Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:3036

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
200.172.453/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:2709, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om alimentatie door jongmeerderjarige. Jongmeerderjarige beroept zich daarbij op in het echtscheidingsconvenant van haar ouders ten behoeve van haar gemaakte derdenbeding dan wel op artikel 1:392 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2016/85
PFR-Updates.nl 2016-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 26 juli 2016

Zaaknummer: 200.172.453/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/156539 / FA RK 14-1714

in de zaak in hoger beroep van:

[jongmeerderjarige a] ,

wonende te [woonplaats a]

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Verhoog te Bergen NH,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. K.C.G.M. Suijker te Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk [jongmeerderjarige a] en de man genoemd.

1.2.

[jongmeerderjarige a] is op 30 juni 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 april 2015 van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar), met kenmerk C/14/156539 / FA RK 14-1714.

1.3.

De man heeft op 3 augustus 2015 een verweerschrift ingediend en daarbij - naar het hof begrijpt - voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

[jongmeerderjarige a] heeft op 14 september 2015 een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De man heeft op respectievelijk 12 en 13 november 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

[jongmeerderjarige a] heeft op respectievelijk 13 en 19 november 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 23 november 2015 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- [jongmeerderjarige a] , bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1.

Uit het huwelijk van de man met [de vrouw] (hierna: de vrouw) is [jongmeerderjarige a] geboren op [datum] 1992. Voorts is uit dit huwelijk geboren [jongmeerderjarige b] (hierna: [jongmeerderjarige b] ) [in] 1996 (hierna gezamenlijk: de kinderen). Het huwelijk is op 14 augustus 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 8 augustus 2002 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is overeenkomstig het door de man en de vrouw op 16 juli 2002 overeengekomen echtscheidingsconvenant bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 250,- per kind per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2013 € 312,20 per kind per maand, met ingang van 1 januari 2014 € 315,01 per kind per maand, met ingang van 1 januari 2015 € 317,53 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2016 € 321,66 per kind per maand.

2.3.

In artikel 3.6 van voormeld echtscheidingsconvenant zijn de man en de vrouw het volgende derdenbeding overeengekomen:

“De man verplicht zich aan [jongmeerderjarige a] en [jongmeerderjarige b] , zodra zij de leeftijd van 21 jaar bereiken, een (studie)bijdrage te betalen zolang [jongmeerderjarige a] en [jongmeerderjarige b] met redelijke resultaten en in overleg met hem met een beroepsopleiding bezig zijn of studeren, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop [jongmeerderjarige a] , dan wel [jongmeerderjarige b] de leeftijd van 25 jaar bereikt. Dit beding ten behoeve van [jongmeerderjarige a] en [jongmeerderjarige b] is onherroepelijk, zodat [jongmeerderjarige a] en [jongmeerderjarige b] het recht hebben om zonodig nakoming van dit beding te vorderen.

De ondertekening van dit convenant geldt tevens als aanvaarding van dit beding door partijen als wettelijk vertegenwoordigers van [jongmeerderjarige a] en [jongmeerderjarige b] .”

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van [jongmeerderjarige a] is het volgende gebleken.

Zij woont bij de vrouw. Zij heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld vanaf haar 21e verjaardag € 150,- per maand aan kostgeld aan de vrouw te betalen.

Zij heeft op 3 juli 2014 het diploma ontvangen voor het middelbaar beroepsonderwijs van het Hout en Meubileringscollege met kwalificatie interieuradviseur, een MBO-4 opleiding. Met ingang van 1 september 2014 volgt zij de opleiding Bouwkunde aan de Hogeschool van Amsterdam, een HBO-B opleiding.

Blijkens een drietal jaaropgaven over 2014 heeft zij in dat jaar een fiscaal loon genoten van respectievelijk € 200,- bij [bedrijf 1] , € 31,- bij [bedrijf 2] en € 644,- bij [bedrijf 3] .

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 102,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 79,- per maand.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1961. Hij is alleenstaand.

Hij heeft sinds 1994 een eigen onderneming, [de onderneming] Blijkens de fiscale rapporten bedroeg het resultaat voor belasting € 21.461,- in 2011, € 32.488,- in 2012 en € 21.746,- in 2013. Blijkens het concept fiscaal rapport 2014 bedroeg het resultaat voor belasting in dat jaar € 44.585,-.

