Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3104

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
15/00595
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:937
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; integratielevering; doorslaggevend voor het recht op aftrek is het voorgenomen gebruik van de in geding zijnde parkeerplaatsen en niet – zoals de rechtbank heeft beslist – de feitelijke situatie. Belanghebbende slaagt er evenwel niet in het door haar gestelde voorgenomen gebruik – belaste verhuur – aannemelijk te maken. Gegeven de omstandigheden van het geval, komt het Hof voor wat betreft de bestemming in goede justitie uit op een verdeling in helfte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1774
V-N 2016/45.1.4
FutD 2016-1952 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 15-06-2018
NTFR 2016/2208 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00595

14 juni 2016

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

Fiscale Eenheid [X] B.V. [Y] B.V. cs, te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: W.A. Rouwenhorst FB

tegen de uitspraak van 12 juni 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/4087 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De inspecteur heeft met dagtekening 25 november 2013 aan belanghebbende voor het

tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 346.552.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 juni 2014, de naheffingsaanslag verminderd tot € 281.238.

1.3.

Bij uitspraak van 12 juni 2015 – waarin belanghebbende en de inspecteur telkens zijn aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’ – heeft de rechtbank als volgt beslist:

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 72.254 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.312;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328 aan eiseres te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 juli 2015 en aangevuld bij brief van 3 september 2015. Namens belanghebbende is een verweerschrift ingediend, waarbij tevens incidenteel hoger beroep is ingesteld. De inspecteur heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door het Hof, geen verweerschrift ingediend naar aanleiding van het incidentele hoger beroep.

1.5.

Op 3 mei 2016 zijn per mail nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Een kopie daarvan is verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 7 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“1. Eiseres heeft in het kader van haar onderneming [Gebouw Q] , met de daaronder gelegen parkeerkelder, gerealiseerd in [Z] . [Gebouw Q] is gerealiseerd op een perceel grond dat is vrijgekomen na de sloop van de oorspronkelijk op het perceel aanwezige [onroerende zaak]. [Gebouw Q] is omstreeks juni 2011 overeenkomstig de bestemming in gebruik genomen. Op de begane grond van het complex bevindt zich een gezondheidscentrum waar onder andere huisartsen, een apotheek, een winkeltje, een grand café en een kapsalon zijn gevestigd. Boven het gezondheidscentrum zijn 30 verzorgingshuisplaatsen, 36 verpleeghuisplaatsen en 37 zelfstandige woonappartementen (hierna: de appartementen) gerealiseerd. Onder het complex bevindt zich een parkeerkelder, met 44 genummerde parkeerplaatsen. Het gezondheidscentrum en de parkeerkelder zijn voor toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) als afzonderlijke onroerende zaken te beschouwen.

2. De 37 appartementen verhuurt eiseres rechtstreeks aan particulieren, waarbij de vergoeding onder de huurtoeslaggrens ligt. Ter zake van de verhuur van het gedeelte van de apotheek aan [naam apotheek] in het gezondheidscentrum hebben [naam BV] B.V. en de [naam apotheek] geopteerd voor een btw-belaste verhuur zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 5o, van de Wet OB.

De ondergrondse parkeerplaatsen verhuurt eiseres op basis van een afzonderlijke overeenkomst en tegen een afzonderlijke vergoeding aan de diverse gegadigden.

3. Eind 2011 waren 16 parkeerplaatsen verhuurd. Van deze parkeerplaatsen verhuurt eiseres 13 plaatsen aan huurders van appartementen en 3 aan de apotheek. De verhuur van de 3 parkeerplaatsen aan de apotheek is op 1 juni 2011 ingegaan, de overige verhuurde parkeerplaatsen kennen allemaal een latere huuringangsdatum en ingebruikname (respectievelijk 9 juni, 20 juni en 28 juni 2011). Op 1 juni 2011 was al wel bekend dat deze parkeerplaatsen verhuurd zouden worden aan huurders van de appartementen, maar waren de huurovereenkomsten nog niet getekend. De overige 28 parkeerplaatsen zijn eind 2011 nog niet verhuurd.

4. De totale voortbrengingskosten van [Gebouw Q] bedragen € 21.179.812, exclusief btw. Ter zake van de realisatie van de appartementen (103 in totaal) heeft eiseres het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1994, VB94/3619 toegepast. Eiseres heeft de btw op de bouwkosten toerekenbaar aan de appartementen daarom niet als voorbelasting in aftrek gebracht en geen integratielevering toegepast bij de ingebruikname van de appartementen.

