Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2992

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2016
Datum publicatie
26-07-2016
Zaaknummer
200.180.489/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2015:36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager verwijt de kandidaat-notaris dat hij 1) (nog steeds) misleidende offertes uitbrengt 2) een mondelinge volmacht heeft verzonnen 3) twee ongeldige hypotheekrechten heeft gevestigd 4) op basis van een protocol twee verbonden ondernemingen voert. De kandidaat-notaris verwijt klager dat deze klaagt over een rechtens gegeven situatie. De kamer heeft klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, de klacht deels gegrond verklaard, de kandidaat-notaris ter zake daarvan de maatregelen van berisping en een geldboete van € 10.000,- opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. De kamer heeft de tegenklacht van de kandidaat-notaris ongegrond verklaard. Het hof concludeert dat de tarifering en wijze van offreren door de kandidaat-notaris over het geheel genomen voldoet aan de tuchtrechtelijke norm zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.2. Alleen wat betreft de in de offertes gegeven rekenvoorbeelden voldoen de offertes van de kandidaat-notaris nog niet volledig aan de norm. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer, verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 2. en 3., verklaart (sub)klachtonderdeel 1.1 deels gegrond, zoals overwogen in rechtsoverweging 6.5., legt de kandidaat-notaris ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing op, verklaart de klacht voor het overige in al haar (sub)onderdelen ongegrond en verklaart de tegenklacht van de kandidaat-notaris ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.180.489/01 NOT

nummers eerste aanleg : AL/2015/55 en AL/2015/70

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 26 juli 2016

inzake

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

appellant,

tegen

[kandidaat-notaris] ,

kandidaat-notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 19 november 2015 een beroepschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 20 oktober 2015 (ECLI:NL:TNORARL:2015:36). De kamer heeft in de bestreden beslissing klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht tegen geïntimeerde (hierna: [de kandidaat-notaris] ), de klacht deels gegrond verklaard, [de kandidaat-notaris] ter zake daarvan de maatregelen van berisping en een geldboete van € 10.000,- opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. De kamer heeft daarbij tevens de tegenklacht van
tegen klager ongegrond verklaard.

1.2.

[de kandidaat-notaris] heeft op 20 januari 2016 een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend.

1.3.

Op 13 april 2016 heeft het hof een brief en nadere producties van klager ontvangen.
Het hof heeft de brief (van 11 april 2016) buiten beschouwing gelaten omdat dit stuk is aangemerkt als een repliek, waarvoor geen toestemming is gegeven. Het hof heeft wel kennisgenomen van de bij deze brief gevoegde nadere producties (producties 1 tot en met 3) die tijdig zijn ingediend.

1.4.

Op 22 april 2016 heeft het hof nadere producties (producties AA tot en met FF) van
[de kandidaat-notaris] ontvangen.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 mei 2016. Klager en [de kandidaat-notaris] , vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, mede aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2. Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Klager is sinds 30 mei 2006 als notaris gevestigd te [plaats] .

3.2.2.

In 2008 heeft [de kandidaat-notaris] de helft van de aandelen in de rechtspersoon, handelend onder de naam [notarispraktijk] verkregen. Door tussenkomst van deze rechtspersoon werd door oud-notaris
[oud-notaris] een notarispraktijk gevoerd in [plaats] . [de kandidaat-notaris] was als kandidaat-notaris werkzaam op dit notariskantoor. In 2010 heeft [oud-notaris] ook de resterende aandelen in [notarispraktijk] aan [de kandidaat-notaris] verkocht en geleverd.

3.2.3.

[de kandidaat-notaris] is per 1 januari 2011 benoemd tot waarnemer van het (sindsdien vacante) protocol met de overige notariële bescheiden van [oud-notaris] te [plaats] , die zich per die datum als notaris in de gemeente [gemeente] had gevestigd. [oud-notaris] voerde zijn notarispraktijk te [gemeente] door tussenkomst van een rechtspersoon handelend onder de naam [notarispraktijk] , waarvan hij enig aandeelhouder was.

3.2.4.

Op 16 september 2011 heeft klager een klacht ingediend tegen [de kandidaat-notaris] . Deze klacht zag enerzijds op de tarifering en wijze van offreren door [de kandidaat-notaris] en anderzijds op het vermelden van een onjuist tijdstip van passeren in zijn minuutakten. Bij beslissing van 7 juni 2012 heeft de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Utrecht klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, de klacht deels gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het hof heeft de beslissing van de kamer van toezicht bij beslissing van 12 februari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2012:4377) deels vernietigd, de klacht voor een groter deel gegrond verklaard en [de kandidaat-notaris] de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof heeft de beslissing van de kamer van toezicht voor het overige bekrachtigd.