Hij is in 2004 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van UWV en Aegon heeft hij blijkens de fiscale rapporten over 2011, 2012 en 2013 in die jaren respectievelijk € 20.387,- bruto , € 20.880,- bruto en € 21.043,- bruto ontvangen.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij is alleenstaand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van [jongmeerderjarige a] te bepalen dat de man met ingang van [datum] 2013 een bijdrage in de kosten van haar studie en levensonderhoud zal betalen van € 315,- per maand, dan wel een zodanige bijdrage vast te stellen met zodanige ingangsdatum als de rechtbank redelijk acht, welke bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering.

3.2.

[jongmeerderjarige a] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar inleidend verzoek toe te wijzen voor de duur dat zij een studie volgt.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Naar het hof begrijpt verzoekt de man in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, indien en voor zover het hof niet tot bekrachtiging van de bestreden beschikking overgaat, de bepaling uit het echtscheidingsconvenant ter zake van het betalen van een redelijke studiebijdrage te ontbinden, althans deze zo te wijzigen dat de bijdrage op nihil wordt gesteld, dan wel een eventuele verplichting tot het voldoen van een bijdrage aan [jongmeerderjarige a] te limiteren of te matigen tot [datum] 2013, dan wel tot een door het hof in goede justitie te bepalen datum.

Daarbij verzoekt de man een eventuele door het hof vast te stellen bijdrage niet eerder te laten ingaan dan 1 september 2014 en de bijdrage in ieder geval te beëindigen per [datum] 2017.

Tot slot verzoekt de man [jongmeerderjarige a] te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep.

3.4.

[jongmeerderjarige a] verzoekt het door de man in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzochte en zijn verzoek tot proceskostenveroordeling af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor een door de man te betalen uitkering tot studie en levensonderhoud van [jongmeerderjarige a] . De grieven van [jongmeerderjarige a] in principaal hoger beroep en van de man in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke bespreking.

4.2.

[jongmeerderjarige a] stelt dat de man gehouden is haar een bijdrage te betalen op grond van het onder 2.3. vermelde derdenbeding dan wel op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij voert daartoe - kort samengevat - aan dat de rechtbank de zinsnede “in overleg met hem (de vader) met een beroepsopleiding bezig zijn of studeren.” in het derdenbeding te restrictief heeft uitgelegd. De bedoeling van de ouders was dat [jongmeerderjarige a] ook na haar 21ste levensjaar over voldoende financiële middelen zou beschikken om een studie of opleiding naar keuze te kunnen volgen. Het betreft een standaardbeding waarover niet expliciet is onderhandeld. Over de vereiste inhoud van het overleg en de wijze waarop dit plaats zou moeten vinden is niet gesproken. Er is in het verleden informatie verstrekt over de keuze voor een middelbare school, open dagen, ouderavonden en dergelijke, maar de man heeft daarop niet gereageerd. Bij brief van 18 april 2015 heeft [jongmeerderjarige a] de man geïnformeerd over haar wens om Bouwkunde aan de Hogeschool van Amsterdam te studeren.

[jongmeerderjarige a] stelt in ieder geval voor de duur van haar studie behoeftig te zijn in de zin van artikel 1:392 BW. Zij heeft al enige tijd een specifiek concentratie/aandachtsprobleem. Dankzij haar doorzettingsvermogen heeft zij dit probleem tot nu toe kunnen overwinnen. Dit brengt wel mee dat zij zeer veel tijd aan haar studie dient te besteden zodat geen tijd resteert om naast haar studie een (substantieel) inkomen te verwerven, aldus [jongmeerderjarige a] .

4.3.

De man betwist hetgeen [jongmeerderjarige a] stelt. Kort samengevat voert hij aan dat de omstandigheid dat [jongmeerderjarige a] hem over haar studie heeft geïnformeerd onvoldoende is om aan te nemen dat is voldaan aan het ingevolge het derdenbeding vereiste overleg. De eveneens in het convenant vastgelegde contactregeling is nooit goed van de grond gekomen. Daarnaast is [jongmeerderjarige a] niet behoeftig. Zij is 22 jaar en heeft een MBO-opleiding afgerond. Zij is dan ook in staat door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het bestaan van een studiebeperking is niet aannemelijk. Daarbij heeft zij de omvang van een eventueel bestaande behoefte onvoldoende onderbouwd, nu zij niet dan wel onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar eigen inkomsten. Tot slot heeft de man geen draagkracht een bijdrage te voldoen. Hij is 80-100% afgekeurd, zijn onderneming is onvoldoende winstgevend, hij betaalt nog een bijdrage voor [jongmeerderjarige b] , heeft hoge woonlasten en een rekening-courant krediet.

