten en € 13.740,= voor salaris en op € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, D.J. van der Kwaak en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.