Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
200.178.084/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor schade die is ontstaan door medewerking aan factuurfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.178.084/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/568246/HA ZA 14-666

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 augustus 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. G.L. de Gier te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

GEMEENTE AMSTERDAM (BESTUURSCOMMISSIE OOST),

zetelend te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 28 september 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2015, dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen de gemeente als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zal beslissen als aan het slot van de memorie van grieven vermeld.

De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

De gemeente heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 18 februari 2015 onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1.

Op of omstreeks 2 december 2013 ontving de gemeente een factuur ten bedrage van € 186.607,37 van het Afval Energiebedrijf van de gemeente (hierna: AEB). Op de factuur die door de gemeente is ontvangen stond als rekeningnummer vermeld: IBAN: [rekeningnummer 1] .

2.1.2.

Op de factuur die door de gemeente in behandeling is genomen, stond een ander rekeningnummer vermeld: IBAN: [rekeningnummer 2] . Dit is het rekeningnummer van [appellant] .

2.1.3.

Op 10 januari 2014 heeft de gemeente een bedrag van € 186.607,37 overgemaakt op het onder 2.1.2 genoemde bankrekeningnummer van [appellant] . [appellant] heeft van dit bedrag een deel opgenomen en een deel doorgestort naar rekeningen op naam van derden, waaronder [A] , [B] en [C] (hierna gezamenlijk [A] c.s. en ieder afzonderlijk Saris, [B] en [C] ).

2.1.4.

De betrokken banken is ongebruikelijk betalingsverkeer opgevallen. Door de banken zijn vervolgens bedragen “bevroren” of op tussenrekeningen geplaatst. De gemeente heeft ten laste van [appellant] conservatoir beslag gelegd.

2.1.5.

In het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2015 met zaak- en rolnummer 3200648 CV EXPL 14-18396 is ten aanzien van [A] c.s., voor zover hier van belang, het volgende geoordeeld:

“2.5. Gelet op het voorgaande zijn [ [A] c.s., hof] aansprakelijk jegens Gemeente Amsterdam voor de schade die het gevolg is van hun onrechtmatige daad, namelijk het meewerken aan het wegmaken van giraal geld en het (daardoor) benadelen van schuldeisers van [appellant] . Dat wil zeggen dat [A] veroordeeld zal worden tot betaling van € 20.000,00 en [C] en [B] ieder veroordeeld zullen worden tot betaling van € 10.000,00 aan Gemeente Amsterdam. Zij zijn niet met [appellant] hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel, omdat niet is komen vast te staan dat gedaagden [ [A] c.s., hof] rechtstreeks betrokken waren bij het plan van de factuurfraude. Bovendien kan jegens de derde die geen partij is in deze procedure geen verklaring voor recht worden gegeven. De daarop gerichte gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

2.6.

Wel geldt dat de schade die het gevolg is van de benadeling van de schuldeisers – in beginsel – dezelfde schade is als de schade die de oorspronkelijk schuldenaar aan de schuldeiser dient te vergoeden. Dat wil zeggen dat – op grond van artikel 6:102 BW – een partij die onrechtmatig heeft gehandeld door schuldeisers van een derde te benadelen, in beginsel hoofdelijk met die derde aansprakelijk is tot de hoogte van het bedrag van de benadeling, zodat in dit geval – en uitgaande van aansprakelijkheid van [appellant] jegens Gemeente Amsterdam – gedaagden ieder voor zich hoofdelijk met [appellant] aansprakelijk zijn tot de hoogte van het bedrag dat zij dienen terug te betalen.”

3 Beoordeling

3.1.

De gemeente heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling aan de gemeente van € 186.607,37 met rente en kosten. Daarnaast heeft de gemeente, na wijziging van eis, een verklaring voor recht gevorderd dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeente en de daardoor geleden schade dient te vergoeden, alsmede een verklaring voor recht dat [appellant] hoofdelijk met [A] c.s. dan wel afzonderlijk aansprakelijk is voor de geleden schade.

3.2.

In het tussenvonnis van 18 februari 2015 heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat [appellant] ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat op een factuur een rekeningnummer zou worden gewijzigd in zijn bankrekeningnummer en dat hij bedragen die door hem en anderen zijn opgenomen, heeft afgedragen aan een of meer anderen die bij deze fraude betrokken waren. Door zijn bankrekeningnummer ter beschikking te stellen voor deze factuurfraude heeft [appellant] volgens de rechtbank onrechtmatig gehandeld jegens de gemeente en is hij gehouden de door de gemeente geleden schade te vergoeden, welke schade in beginsel € 186.607,37 bedraagt. Gelet op het verweer van [appellant] dat een deel van de schade reeds door [appellant] of door derden is vergoed, heeft de rechtbank de gemeente in de gelegenheid gesteld een overzicht in het geding te brengen van de bedragen die door de gemeente al ontvangen zijn of door een bank voor de gemeente gehouden worden. De rechtbank heeft tevens beslist dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn.

3.3.