3.2.5.

In januari 2013 heeft [oud-notaris] zijn aandelen in [notarispraktijk] verkocht en geleverd aan [Z] , werkzaam als kandidaat-notaris op dit notariskantoor. Met ingang van 1 februari 2013 is [oud-notaris] op zijn verzoek ontslag verleend uit zijn ambt van notaris gevestigd in de gemeente [gemeente] . Per die datum is [Z] benoemd tot waarnemer van het (sindsdien vacante) protocol met de overige notariële bescheiden van [oud-notaris] te [gemeente] .

3.2.6.

Bij brief van 19 maart 2015 heeft klager opnieuw een klacht ingediend tegen [de kandidaat-notaris] .

4 Standpunt van klager

Klager verwijt [de kandidaat-notaris] het volgende.

Klachtonderdeel 1. (Het (blijven) uitbrengen van misleidende offertes)

Subonderdeel 1.1

4.1.1.

[de kandidaat-notaris] brengt (nog steeds) misleidende offertes uit. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie en zorgt ervoor dat het vertrouwen in het notariaat ernstig wordt geschonden. Het is opvallend dat [de kandidaat-notaris] (deels) precies dezelfde overtredingen begaat als waarvoor hij in 2013 expliciet door het hof op zijn vingers is getikt. Dit klemt des te meer omdat het hof al op 22 juni 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9741) een standaardbeslissing heeft gegeven over de wijze van offreren. Uit deze beslissing blijkt dat het door een notaris geoffreerde basistarief alle gebruikelijke werkzaamheden moet omvatten in die zin, dat er een reële mogelijkheid moet bestaan dat uiteindelijk inderdaad slechts dat basistarief in rekening wordt gebracht. De KNB heeft daarna in 2010 aan al haar leden een brief verzonden met instructies hoe te offreren.
was dus sindsdien zeer wel ervan op de hoogte en/of kon sindsdien zeer wel ervan op de hoogte zijn dat zijn wijze van offreren in strijd was en (nog steeds) is met (inmiddels vaste) rechtspraak van het hof.

4.1.2.

Klager voert ter onderbouwing van subonderdeel 1.1 de volgende voorbeelden van extra kosten aan die [de kandidaat-notaris] separaat in rekening brengt terwijl deze naar zijn mening in het basistarief hadden moeten worden opgenomen, dan wel niet in rekening gebracht hadden mogen worden.

- Subonderdeel 1.1.a.

Voor het overboeken van taxatiekosten en nota’s van tussenpersonen brengt [de kandidaat-notaris] extra kosten in rekening, terwijl dit in bijna alle zaken waarin een hypotheekakte wordt gepasseerd, plaatsvindt.

- Subonderdeel 1.1.b.

Hoewel het in zijn praktijk vaak voorkomt dat er meer dan één verkoper/koper is, brengt [de kandidaat-notaris] hiervoor extra kosten in rekening.

- Subonderdeel 1.1.c.

[de kandidaat-notaris] brengt extra kosten in rekening voor het opvragen van een akte bij het kadaster terwijl dit binnen het notariaat als een frequent voorkomende activiteit wordt beschouwd.

- Subonderdeel 1.1.d.

Bij zijn beslissing van 12 februari 2013 heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat bij een verhoogde inschrijving bij Aegon-hypotheken geen extra kosten mogen worden berekend. Toch blijft [de kandidaat-notaris] hiervoor extra kosten in rekening brengen.

- Subonderdeel 1.1.e.

[de kandidaat-notaris] offreert standaard met KIK-tarieven en brengt € 65,- extra in rekening als een onroerendgoedakte niet via KIK kan worden opgesteld en bij het kadaster kan worden ingeschreven. Dat zal echter gemiddeld in 91 procent van de zaken waarin is geoffreerd voor een akte van levering en hypotheekakte, het geval zijn.

- Subonderdeel 1.1.f.

In elke zaak van [de kandidaat-notaris] worden extra kosten in rekening gebracht.

- Subonderdeel 1.1.g.

Ook bij familiezaken biedt [de kandidaat-notaris] een uitgekleed tarief aan. Zo offreert hij slechts
€ 120,- voor een testament (inclusief btw en kosten voor inschrijving van het testament bij het Centraal testamentenregister). In de kleine lettertjes onderaan de offerte staat echter dat het testament slechts zes clausules mag bevatten en dat per extra clausule een aanvullend tarief in rekening wordt gebracht, zonder deze meerwerkkosten voor extra clausules in de offerte te noemen. In de notariële praktijk van klager komt het vrijwel nooit voor dat het bij een testament van zes clausules blijft.

