Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
200.186.146/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:955
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek beëindiging ouderlijk gezag. Het hof houdt de zaak aan in afwachting van nadere informatie omtrent het perspectief van de minderjarige. Het hof acht een nadere rechterlijke toets noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 2 augustus 2016

Zaaknummer: 200.186.146/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/233983 / FA RK 15-6469

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord‑Holland, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 23 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 10 december 2015 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), met kenmerk C/15/233983 / FA RK 15-6469.

1.3.

De Raad heeft op 7 april 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 27 juni 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van haar persoonlijk begeleider mevrouw [Y] ;

- mevrouw S. Spook, vertegenwoordiger van de Raad;

- de voogd namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar (hierna: de GI).

1.6.

De pleegouders van de hierna te noemen [kind a] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2. De feiten

2.1.

Appellante is de moeder van [A] (hierna: [kind a] ), geboren [in] 2009 en [B] (hierna: [kind b] ), geboren [in] 2012 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). [kind a] verblijft sinds 21 oktober 2015 bij de pleegouders in een gezinshuis en [kind b] verblijft sinds januari 2013 in een perspectief biedend pleeggezin.

2.2.

Bij beschikking van 28 oktober 2009 van de kinderrechter in de rechtbank is [kind a] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd, laatstelijk tot 15 mei 2016. Bij die beschikking is tevens machtiging tot uithuisplaatsing van [kind a] verleend. [kind a] is destijds bij haar grootouders van moederszijde geplaatst. Na een terugplaatsing bij de moeder in 2011 is [kind a] bij beschikking van 15 mei 2012 met een spoedmachtiging opnieuw uit huis geplaatst, welke uithuisplaatsing nadien telkens is verlengd, laatstelijk tot 15 mei 2016.

[kind a] is op 15 mei 2012 (aanvankelijk samen met [kind b] ) opnieuw bij voornoemde grootouders geplaatst. In maart 2013 is [kind a] in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst, in welk gezin [kind b] toen eveneens verbleef. Deze plaatsing was niet succesvol en op 28 juni 2013 is [kind a] in een therapeutisch MTFC‑P pleeggezin van de Bascule geplaatst. Op 17 april 2014 is [kind a] (afzonderlijk van [kind b] ) in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. Ook deze plaatsing was echter niet succesvol, waarna [kind a] op 4 juli 2014 (tijdelijk) is teruggeplaatst in het MTFC‑P pleeggezin van de Bascule. In juni 2015 is [kind a] opnieuw in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. Deze plaatsing was evenmin succesvol, waarna [kind a] op 23 oktober 2015 is geplaatst in het gezinshuis waar zij thans verblijft.

2.3.

De Raad heeft op verzoek van de GI onderzoek verricht naar de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de kinderen noodzakelijk is en hieromtrent op 8 oktober 2015 rapport uitgebracht.

De Raad heeft geconcludeerd dat sprake is van een zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een gezagsbeëindiging noodzakelijk is. Volgens de Raad bestaat de bedreiging uit het feit dat de kinderen al van jongs af aan uit huis zijn geplaatst en ernstige hechtings- en gedragsproblemen hebben die een specifieke opvoeding vergen, bestaande uit onder andere langdurige voorspelbaarheid, duidelijkheid en affectie door vaste opvoeders. Voorts is de verwachting dat de moeder niet in staat is om op een voor de kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te kunnen dragen, hetgeen volgens de Raad blijkt uit het feit dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in wat de kinderen nodig hebben, zij onvoldoende kan aansluiten bij hun opvoedingsbehoeften en de geboden hulp daar geen verandering in heeft gebracht.

2.4.

Er is thans (vanaf juli 2016) een vaste begeleide bezoekregeling tussen de moeder en [kind a] van tweemaal per maand gedurende een uur. Voorts is afgesproken dat de moeder tevens aanwezig mag zijn bij activiteiten van [kind a] .

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op het daartoe strekkende verzoek van de Raad het ouderlijk gezag van de moeder over [kind a] en [kind b] beëindigd, met benoeming van de GI tot voogd.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, naar het hof begrijpt, het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag over [kind a] af te wijzen. Zij legt zich neer bij de beëindiging van haar gezag over [kind b] .

3.3.

De Raad verzoekt het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

4.2.