5. Eiseres heeft de omzetbelasting die toerekenbaar was aan de parkeerkelder en het gezondheidscentrum – op basis van een destijds gemaakte globale en voorlopige inschatting bepaald op 15% van de totale m2 – tijdens de bouwfase (3e kwartaal 2009 t/m 4e kwartaal 2011) als voorbelasting in aftrek gebracht. De afgetrokken voorbelasting betreft een bedrag van € 530.567. Ten aanzien van het gezondheidscentrum geldt dat de daarin opgenomen ruimten vrijgesteld van btw worden verhuurd. Dit met uitzondering van de aan de apotheek verhuurde ruimte, die btw-belast wordt verhuurd. Bij ingebruikname van het gezondheidscentrum was eiseres derhalve btw verschuldigd ingevolge de integratielevering.

6. Eiseres heeft vorenstaande als volgt in de aangifte verwerkt:

In aftrek gebrachte voorbelasting tijdens de bouwfase € 530.567

Btw voldaan ingevolge integratielevering -/- € 401.950

Aftrek overeenkomstig de bestemming (apotheek) € 288.626

-------------- +

Saldo (teruggevraagd via de btw-aangifte) € 417.243

7. Op 25 november 2013 heeft verweerder aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [kenmerk] ) omzetbelasting opgelegd van € 346.579, inclusief € 27 aan heffingsrente. Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen:

Verschuldigd wegens integratieheffing parkeerkelder -/- € 431.039

Aftrekbare voorbelasting 3 parkeerplaatsen € 29.389

Aftrek voorbelasting bouwfase € 382.203

Reeds ontvangen btw -/- € 389.083

------------ +

Totaal parkeerkelder -/- € 408.530

De naheffingsaanslag is dan € 408.530 minus € 61.978 (teruggaaf gezondheidscentrum) = € 346.552.”

2.2.

Het Hof gaat uit van voormelde feiten en vult deze als volgt aan.

  • -

    Op de etage -1, de etage waar zich de 44 genummerde parkeerplaatsen bevinden, zijn tevens fietsenstallingen en bergingen. Deze stallingen en bergingen zijn exclusief bestemd voor de bewoners van de bovengelegen appartementen. Voor het gebruik van de fietsenkelder en bergingen zijn de bewoners geen aparte vergoeding verschuldigd; deze is begrepen in de huursom;

  • -

    De woningen zijn feitelijk in gebruik genomen per 1 juni 2011;

  • -

    Recentelijke (in 2015/2016) zijn 3 parkeerplaatsen (met btw) verhuurd aan niet bewoners/particulieren. Ten tijde van de zitting waren er 3 parkeerplaatsen (met btw) verhuurd aan de apotheker; 3 parkeerplaatsen (btw belast) verhuurd aan niet bewoners en 12 parkeerplaatsen verhuurd aan bewoners. Er waren op dat moment 26 niet verhuurde parkeerplaatsen.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is het geschil beperkt tot het antwoord op de vraag tot welk bedrag de omzetbelasting die is verschuldigd ter zake van de zogenoemde integratielevering, welk bedrag als zodanig niet in geschil is, bij belanghebbende voor aftrek in aanmerking komt op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Voor de cijfermatige onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de feiten (onderdelen 6 en 7 van de rechtbank).

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 3, derde lid, letter b, van de Wet (tekst 2011) luidt – voor zover hier van belang –als volgt:

“ (…) 3. Met een levering onder bezwarende titel (…) worden gelijkgesteld (...):

b. het door een ondernemer voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van in het eigen bedrijf vervaardigde goederen in de gevallen waarin, indien de goederen van een ondernemer zouden zijn betrokken, hij geen recht zou hebben op de volledige aftrek van de op die goederen drukkende belasting.”

4.2.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat zich een integratielevering in voornoemde zin heeft voorgedaan bij de eerste ingebruikname [op 1 juni 2011] van de parkeeretage in het complex genaamd [Gebouw Q] te [Z] . Tussen partijen is evenmin in geschil dat deze integratielevering enkel de parkeeretage (etage -1) omvat. Het Hof zal zich bij dit gezamenlijke standpunt van partijen aansluiten.

