Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3223

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
23-004493-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal gevolgd van bedreiging met geweld. Voorwaardelijke straf vanwege persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-004493-15

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 15-45481-15 en 15-114091-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juli 2015 in de gemeente Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een winkel gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees en/of douchegel en/of een of meer (zogenaamde) "Breezers", in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd [slachtoffer], als teamleider werkzaam in genoemde winkel, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een of meerm(a)l(en) heeft geslagen en/of heeft gestompt naar en/of in de richting van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] (dreigend) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of die [slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd: "Ik sla door je heen, ik maak je dood" en/of "Als ik niet ziek was geweest, had ik je vermoord" en/of "Ik steek je neer" en/of "Ik heb een mes", althans woorden en/of zinnen van een dergelijke dreigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is onder meer aangevoerd dat bij de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte goederen in zijn winkelwagen legde, hier een tas over heen legde en vervolgens bij de kassa andere goederen wel, maar de zich onder de tas bevindende goederen niet heeft afgerekend. Deze gedragingen duiden naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer op een oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening dat voor het hof dat oogmerk buiten redelijke twijfel is komen te staan en dat de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring dat hij simpelweg ‘vergeten’ is de ten laste gelegde goederen af te rekenen, als onaannemelijk terzijde wordt geschoven.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 juli 2015 in de gemeente Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees en douchegel en "Breezers" toebehorende aan Albert Heijn, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], als teamleider werkzaam in genoemde winkel, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd: "Als ik niet ziek was geweest, had ik je vermoord" en "Ik steek je neer" en "Ik heb een mes", althans woorden van een dergelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ernstig ziek is en dat hij niet in staat is detentie te ondergaan of een werkstraf te verrichten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal die werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen een winkelbediende. De diefstal is op zichzelf al een hinderlijk en vervelend feit, maar de bedreigingen die daarop volgden maken dit vergrijp ernstiger. Aangenomen mag worden dat de verdachte met zijn uitlatingen schrik- en angstgevoelens bij het winkelpersoneel en bij omstanders heeft veroorzaakt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2016 is hij eerder en herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die haar weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze tijdens de terechtzitting in hoger beroep aannemelijk zijn geworden, ziet het hof echter aanleiding om hiervan af te wijken. De verdachte lijdt namelijk aan een agressieve vorm van kanker, ondergaat op dit moment intensieve chemokuren en heeft dagelijks specialistische medische hulp nodig. Gelet hierop acht het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Om de verdachte gedurende langere tijd te weerhouden zich in de toekomst schuldig te maken aan strafbare feiten, zal het hof een proeftijd van drie jaar aan deze straf verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 augustus 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. De politierechter heeft deze vordering geheel toegewezen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft toewijzing van de vordering gevorderd, met dien verstande dat de opgelegde gevangenisstraf zal worden omgezet in een werkstraf.

De raadsman heeft vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht de vordering af te wijzen.

Het hof oordeelt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Vanwege de hierboven beschreven bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het hof de bij het vonnis van 22 augustus 2014 vastgestelde proeftijd met een jaar verlengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het onder parketnummer 15-114091-14 gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 augustus 2014 met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G. Oldekamp en mr. F.W. van Lottum, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 augustus 2016.

mr. F.W. van Lottum en mr. C.J.J. Kwint zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.