In het bestreden eindvonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de gemeente geleden schade € 166.607,37 bedraagt omdat de gemeente onbetwist heeft gesteld dat een bedrag van € 20.000,00 reeds is terugbetaald door derden. [appellant] is bij dat vonnis veroordeeld tot betaling van eerstgenoemd bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2014 tot aan de voldoening. De gevorderde verklaringen voor recht zijn afgewezen. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat jegens [A] c.s. geen verklaring voor recht kan worden gegeven omdat zij geen partij zijn in deze procedure, maar dat het wel zo is dat artikel 6:102 BW bepaalt dat twee of meer partijen op wie de verplichting rust tot het vergoeden van dezelfde schade, hoofdelijk verbonden zijn. Verder heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling aan de gemeente van € 2.441,07 aan buitengerechtelijke incassokosten op gronden zoals in het tussenvonnis vermeld, € 2.642,05 aan beslagkosten en € 6.867,30 aan proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4.

In de grieven 1 en 4 betoogt [appellant] , naar de kern genomen, dat het bedrag dat [A] c.s. op grond van het vonnis van 10 juli 2015 (zie 2.1.5.) aan de gemeente dienen terug te betalen (€ 40.0000,00), in mindering moet worden gebracht op het bedrag dat hij, [appellant] , aan de gemeente moet betalen. Volgens [appellant] kan het niet de bedoeling zijn dat de gemeente zowel van [appellant] als van [A] c.s. betaling kan vorderen van hetzelfde bedrag. De gemeente zou in dat geval twee keer hetzelfde bedrag kunnen innen, aldus [appellant] . Daarnaast stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant] en [A] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de genoemde schade van € 40.000,00. Hiertoe voert hij aan dat de schadevergoedingsverplichtingen van hem en [A] c.s. niet voortvloeien uit “dezelfde schade” als bedoeld in 6:102 lid 1 BW, omdat daaraan verschillende onrechtmatige gedragingen ten grondslag liggen (het onrechtmatig handelen van [appellant] bestaat uit het ter beschikking stellen van zijn bankrekeningnummer voor de factuurfraude terwijl het onrechtmatig handelen van [A] c.s. bestaat uit het meewerken aan het wegmaken van giraal geld en het (daardoor) benadelen van schuldeisers van [appellant] ).

3.5.

Het hof stelt voorop dat [appellant] niet kan worden veroordeeld tot betaling van bedragen die reeds aan de gemeente zijn terugbetaald. Gesteld noch gebleken is echter dat het bedrag van € 40.000,00 (geheel of gedeeltelijk) aan de gemeente is betaald. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat die schade van de gemeente reeds is vergoed, zodat genoemd bedrag niet (om die reden) in mindering kan worden gebracht op de vergoedingsplicht van [appellant] .

3.6.

Het hof neemt voorts tot uitgangspunt dat indien op twee of meer partijen de verplichting rust tot het vergoeden van dezelfde schade, zij op grond van artikel 6:102 lid 1 BW hoofdelijk verbonden zijn. Dit brengt mee dat de benadeelde ieder van hen voor zijn gehele schade kan aanspreken, uiteraard met dien verstande dat hij niet méér dan zijn totale schade vergoed krijgt (vlg. artikel 6:7 BW).

3.7.

Anders dan [appellant] betoogt, zijn [appellant] en [A] c.s. naar het oordeel van het hof veroordeeld tot vergoeding van dezelfde schade als bedoeld in artikel 6:102 lid 1 BW. Het gaat immers om schade die het gevolg is van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten de factuurfraude waaraan zowel [appellant] als [A] c.s. hun medewerking hebben verleend. Dat zij dat op verschillende manieren hebben gedaan ( [appellant] door het ter beschikking stellen van zijn bankrekeningnummer en [A] c.s. door het wegmaken van giraal geld), maakt het voorgaande niet anders. Dit betekent dat [appellant] en [A] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van de gemeente tot een bedrag van € 40.000,00. Dat het volgens [appellant] niet de bedoeling kan zijn dat de gemeente zowel van hem als van [A] c.s. betaling kan vorderen van hetzelfde bedrag, stuit af op de aard en strekking van artikel 6:102 lid 1 BW zoals hiervoor in 3.6 vermeld. Grieven 1 en 4 falen derhalve.

3.8.

In grief 2 heeft [appellant] aangevoerd dat, omdat de hoofdsom met € 40.000,00 moet worden verminderd, ook de toegewezen wettelijke rente moet worden verminderd. Reeds op grond van hetgeen hiervoor in 3.5 t/m 3.7 is geoordeeld faalt deze grief.

3.9.

Gezien deze uitkomst is [appellant] terecht veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Grief 3 faalt derhalve eveneens.

3.10.

In het petitum van de memorie van grieven heeft [appellant] nog gevorderd dat de buitengerechtelijke incassokosten zullen worden vastgesteld op € 1.500,00 en de beslagkosten op € 1.000,00. Tegen de desbetreffende veroordelingen heeft [appellant] echter geen grieven gericht en - voor zover hij daartegen wel grieven heeft gericht - kunnen deze, zonder toelichting, niet tot een ander oordeel leiden.

3.11.

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3.12.

[appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 5.160,00 aan verschotten en € 2.632,00 voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, R.J.M. Smit en M.J. Schaepman- de Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016.