4.3.

In de parkeeretage bevinden zich behoudens 44 genummerde parkeerplaatsen ook bergingen en fietsenstallingen die exclusief bestemd zijn voor bewoners van de bovengelegen appartementen. [Gebouw Q] bestaat daarnaast uit 103 appartementen (eerste etage) alsmede een grand café, een kapsalon en een gezondheidscentrum waaronder een huisartsenpraktijk en een apotheek op de begane grond. De apotheker heeft met ingang van 1 juni 2011 drie in het complex gelegen parkeerplaatsen (belast met omzetbelasting) van belanghebbende gehuurd. Eind 2011 waren door belanghebbende bovendien dertien parkeerplaatsen verhuurd aan bewoners van de bovengelegen appartementen. De resterende parkeerplaatsen (28) waren niet verhuurd.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de drie aan de apotheker verhuurde parkeerplaatsen, leiden tot recht op vooraftrek (van 3/44 deel van) de ter zake van de integratielevering verschuldigde btw.

4.5.

In hoger beroep is, gezien het incidenteel appel van belanghebbende, in geschil of de verhuur in 2011 van de dertien parkeerplaatsen aan de bewoners van de bovengelegen appartementen, al dan niet is vrijgesteld van omzetbelasting. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, nu de verhuur van parkeerplaatsen als zodanig door de wetgever is uitgezonderd van de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken, deze verhuur leidt tot een additioneel recht op vooraftrek van 13/44 deel van de ter zake van de integratielevering verschuldigde omzetbelasting. Belanghebbende stelt dat de verhuur van parkeerplaatsen aan de bewoners ten onrechte tezamen met de verhuur van de appartementen is aangemerkt als één economische (vrijgestelde) verhuurhandeling. Belanghebbende beroept zich ter zake op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 4 juni 2009, zaak C-102/08, Salix Grundstücks-Vermietungsgesellschaft mbH & Co. Objekt Offenbach KG (hierna: Salix). Belanghebbende stelt dat het HvJ in Salix is teruggekomen op het arrest van het HvJ van 13 juli 1989, zaak 173/88, Skatteministeriet tegen Morten Henriksen (hierna: Morten Henriksen).

4.6.

De rechtbank heeft ten aanzien van deze 13 parkeerplaatsen overwogen dat zowel de parkeerplaatsen als de appartementen deel uitmaken van één onroerend complex; dat de appartementen en de parkeerplaatsen door dezelfde verhuurder, belanghebbende, aan dezelfde huurders zijn verhuurd en dat onder deze omstandigheden de verhuur van een appartement en een parkeerplaats als één economische handeling moet worden aangemerkt zodat de verhuur van de parkeerplaatsen deelt in de vrijstelling voor de verhuur van de appartementen. De rechtbank heeft dit oordeel mede gebaseerd op het voornoemde arrest van het HvJ Morten Henriksen.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof is de rechtbank aldus op goede gronden tot een juist oordeel gekomen. Het Hof neemt dit oordeel alsmede de gronden waarop het berust over en maakt die tot de zijne. Anders dan belanghebbende, leest het Hof in Salix niet dat het HvJ daarin is terugkomen op hetgeen is overwogen in r.o. 16 van Morten Henriksen. Dat in Salix niet expliciet wordt verwezen naar r.o. 16 van Morten Henriksen, is daartoe onvoldoende.

4.8.

Ook in hoger beroep heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat zij aan het besluit van 14 juli 2009 van de Staatssecretaris van Financiën, nr. CPP2008/137M, in het bijzonder paragraaf 7.4.3, punt 2, het vertrouwen kan ontlenen dat de verhuur van parkeerplaatsen aan de bewoners moet worden aangemerkt als de belaste verhuur van parkeerplaatsen nu de onderhavige verhuur is vastgelegd in een afzonderlijke overeenkomst. Het Hof verwerpt deze grief. Ter toelichting dient het volgende. In de genoemde paragraaf wordt onder punt 1 aangegeven dat de verhuur van parkeerruimte op gaat in de verhuur van bijvoorbeeld een woning, als beide deel uitmaken van hetzelfde gebouwencomplex en door dezelfde eigenaar aan dezelfde huurder worden verhuurd. Het Hof is van oordeel dat het gestelde in punt 2 moet worden uitgelegd in het licht van het gestelde in punt 1 en voorts dat aan het gestelde in punt 1 niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat een geval als het onderhavige daar niet onder kan worden begrepen.