De moeder betoogt dat haar gezag over [kind a] ten onrechte is beëindigd. Zij meent dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat tot op heden geen perspectief biedend pleeggezin voor [kind a] is gevonden. Zij heeft dus nog geen vaste plek om op te groeien, in tegenstelling tot [kind b] . De moeder stelt dat zij zich niet langer verzet tegen de uithuisplaatsing van [kind a] , doch dat haar huidige opvoedingssituatie niet stabiel is, aangezien sprake is geweest van opeenvolgende plaatsingen en thans nog steeds geen zicht bestaat op een bestendige opvoedingssituatie van [kind a] . Er is dus geen sprake van rust, langdurige voorspelbaarheid en duidelijkheid voor [kind a] . [kind a] lijdt onder de vele wisselingen van haar verblijfplaats. De moeder stelt dat het loslaten van haar gezag en daarmee haar inzet om de omstandigheden waaronder [kind a] opgroeit te verbeteren, haar band met [kind a] zal schaden. De moeder voert voorts aan dat, indien haar gezag over [kind a] wordt beëindigd, zij niet de garantie heeft dat zij (op afstand) zal worden betrokken bij de beslissingen van de GI omtrent de (toekomstige) verblijfplaats van [kind a] en er ook geen rechterlijke toetsing meer zal plaatsvinden van die beslissingen. Zolang er nog geen stabiele opvoedingssituatie voor [kind a] is gevonden, dient haar gezag over [kind a] niet te worden beëindigd, aldus de moeder.

4.3.

De Raad stelt dat de moeder tijdens het raadsonderzoek nog steeds de wens had om zelf voor [kind a] te zorgen, zodat het de vraag is in hoeverre de moeder consistent is in haar bereidheid zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van [kind a] . Voorts acht de Raad de (enkele) omstandigheid dat de moeder zich definitief zou hebben neergelegd bij voortgezette uithuisplaatsing van [kind a] onvoldoende om niet over te gaan tot een gezagsbeëindigende maatregel. De Raad acht het belang van [kind a] bij duidelijkheid over haar opvoedingsperspectief doorslaggevend. Duidelijk is dat het opvoedingsperspectief niet bij de moeder ligt. Dat er nog geen definitieve verblijfplaats is gevonden voor [kind a] , betekent volgens de Raad niet dat een beëindiging van het gezag niet aan de orde is. Bovendien zal er in de praktijk niet veel veranderen, omdat de beslissing over de verblijfplaats van [kind a] in de afgelopen jaren steeds is genomen door de gezinsmanager in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en deze thans door de voogd zal worden genomen, aldus de Raad.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [kind a] een zeer belaste voorgeschiedenis heeft. Zij heeft veel meegemaakt in haar thuissituatie en gedurende haar uithuisplaatsing veel wisselingen van verblijfplaats gekend. [kind a] is op zeer jonge leeftijd voor het eerst uit huis geplaatst vanwege ontoereikende zorg thuis. Er was onder meer sprake van pedagogische onmacht en verwaarlozing. De terugplaatsing van [kind a] bij de moeder in 2011, met 24 uurs-begeleiding van Rosario, is niet gelukt. De moeder heeft de destijds gestelde doelen niet behaald en zij onttrok zich steeds meer aan de hulpverlening, waarna [kind a] opnieuw uit huis is geplaatst. [kind a] werd ten tijde van haar uithuisplaatsing ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Bij [kind a] is sprake van traumagerelateerde en hechtingsproblematiek als gevolg waarvan zij manipulatief gedrag kan vertonen, kan liegen en volwassenen tegen elkaar kan uitspelen. Het hof acht aannemelijk dat [kind a] vanwege haar problematiek veel deskundigheid en specifieke opvoedingsvaardigheden vraagt van haar opvoeders. [kind a] heeft meer dan gemiddeld behoefte aan en baat bij een duidelijke structuur, grenzen en voorspelbaarheid, alsmede een responsieve en sensitieve instelling van haar opvoeders. Zowel voor de grootouders van moederszijde als voor de laatste twee perspectief biedende pleeggezinnen is de opvoeding van [kind a] te zwaar gebleken.