Indien het hof niet tot bekrachtiging van de bestreden beschikking overgaat, verzoekt de man het derdenbeding te ontbinden, althans dit zo te wijzigen dat de bijdrage op nihil wordt gesteld, dan wel een eventuele verplichting tot het voldoen van een bijdrage aan [jongmeerderjarige a] te limiteren of te matigen tot [datum] 2013.

De man verzoekt een eventuele bijdrage niet eerder te laten ingaan dan 1 september 2014, omdat hij toen pas rekening met een eventuele bijdrage heeft kunnen houden. Tot slot verzoekt hij een eventuele bijdrage tot uiterlijk de 25e verjaardag van [jongmeerderjarige a] vast te stellen.

Derdenbeding

4.4.

Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie de uitleg van een overeenkomst niet plaats dient te vinden op grond van uitsluitend de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden aan het convenant redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit de letterlijke tekst van het onder 2.3. aangehaalde derdenbeding volgt dat de man verplicht is een (studie)bijdrage te betalen zolang [jongmeerderjarige a] met redelijke resultaten en in overleg met hem met een beroepsopleiding bezig is of studeert. Niet in geschil is dat [jongmeerderjarige a] in ieder geval tot het behalen van haar MBO-diploma redelijke studieresultaten heeft behaald. Evenmin is in geschil dat er voorafgaand aan het volgen van de MBO-opleiding geen overleg tussen [jongmeerderjarige a] en de man heeft plaatsgevonden over haar studiekeuze(s). De vraag, of het ontbreken van dit overleg moet leiden tot het einde van de verplichting van de man om een (studie)bijdrage te betalen, beantwoordt het hof, anders dan de rechtbank, ontkennend. Daartoe overweegt het hof het volgende. [jongmeerderjarige a] ’s ouders zijn gescheiden toen zij negen jaar oud was. De communicatie tussen de ouders is daarna slecht geweest. Er zijn procedures gevoerd over nakoming van de volgens het convenant geldende contactregeling en de man is op 9 juli 2104 door de kantonrechter in de rechtbank Gelderland veroordeeld tot nakoming van zijn betalingsverplichting ingevolge een hier niet in geschil zijnde bepaling (3.8.) van het echtscheidingsconvenant. Er zijn periodes geweest waarin er sprake was van contactherstel tussen de man en de kinderen, maar sedert 2010 is het contact met [jongmeerderjarige a] helemaal verbroken. De man heeft beaamd dat er tussen partijen sprake is van een ernstig verstoorde relatie. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in 2008/2009 om de week uit eten is gegaan met de kinderen, maar toen niet met [jongmeerderjarige a] heeft gesproken over de onderhoudsbijdrage, vervolgopleiding of andere toekomstplannen. Ook later heeft hij geen overleg met [jongmeerderjarige a] gezocht over haar studie en de keuzes die zij in verband daarmee maakte of wilde maken. [jongmeerderjarige a] werd op [datum] 2013 21 jaar. De man is toen, zonder nader overleg of vooraankondiging, gestopt met het betalen van een onderhoudsbijdrage, naar zijn zeggen omdat er geen contact was. Op dat moment bevond [jongmeerderjarige a] zich in de afrondende fase van de MBO-4 opleiding Hout en Meubileringscollege.

Onder deze omstandigheden, die erop duiden dat de ouders van [jongmeerderjarige a] niet in staat zijn gebleken om de gevolgen van hun echtscheiding duurzaam in goed overleg te regelen, acht het hof het niet redelijk om [jongmeerderjarige a] te houden aan de letterlijke tekst van genoemd artikel 3.6. van het convenant. Daarbij heeft de man ter zitting verklaard dat deze bepaling, naar hij zich herinnert, is opgenomen omdat hij en [jongmeerderjarige a] ’s moeder het beste wilden voor de kinderen. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de moeder, die zich bij de gedingstukken bevindt. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt naar het oordeel van het hof met zich dat, wanneer de verstoorde verhouding tussen de ex-echtelieden onderling en/of tussen de ex-echtelieden en de kinderen het volgens deze bepaling verplichte overleg over studiekeuzes in de weg staat, het kind daar niet de nadelige gevolgen van mag ondervinden. De man is dan ook gehouden tot nakoming van artikel 3.6 van het convenant jegens [jongmeerderjarige a] , ondanks het ontbreken van overleg over haar studiekeuzes.