4.9.

In geschil is voorts, gelet op het hoger beroep van de inspecteur, of de ultimo 2011 niet verhuurde parkeerplaatsen, 28 in getal, leiden tot een additionele aftrek van de ter zake van de integratielevering verschuldigde omzetbelasting.

4.10.

De rechtbank heeft in onderdeel 17 van haar uitspraak ter zake geoordeeld:

“(…) Uit de bewoordingen in punt 39 van het arrest Salix is af te leiden dat het hierbij, anders dan verweerder voorstaat, niet gaat om de vraag of de intentie bestaat om de parkeerplaats belast of vrijgesteld te verhuren, maar om de feitelijke situatie. Nu de verhuur van deze parkeerplaatsen niet feitelijk één economische handeling vormt met de verhuur van een ander onroerende zaak en de intentie niet relevant is, is geen sprake van een uitzondering op de hoofdregel en is sprake van belaste verhuur op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 3º, van de Wet OB. Deze uitleg verdraagt zich bovendien goed met een van de algemene uitgangspunten in de jurisprudentie, namelijk dat uitzonderingen op een vrijstelling – die een bevestiging zijn van de hoofdregel dat de btw op alle belastbare prestaties van toepassing is – ruim dienen te worden uitgelegd. (…)”

4.11.

Anders dan de rechtbank, is het Hof van oordeel dat voor het recht op aftrek van de in geding zijnde voorbelasting het voorgenomen gebruik van de parkeerplaatsen doorslaggevend is. Het Hof baseert dit oordeel op het arrest van het HvJ van 18 oktober 2012, C-234/11, TETS Haskovo, waarin is overwogen “(…) dat het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik [cursivering Hof] van de goederen of diensten bepalend is voor de omvang van de aanvankelijke aftrek waarop de belastingplichtige recht heeft en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden (…)’.

4.12.

Aangaande de bewijslastverdeling heeft naar het oordeel van het Hof te gelden dat het aan de belastingplichtige die aftrek wenst is om te bewijzen dat en in hoeverre hij daar recht op heeft. Dat volgt uit het arrest van het HvJ van 26 september 1996, Enkler, C-230/94 waarin in punt 24 wordt overwogen:

“Er zij aan herinnerd, dat degene die voorbelasting wenst af te trekken, moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan en, inzonderheid, dat hij voldoet aan de criteria om als belastingplichtige te worden aangemerkt. Artikel 4 van de Zesde richtlijn verzet zich er derhalve niet tegen, dat de belastingdienst verlangt dat de wilsverklaring wordt ondersteund door objectieve gegevens (…). Daaruit volgt, dat de administratieve of rechterlijke instantie die zich over het probleem moet uitspreken, alle gegevens moet beoordelen die een bepaald geval kenmerken (…).”

4.13.

Naar het oordeel van het Hof geldt deze bewijsregel niet alleen voor het bewijs van optreden als belastingplichtige, maar evenzeer voor de omvang van de te effectueren aftrek, zowel in het geval dat sprake is van ‘daadwerkelijk gebruik’, als wanneer sprake is van ‘voorgenomen gebruik’. In dat laatste geval, dat zich hier voordoet, kan van de belanghebbende ten bewijze van (de realiteit van) het voorgenomen gebruik – belast of vrijgesteld of een combinatie daarvan – gevraagd worden dat zij haar voornemen onderbouwt met objectieve gegevens.

4.14.

Belanghebbende stelt in dat kader dat alle 28 parkeerplaatsen bestemd waren om belast te worden verhuurd. De verhuur van parkeerplaatsen is als zodanig door de wetgever uitgezonderd van de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken. Belanghebbende heeft ter zitting van het hof drie recentelijk met buurtbewoners gesloten verhuurcontracten overgelegd ten bewijze van haar stelling dat belaste verhuur een reële bestemming is.

4.15.

