Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3241

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
200.089.895 /01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarresten 4 februari 2014 en 29 juli 2014. Ook na aanvullend deskundigenbericht kan niet worden geoordeeld dat de oogchirurg heeft gehandeld in strijd met de desbetreffende professionele standaard. bekrachtiging van het vonnis van de eerste rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2016-0450
PS-Updates.nl 2016-0503

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.089.895/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 326299 / HA ZA 05-2844

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 augustus 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. P.A. van Hecke te Rotterdam,

tegen:

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

STICHTING OOGZORG AMSTELVEEN,

gevestigd te Amstelveen,

2. [geïntimeerde],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.E.M. Vermeij te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] , de Stichting en [geïntimeerde] genoemd. Geïntimeerden worden ook gezamenlijk aangeduid als [geïntimeerden]

In deze zaak heeft het hof op 29 juli 2014 een (derde) tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het derde tussenarrest heeft de deskundige prof. dr. P.J. [deskundige] (hierna ook: [deskundige] ) op 1 december 2015 een aanvullend deskundigenbericht (hierna ook: (het) rapport) uitgebracht.

Vervolgens heeft [appellant] een memorie na deskundigenbericht ingediend en [geïntimeerde] een antwoordmemorie na deskundigenbericht, met producties.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1.

Bij het derde tussenarrest heeft het hof [deskundige] de volgende vraag voorgelegd:

Heeft [geïntimeerde] door de te kleine zone van behandeling gehandeld in strijd met de ten tijde van de behandeling van [appellant] (9 maart 2004) geldende professionele standaard? U dient uw antwoord op deze vraag toe te lichten aan de hand van de bron(nen) waarop u zich baseert en de relevante vindplaatsen van die bron(nen) te vermelden in uw rapport.

Het hof heeft hieraan toegevoegd (derde tussenarrest, overweging 2.11) dat reeds is overwogen dat uit de eerder door [deskundige] opgestelde rapportage volgt dat causaal verband bestaat tussen de te kleine zone van behandeling en de klachten van [appellant] , zodat daaraan in de nadere rapportage van [deskundige] geen aandacht meer behoeft te worden besteed, en voorts dat ook andere stellingen en verweren van partijen thans niet meer aan de orde zijn, nu deze door het hof zijn behandeld, behoudens voor zover het betreft de hiervoor genoemde vraag.

2.2.

Het rapport van [deskundige] luidt, voor zover van belang, als volgt:

Om de vraag in het tussenarrest zorgvuldig te kunnen beantwoorden heb ik uitgebreid gezocht in de literatuur, waarbij ik niet verder heb gekeken dan de publicaties in 2004, omdat immers gevraagd wordt naar bronnen ten tijde van de door [appellant] ondergane behandeling. Werkelijk solide evidence zou alleen verkregen kunnen worden doordat er Randomized Controlled Trials (RCT’s) voorhanden zouden zijn over dit onderwerp, maar deze zijn er niet. Ook anderszins (evidence op lager niveau) zijn er geen artikelen te vinden en dan rest in de hiërarchie van evidence slechts de zogenaamde “expert opinion”. Bij het opstellen van richtlijnen is dit het niveau waar men zich op kan baseren. Voor dit soort laserbehandelingen bestaan geen richtlijnen, maar in Nederland wordt wel een Consensus Refractiechirurgie – een door het beroepsveld geformuleerde veldnorm – sinds 2007 gehanteerd.

Dit type behandelingen wordt in Nederland toegepast sinds medio jaren ’90 van de vorige eeuw en de Consensus Refractiechirurgie was gebaseerd op de 10 jaren van ervaring die daaraan vooraf gingen, dus ook wat dit betreft op expert opinion. In 2004, ten tijde van de behandeling van [appellant] – was dit dus niet anders.

