Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3158

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
23-005164-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling conducteur NS. Een conducteur van de NS is niet reeds vanuit die hoedanigheid een ambtenaar i.d.z.v. art. 304 Sr. Vrijspraak van dat onderdeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005164-15

datum uitspraak: 1 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-164044-15 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 20 februari 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [slachtoffer], conducteur bij de Nederlandse Spoorwegen, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] eenmaal of meermalen (met kracht) vast te pakken / grijpen en/of (uit de trein) te trekken en/of te duwen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] op het perron is gevallen en/of voornoemde [slachtoffer] tegen/op/in zijn gezicht te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen (zulks terwijl die [slachtoffer] op het perron lag).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij op 20 februari 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [slachtoffer], conducteur bij de Nederlandse Spoorwegen, heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en uit de trein te trekken ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op het perron is gevallen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere overwegingen ten aanzien van de bewezenverklaring

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte de heer [slachtoffer] niet opzettelijk uit de trein heeft getrokken maar dat verdachte uit de trein viel toen de treindeur waar hij tegen aan leunde onverwacht openging en hij daarbij [slachtoffer] in zijn val per ongeluk heeft meegetrokken.

Het hof overweegt als volgt.

De verklaring die de aangever bij de politie heeft afgelegd houdt in dat de verdachte “buiten op het perron” stond en dat de verdachte hem toen “naar buiten trok”. De verklaring van de getuige [getuige] bij de politie houdt in, dat zodra de deur openging, de verdachte de conducteur vastgreep en hem mee naar buiten sleurde. Gelet op deze verklaringen acht het hof bewezen dat de verdachte bij het verlaten van de trein de heer [slachtoffer] niet per ongeluk maar juist opzettelijk en met kracht uit de trein heeft getrokken.

Het hof zal de verdachte vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging, inhoudende (kortweg) dat de verdachte [slachtoffer] ook tegen het gezicht heeft geschopt of geslagen. De aangever is in zijn verklaring bij de politie niet zeker over de precieze toedracht van de klap of trap die hij voelde, en geen van de getuigen heeft gezien dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft getrapt of heeft geslagen toen het slachtoffer op het perron lag.

De tenlastelegging houdt voorts in dat de verdachte de heer [slachtoffer] in zijn hoedanigheid van conducteur bij de NS, gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld. Gezien de vermelding van art. 403 aanhef onder 2 Sr op de inleidende dagvaarding, is hiermee kennelijk bedoeld als strafverzwarende omstandigheid ten laste te leggen dat de verdachte een ambtenaar heeft mishandeld, als bedoeld in dat artikel. Nu evenwel een conducteur van de NS niet reeds vanuit die hoedanigheid als een ambtenaar kan worden aangemerkt (vlg. HR 7 april 2009, HR:2009:BG7743), kan op dit onderdeel niet een bewezenverklaring volgen. Dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de heer [slachtoffer] tevens buitengewoon opsporingsambtenaar was, maakt dat bij de huidige redactie van de tenlastelegging niet anders.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich buitengewoon ergerlijk gedragen toen een conducteur van de Nederlandse Spoorwegen bij een controle constateerde dat de verdachte niet met zijn eigen OV-kaart, maar met de OV-kaart van zijn moeder reisde. In plaats van de conducteur zijn werk te laten doen is hij gaan staan, de conducteur gevolgd, en is hij (zoals hij ter zitting desgevraagd ook heeft bevestigd) dicht op de conducteur gaan staan, zo dicht zelfs dat de conducteur zich genoodzaakt voelde de verdachte met zijn hand van zich af te houden. De verdachte heeft daarbij voortdurend om zijn pasjes gevraagd en heeft uiteindelijk zelfs geprobeerd de pasjes van de conducteur weg te grissen. Er is een handgemeen ontstaan, en uiteindelijk heeft de verdachte de conducteur zelfs uit de trein getrokken. Voor dit laatste wordt hij nu veroordeeld voor mishandeling.

Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij een conducteur, die als handhaver continu onbekenden tegemoet moet treden, in een ernstig dreigende situatie heeft gebracht en hem heeft mishandeld. Dit soort gedrag is niet alleen uiterst vervelend voor de conducteur, maar zorgt ook voor onrust bij de overige passagiers en in bredere zin voor een algeheel gevoel van onveiligheid bij het publiek dat veilig met de trein wil kunnen reizen. De verdachte ziet ook nog steeds niet in dat hij degene is die verkeerd heeft gehandeld. Hij blijft de conducteur verwijten dat die hem heeft aangeraakt terwijl hijzelf veel te dicht op de conducteur is gaan staan, die niets anders aan het doen was dan zijn werk.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor zwartrijden.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 429. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 350. De (gemachtigde van de) benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Dat er, zoals gesteld door de raadsvrouw, sprake is van eigen schuld van de benadeelde die aan toewijzing van dit deel van de vordering in de weg zou staan is op grond van de bekend geworden feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van
mr. M.E. Olthof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 augustus 2016.

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........]

[........][........][........]

[........][........][........]

[........][........][........]

[........]

[........][........][........]

[........]

[........][........]

[........][........][........][........]

[........]