Voorts zijn er aanwijzingen dat de moeder een verstandelijke beperking heeft, althans functioneert op een moeilijk lerend niveau, en onvoldoende leerbaar is, als gevolg waarvan zij onvoldoende inzicht heeft in wat [kind a] nodig heeft en onvoldoende in staat is om aan te sluiten op de specifieke opvoedingsbehoefte van [kind a] . Vast staat dat de moeder en [kind a] een speciale band met elkaar hebben. Gebleken is evenwel dat de moeder haar behoeften niet kan scheiden van die van [kind a] en dat zij tijdens de omgang vooral een kindrol aanneemt in plaats van een opvoedersrol. Mede in aanmerking genomen de problematiek van [kind a] , acht het hof dan ook aannemelijk dat de moeder niet in staat is te voldoen aan de hoge eisen die de verzorging en opvoeding van [kind a] stelt. Het opvoedingsperspectief van [kind a] ligt dus niet bij de moeder. Het is van belang dat [kind a] hieromtrent duidelijkheid verkrijgt, te meer nu de moeder zich in elk geval in het verleden tweeslachtig heeft opgesteld ten aanzien van de uithuisplaatsing van [kind a] , waardoor vraagtekens kunnen worden gesteld bij haar huidige bereidheid die uithuisplaatsing te accepteren. De moeder stelt immers in haar appelschrift nog dat zij haar leven op orde heeft en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij alle hulp, begeleiding en onderzoek zal accepteren om te laten zien dat zij voor [kind a] wil en kan zorgen.

Op grond van het vorenstaande is het hof, met de rechtbank en de Raad, van oordeel dat de moeder duurzaam niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind a] te dragen.

Uit het vorenstaande mag evenwel blijken dat bij het hof grote zorgen bestaan over de wijze waarop tot nu toe aan de uithuisplaatsing van [kind a] invulling is gegeven. Wat er zij van de oorzaken daarvan, het heeft te lang geduurd voor er een definitieve plek voor [kind a] kon worden gevonden. Gezien haar specifieke problematiek is dat in haar geval des te schadelijker. Pas ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [kind a] sinds 21 oktober 2015 verblijft in een gezinshuis en dat het de bedoeling van de GI is dat die plaatsing permanent zal zijn. Het hof is met de moeder van oordeel dat thans evenwel nog onvoldoende duidelijk is of [kind a] (tot haar meerderjarigheid) daadwerkelijk kan opgroeien bij deze pleegouders en aldaar op haar plek is, zoals de voogd namens de GI ter zitting in hoger beroep heeft verklaard. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat [kind a] aldaar nog maar relatief kort verblijft en dat haar plaatsing in het vorige perspectief biedende pleeggezin weliswaar in eerste instantie goed verliep, doch na een aantal maanden alsnog niet succesvol is gebleken. Gezien de voorgeschiedenis van [kind a] acht het hof het in dit geval in het belang van [kind a] dat over enige tijd opnieuw een rechterlijke toets zal plaatsvinden, om te bezien of in hoeverre thans wel sprake is van stabiliteit en continuïteit in de opvoedingssituatie van [kind a] en [kind a] zich thans wel kan richten op een ongestoorde hechting aan haar pleegouders. Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de beslissing omtrent de beëindiging van het gezag van de moeder over [kind a] aan te houden tot na te melden zitting.

Het hof overweegt ten overvloede dat het, gelet op artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet, aan de GI is bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel te bepalen welke jeugdhulp is aangewezen, waaronder in voorkomend geval begrepen de bepaling van de verblijfplaats van de jeugdige. De verklaring namens de GI ter zitting in hoger beroep dat nog afgewacht dient te worden of de gemeente duurzaam middelen beschikbaar zal stellen voor de plaatsing van [kind a] in het gezinshuis, heeft het hof dan ook verbaasd. Uit de systematiek van artikel 3.5. Jeugdwet volgt dat de GI daarover weliswaar met de gemeente dient te overleggen, maar dat de beslissing op casusniveau hierover uiteindelijk aan de GI is. Deze verklaring draagt voorts niet bij aan het door de GI geschetste beeld dat [kind a] zich thans wel in een stabiele opvoedingssituatie bevindt.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet ter terechtzitting van 2 februari 2017 om 9.30 uur;

verzoekt partijen en de GI binnen twee weken na heden het hof te berichten of deze zittingsdatum schikt, dan wel hun verhinderdata kenbaar te maken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016.