Behoeftigheid

4.5.

Ingevolge artikel 1:392 lid 1, sub a, en 2 BW zijn op grond van bloed- of verwantschap de ouders gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud en bestaat deze verplichting ten aanzien van kinderen die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt slechts in het geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde.

Volgens vaste jurisprudentie is het niet de strekking van artikel 1:392 BW ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen, die overigens in staat zijn door arbeid in hun eigen levensonderhoud te voorzien, door het verstrekken van een uitkering in staat te stellen tot het volgen of voltooien van een opleiding. Uit artikel 3.6. van het echtscheidingsconvenant en hetgeen hierover onder 4.4 is overwogen, leidt het hof af dat de man en [jongmeerderjarige a] ’s moeder ten tijde van het sluiten van het convenant er echter van zijn uitgegaan dat [jongmeerderjarige a] na haar 21ste verjaardag behoeftig zou zijn, zolang zij dan nog geen beroepsopleiding of studie zou hebben afgerond.

Daarom is het hof van oordeel dat [jongmeerderjarige a] vanaf haar 21e verjaardag behoefte had aan een bijdrage in de kosten van haar studie en levensonderhoud in de zin van artikel 1:392 BW, zolang haar MBO-opleiding nog niet was afgerond. Vanaf het moment dat [jongmeerderjarige a] haar MBO-diploma heeft behaald, derhalve op 3 juli 2014, moet zij naar het oordeel van het hof in staat worden geacht om met arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien. Dat dit niet mogelijk is met het behaalde MBO-diploma, is gesteld noch gebleken. [jongmeerderjarige a] ’s keuze om een voltijd HBO-opleiding te gaan volgen, waarnaast zij naar zij stelt geen ruimte heeft voor het verrichten van betaald werk, dient dan ook niet voor rekening van de man te komen. De vraag of [jongmeerderjarige a] thans een studiebeperking heeft als gevolg van aandachts- en concentratieproblemen kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven. Uit het voorgaande volgt dat [jongmeerderjarige a] behoefte heeft aan een bijdrage over de periode van [datum] 2013 tot 3 juli 2014.

Ontbinding of wijziging van het convenant

4.6.

Voor de door hem verzochte ontbinding of wijziging van artikel 3.6. van het convenant heeft de man geen, althans ontoereikende gronden aangevoerd, zodat zijn verzoek reeds daarom zal worden afgewezen.

Ingangsdatum

4.7.

Ten aanzien van het verzoek van de man een eventuele bijdrage niet eerder te laten ingaan dan 1 september 2014 overweegt het hof als volgt. Vast staat dat de man zonder vooraankondiging of overleg de betaling van de bijdrage aan [jongmeerderjarige a] per [datum] 2013 heeft stopgezet terwijl hij ingevolge het bepaalde van artikel 3.6. van het echtscheidingsconvenant gehouden was om deze te blijven voldoen zolang zij haar beroepsopleiding nog niet had afgerond. Het hof acht het onder die omstandigheden voor rekening en risico van de man komen dat hij eerst met het verzoekschrift van [jongmeerderjarige a] van 11 augustus 2014 is geconfronteerd met haar vordering op hem. Als ingangsdatum voor de vast te stellen bijdrage zal daarom [datum] 2013 dienen te gelden.

Behoefte

4.8.

De door [jongmeerderjarige a] overgelegde behoeftelijst ziet op de kosten die zij maakt vanaf de start van haar voltijds HBO-opleiding per september 2014, zodat het hof daaraan voorbij gaat en aanleiding ziet om aan te sluiten bij de WSF-normen voor levensonderhoud van studenten, overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport van de Expertgroep alimentatienormen. De WSF-norm voor thuiswonende studenten aan het beroepsonderwijs bedraagt voor de periode vanaf 1 januari 2014 € 484,48 per maand. Daarbij dient het lesgeld opgeteld te worden dat in het schooljaar 2013-2014 € 1.090,- (€ 90,83 per maand) bedroeg. Bij gebreke aan verdere gegevens stelt het hof de behoefte van [jongmeerderjarige a] daarmee in redelijkheid vast op € 575,- per maand. De basisbeurs voor thuiswonenden bedroeg in 2013-2014 € 79,-. De eigen inkomsten van [jongmeerderjarige a] , zoals deze blijken uit de onder 2.4 vermelde jaaropgaven over 2014, bedroegen € 73,- netto per maand. Haar aanvullende behoefte in de periode [datum] 2013 tot 3 juli 2014 stelt het hof daarmee vast op € 575,- minus € 152,- is € 423,-. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de door de man ingevolge het echtscheidingsconvenant verschuldigde (geïndexeerde) bijdrage ook in de periode [datum] 2013 tot 3 juli 2014 de aanvullende behoefte van [jongmeerderjarige a] niet overschreed.