Subonderdeel 1.2

4.1.3.

Ondanks de beslissing van het hof Amsterdam van 12 februari 2013 is er (nog steeds) sprake van een scheve verhouding tussen het basistarief van [de kandidaat-notaris] en zijn tarieven voor meerwerk. In verhouding tot zijn lage basistarief (€ 188,84) voor een akte van levering brengt [de kandidaat-notaris] voor een akte van levering fors extra in rekening voor geringe aanvullende werkzaamheden als het een appartement betreft (€ 100,-), er een extra kadastraal nummer in de akte moet komen te staan (€ 131,-), er een overbruggingshypotheek is (€ 206,-) of als de hypotheekstukken niet vijf werkdagen van tevoren zijn ontvangen (€ 150,-).

Subonderdeel 1.3

4.1.4.

[de kandidaat-notaris] brengt zijn cliënten per royement € 20,- leges kadaster in rekening. Dit is te veel gezien het aantal royementen dat [de kandidaat-notaris] in een royementsakte verwerkt. Hij verwerkt gemiddeld vijftien royementen in een akte, welke akte € 74,- kadasterkosten meebrengt, dus de werkelijke leges kadaster zijn ongeveer € 5,- per royement. Het doet afbreuk aan het vertrouwen in het notariaat als een notaris doet alsof hij € 20,- aan leges aan het kadaster kwijt is terwijl dat in werkelijkheid beperkt is tot enkele euro’s.

Subonderdeel 1.4

4.1.5.

[de kandidaat-notaris] brengt € 165,20 in rekening voor een geheel royement van een hypotheek en
€ 231,75 voor een gedeeltelijk royement (inclusief BTW en kadaster- en aflossingskosten). In verhouding met zijn basistarief voor een akte van levering van € 188,84 (exclusief BTW) is dit extreem. Het is een aloude truc in het notariaat die [de kandidaat-notaris] hier ook toepast, namelijk lage instaptarieven bij de koper in rekening brengen en het verschil terughalen bij de verkoper.

Subonderdeel 1.5

4.1.6.

[de kandidaat-notaris] blijft doen alsof hij van niets weet, wat gezien de feiten en omstandigheden ongeloofwaardig is.

Klachtonderdeel 2. (Het verzinnen van een mondelinge volmacht)

4.2.

[de kandidaat-notaris] heeft op 28 augustus 2014 in een (spoedeisende) rectificatieakte welbewust melding gemaakt van een mondelinge volmacht die niet door zijn cliënt was afgegeven. Na lang aandringen heeft een medewerker van [de kandidaat-notaris] toegegeven dat de volmacht tot verbetering pas op 1 september 2014 door de cliënt is afgegeven.

Klachtonderdeel 3. (Het vestigen van twee ongeldige hypotheekrechten)

4.3.

Op 30 januari 2015 heeft een waarnemer van [de kandidaat-notaris] in twee dossiers akten van levering en hypotheek gepasseerd, waarbij de hypotheekakten eerder zijn ingeschreven in de openbare registers (op 30 januari 2015) dan de akten van levering (op 2 februari 2015). Dit heeft tot gevolg dat de hypotheekrechten niet zijn gevestigd omdat de kopers op dat moment niet beschikkingsbevoegd waren.

Klachtonderdeel 4. (Het voeren van twee verbonden ondernemingen op twee locaties op basis van een protocol)

4.4.

Ingevolge artikel 12 Wet op het notarisambt (Wna) is een notaris verplicht kantoor te houden in de plaats van vestiging die in het besluit van zijn benoeming is vermeld. Een notaris is niet bevoegd buiten zijn plaats van vestiging bijkantoren te hebben (artikel 13 Wna). Ondanks deze regelgeving wordt het protocol van [oud-notaris] op twee plaatsen gehouden, in [plaats] door [de kandidaat-notaris] en in [gemeente] door [Z] . [de kandidaat-notaris] werkt(e) dus mee aan de constructie dat een notaris op twee vestigingen tegelijkertijd opereert en dat is in strijd met artikel 12 Wna.

5 Standpunt van [de kandidaat-notaris]

5.1.

heeft verweer gevoerd. Het verweer van [de kandidaat-notaris] wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

Tegenklacht

5.2.