Gebruikelijk was volgens de expert opinion dat een behandelzone werd gerelateerd aan de grootte van de scotopische pupil, dus grootte van de pupil bij schemerlicht of half donker. Het was toen al bekend dat het kiezen van een zone, kleiner dan de scotopische pupil, zou leiden tot hogere aberraties, waarmee onder andere wordt bedoeld de lichtverstrooiing en de daardoor veroorzaakte haze. In Pubmed zijn geen referenties te vinden die deze relatie aantonen, maar de expert opinion was toen toch beslist dat een behandelzone niet veel kleiner dan de scotopische pupil mocht zijn. Evenmin laat de Consensus Refractiechirurgie zich uit over de grootte van de behandelzone.

(…)

Desgevraagd zijn echter refractiechirurgen het erover eens dat voor de bepaling van de grootte van de te behandelen zone rekening moet worden gehouden met de grootte van de scotopische pupil.

Ik meen daarom nog steeds dat de professionele standaard destijds ook al impliceerde om volgens die beginselen te handelen.

(…)

2.3.

Het hof constateert dat [deskundige] zijn rapport heeft gebaseerd op veldnormen, die niet eerder dan in 2007 op schrift zijn gesteld op grond van de toen volgens hem geldende “expert opinion”, terwijl de behandeling van [appellant] plaatsvond in 2004. [deskundige] schrijft dat deze normen, die zijn neergelegd in de Consensus Refractiechirurgie die vanaf 2007 werd gehanteerd (hierna: de Consensus Refractiechirugie), ook golden in 2004. Bronnen die dateren van voor de behandeling van [appellant] waaruit dit blijkt, zijn echter niet voorhanden, terwijl [deskundige] ook niet (inzichtelijk) tot uitdrukking brengt dat hij tot deze opvatting is gekomen op grond van eigen kennis of ervaring uit (de jaren voorafgaand aan) 2004. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat over de band van de Consensus Refractiechirugie in 2004 een professionele standaard bestond die zag op de grootte van de te behandelen zone.

Zelfs indien het hof [deskundige] desondanks volgt en voor juist aanneemt dat de in de Consensus Refractiechirurgie vermelde veldnormen ook in 2004 al tot de professionele standaard behoorden, kan dat [appellant] niet baten. [deskundige] geeft immers in zijn rapport te kennen dat de Consensus Refractiechirurgie zich niet uitlaat over de grootte van de behandelzone.

Tegen deze achtergrond biedt het rapport van [deskundige] hoe dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] bij de behandeling van [appellant] op 9 maart 2004 heeft gehandeld in strijd met de toen geldende professionele standaard in verband met de door [geïntimeerde] daarbij gehanteerde behandelzone. Aan de laatste twee hierboven weergegeven alinea’s van het rapport kan dat ook niet worden ontleend. De conclusie is dat grief IV faalt.

2.4.

Bij deze stand van zaken ziet het hof geen reden zich nogmaals te buigen over het causaal verband als hiervoor onder 2.1 bedoeld, noch de in dat verband door [geïntimeerden] bij de antwoordmemorie na deskundigenbericht gevoegde producties, hoewel [geïntimeerden] dat naar aanleiding van het rapport andermaal aan de orde hebben gesteld. Daarom bestaat ook geen aanleiding een tussenarrest te wijzen om [appellant] de gelegenheid te bieden op de producties bij antwoordmemorie na deskundigenbericht te reageren.

2.5.

In de eerdere tussenarresten is al geoordeeld dat de grieven I tot en met III falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep, met inbegrip van de kosten van het deskundigenbericht van 1 december 2015, welke kosten overeenkomstig de eindnota van de deskundige, waartegen partijen geen bezwaar hebben gemaakt, worden begoot op € 1.214,04 (inclusief btw).

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 649,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris;

begroot de kosten verbonden aan het opstellen van het deskundigenrapport van 1 december 2015 op € 1.214,04 (inclusief btw) en veroordeelt [appellant] om dit bedrag aan de griffier te voldoen op het moment waarop hij daarvoor van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies ontvangt.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, C. Uriot en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.