4.9.

Het hof zal bij de vaststelling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen overeenkomstig de sinds 1 april 2013 geldende richtlijn van de Expertgroep alimentatienormen. Het hof gaat voorbij aan het betoog van de man dat hij door fysieke problemen minder verdiencapaciteit heeft, omdat daarvan niet is gebleken. De man heeft immers in de afgelopen jaren zijn werkzaamheden binnen zijn bedrijf voortgezet. Het hof zal zijn inkomen, mede gelet op de fluctuaties in het bedrijfsresultaat in redelijkheid vaststellen op basis van het gemiddelde bedrijfsresultaat in de jaren 2012-2014 verminderdmet de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij ook rekening wordt gehouden met de zelfstandigenaftrek en MKB winstvrijstelling waar de man recht op heeft. Het hof zal voorts rekening houden met de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. Tot slot wordt rekening gehouden met de onder 2.5 vermelde, in 2013 ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering van Aegon. Uitgaande van voormelde gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 3.295,- per maand.

4.10.

Nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand, zal de draagkracht van de man worden vastgesteld aan de hand van de formule: 70% [NBI – (0,3 NBI + € 860,-)]. De benadering van voormelde formule houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een voor 2014 geldend forfaitair bedrag van € 860,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. Blijkens het door de man in eerste aanleg overgelegde ING jaaroverzicht heeft hij een rekening-courantschuld waarvan het saldo op 1 januari 2014 € 115.338,78 en op 31 december 2014 € 106.690,16 bedroeg en waarover hij in dat jaar omgerekend € 603,- per maand aan rente heeft betaald. Anders dan [jongmeerderjarige a] betoogt, heeft de man naar het oordeel van het hof het bestaan van de rekening-courantschuld en de rentebetaling voldoende onderbouwd. Het hof zal hiermee dan ook rekening houden evenals met de door de man in 2014 betaalde bijdrage voor [jongmeerderjarige b] van € 315,- per maand en de jaarlijkse studiebijdrage op grond van artikel 3.8 van het echtscheidingsconvenant (€ 680,- per jaar, € 57,- per maand). In hetgeen de man uiterst summier en niet nader onderbouwd betoogt ten aanzien van hoge woonlasten, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de in de alimentatierichtlijnen geadviseerde forfaitaire benadering.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man nog steeds voldoende draagkracht had om de ingevolge het echtscheidingsconvenant verschuldigde bijdrage in de periode [datum] 2013 tot 3 juli 2014 te voldoen. Nu de man zijn stelling dat [jongmeerderjarige a] ’s moeder eveneens dient bij te dragen in de kosten van [jongmeerderjarige a] niet nader heeft gemotiveerd en onderbouwd, gaat het hof hieraan voorbij.

4.11.Voor limitering van de bijdrage als door de man verzocht bestaat, gelet op het hiervoor onder 4.5 overwogene ten aanzien van de behoeftigheid van [jongmeerderjarige a] , geen grond.

4.12.

Gelet op al het voorgaande zal het hof bepalen dat de man met ingang van [datum] 2013 tot 1 januari 2014 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van [jongmeerderjarige a] dient te betalen van € 312,20 per maand en met ingang van 1 januari 2014 tot 3 juli 2014 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van € 315,- per maand.

4.13.

Gelet op de uitkomst van deze procedure en de familierechtelijke betrekking tussen de man en [jongmeerderjarige a] , is het hof van oordeel dat ieder der partijen de eigen proceskosten dient te dragen.

4.14.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man met ingang van [datum] 2013 tot 1 januari 2014 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van [jongmeerderjarige a] dient te betalen van € 312,20 (zegge: DRIEHONDERD TWAALF EURO en TWINTIG EUROCENT) per maand en met ingang van 1 januari 2014 tot 3 juli 2014 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van € 315,- per maand. (zegge: DRIEHONDERD VIJFTIEN EURO) per maand;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. I.M. Dölle in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2016.