De inspecteur voert aan dat belanghebbende de gestelde ‘belaste’ bestemming in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij verwijst daarbij naar het feit dat [Gebouw Q] is gelegen in een buitenwijk van [Z] in de omgeving waarvan voor parkeren niet hoeft te worden betaald, dat zich in de jaren na de eerste ingebruikname geen ‘externe’ huurders hebben aangediend en dat zich achter [Gebouw Q] een groot gratis toegankelijk parkeerterrein bevindt voor bezoekers zodat het objectief bezien zo goed als is uitgesloten dat de resterende parkeerplaatsen aan anderen dan bewoners van de bovengelegen appartementen worden verhuurd. Dat belanghebbende inmiddels wel drie parkeerplaatsen heeft verhuurd aan omwonenden doet aan dit standpunt onvoldoende af, aldus de inspecteur.

4.16.

Het Hof stelt voorop dat het recht op aftrek in deze zaak, samenvalt met het tijdstip van de integratielevering; dat belanghebbende in dat tijdvak (juni 2011) diende te bepalen of en in hoeverre het bestemde gebruik van het goed (etage -1), aanleiding gaf tot aftrek van voorbelasting. Dit een en ander volgt uit artikel 15, vierde lid, van de Wet waarin is bepaald dat de aftrek moet geschieden overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten. Bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar dient vervolgens een herziening van de aftrek plaats te vinden op basis van de voor het gehele boekjaar geldende gegeven (artikel 12 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968).

4.17.

Zoals hiervoor overwogen, rust op belanghebbende de last om de realiteit van de door haar gestelde bestemming aannemelijk te maken. Gelet op de door de inspecteur aangevoerde argumenten: de ligging van [Gebouw Q] aan de rand van de stad en de aldaar volop aanwezige gratis toegankelijke parkeergelegenheid en het feit dat niet eerder dan in 2015 een verhuurcontract is gesloten met een ‘externe’ partij, acht het Hof aannemelijk dat de externe markt voor de onderhavige parkeerplaatsen – zijnde een markt buiten de bewoners van de bovengelegen appartementen – toentertijd klein was. Dit houdt in dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende de realiteit van het voorgenomen volledige belaste gebruik, onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve gegevens. Belanghebbende is in zoverre niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast.

4.18.

Ter zitting van het Hof zijn namens belanghebbende drie recentelijk gesloten verhuurovereenkomsten overgelegd (uit 2015 en 2016). Dit betreffen huurovereenkomsten met particuliere buurtbewoners. Tussen partijen is niet geschil dat deze verhuur belast is met omzetbelasting op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, ten derde, van de Wet. Mede gezien deze verhuurcontracten, verwerpt het Hof de stelling van de inspecteur dat de bestemming van de ultimo 2011 niet verhuurde parkeerplaatsen enkel ‘vrijgestelde verhuur’ kan zijn geweest, omdat verhuur aan anderen dan bewoners van de bovengelegen appartementen, objectief beschouwd, niet te verwachten viel.

4.19.

Gezien het voren overwogene, ziet Hof ziet aanleiding om aan de hand van de beschikbare objectieve gegevens, de bestemming van de parkeergarage zelf te bepalen. Gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals beschreven onder 4.17 en 4.18 acht het Hof veeleer een ‘gemengde’ bestemming van de ultimo 2011 niet verhuurde parkeerplaatsen aannemelijk: dat willen zeggen dat de parkeerplaatsen deels bestemd waren voor vrijgestelde verhuur (bij verhuur aan bewoners van de bovengelegen appartementen) en deels bestemd waren voor belaste verhuur (bij verhuur aan anderen dan bewoners van de bovengelegen appartementen). Belanghebbende heeft de parkeerplaatsen ook aan die beide doelgroepen aangeboden.

4.20.

Bij de vaststelling van een daarbij passend mengpercentage is het Hof aan de hand van de door partijen aangedragen feiten, bewijsmiddelen en argumenten, in goede justitie uitgekomen op een verdeling bij helfte: dat houdt in dat het Hof zal aannemen dat 50% van de 28 parkeerplaatsen bestemd waren voor belaste verhuur, en 50% voor vrijstelde verhuur.

Nu partijen geen verschil van mening hebben over de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunten, acht het Hof bij deze uitkomst tussen partijen evenmin in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met 14/28 deel van € 72.254 (zie voor dit bedrag onderdeel 19 van de uitspraak van de rechtbank), ofwel € 36.127.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is en het incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond;

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag met € 36.127 tot op € 245.111 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, E. Polak en S. Beelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck, als griffier. De beslissing is op 14 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.