Verder heeft [de kandidaat-notaris] een tegenklacht ingediend. De tegenklacht betreft een verwijt aan klager dat deze in klachtonderdeel 4 klaagt over een rechtens gegeven situatie. Die situatie is niet ontstaan door toedoen van [de kandidaat-notaris] maar is het gevolg van wetsbepalingen uit de Wet op het notarisambt op grond waarvan [de kandidaat-notaris] verplicht is (als waarnemer van het vacante protocol van [oud-notaris] ) de naam van [oud-notaris] voluit in de door hem te passeren akten te vermelden. Klager heeft klachtonderdeel 4 daarmee zonder deugdelijke grond ingediend, wat in strijd is met hetgeen een behoorlijk notaris betaamt.

6 Beoordeling

6.1.

Het hof stelt voorop dat het de zaak opnieuw in volle omvang behandelt (artikel 107 Wna). Daarmee liggen zowel de verschillende klachtonderdelen van klager als de tegenklacht van
[de kandidaat-notaris] opnieuw in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

Klachtonderdeel 1. (Het (blijven) uitbrengen van misleidende offertes)

Tarifering en wijze van offreren

6.2.

Het hof stelt voorop dat de notaris in beginsel vrij is in de tarifering en de wijze van offreren. Volgens vaste rechtspraak van dit hof geldt bij de tarifering en wijze van offreren door een notaris wel de eis dat het voor de cliënt duidelijk moet zijn welke kosten de notaris aan hem in rekening zal brengen. Het hanteren van een offertemodel met een (minimum)basistarief en tarieven voor bijkomende werkzaamheden is toegestaan, mits de notaris blijft binnen de grenzen van hetgeen hem als zorgvuldig handelend notaris betaamt. Voordeel van een dergelijk offertemodel voor de cliënt is dat hij niet voor méér werkzaamheden betaalt dan in zijn geval nodig zijn. Bij gebruik van een dergelijk offertemodel moet het voor de gemiddeld geïnformeerde en oplettende cliënt in elk geval eenvoudig zijn te zien wat de bijkomende kosten zijn en dat deze kosten onderdeel uitmaken van de offerte. Daarbij zal de notaris in de regel aan de hand van concrete en heldere rekenvoorbeelden moeten illustreren wat het (eind)tarief is in veelvoorkomende gevallen/situaties en hoe dit is opgebouwd, zodat de cliënt weet welke kosten hij in die gevallen moet verwachten. Het aantal rekenvoorbeelden zal afhangen van de aard van de praktijk van de notaris.

6.3.

[de kandidaat-notaris] stelt zich op het standpunt dat zijn offertemodel voor de cliënt duidelijk en transparant is en daarmee voldoet aan de (tucht)norm. Het oordeel van de kamer dat zijn wijze van offreren een “misleidend karakter” heeft, acht [de kandidaat-notaris] onterecht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [de kandidaat-notaris] de algemene voorwaarden van [notarispraktijk] (Productie G bij het verweerschrift), een aantal huidige en eerdere offertes (Producties H.1, H.2, H3 en H4 bij het verweerschrift) en een onderzoeksrapport van [adviseur] (Productie F. bij het verweerschrift) overgelegd. Klager heeft ter onderbouwing van zijn standpunt eveneens een aantal offertes van [notarispraktijk] (Productie 7 bij het inleidend klaagschrift) in het geding gebracht. Op vragen van het hof heeft [de kandidaat-notaris] tijdens de zitting op 10 mei 2016 nog een nadere toelichting gegeven op zijn tarifering en wijze van offreren.

6.4.

Uit de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de zitting op 10 mei 2016 blijkt dat [de kandidaat-notaris] in zijn offertes op duidelijke wijze onderscheid maakt tussen het (minimum)basistarief en de tarieven voor bijkomende werkzaamheden. Verder heeft [de kandidaat-notaris] in zijn offertes enkele rekenvoorbeelden gegeven die inzicht geven in het eindtarief in diverse situaties. Tot slot heeft [de kandidaat-notaris] in zijn offertes een toelichting opgenomen met betrekking tot de begrippen die hij voor de bijkomende werkzaamheden hanteert.

Subonderdeel 1.1

6.5.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de tarifering en wijze van offreren door
[de kandidaat-notaris] over het geheel genomen voldoet aan de tuchtrechtelijke norm zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 6.2. Alleen wat betreft de in de offertes gegeven rekenvoorbeelden voldoen de offertes van [de kandidaat-notaris] nog niet volledig aan de norm. Onvoldoende is aangetoond dat voor alle veelvoorkomende situaties rekenvoorbeelden zijn gegeven. In de offertes waarin het KIK-tarief door [de kandidaat-notaris] als basistarief is geoffreerd, behoort een rekenvoorbeeld voor een niet-KIK-geval, dat immers veel voorkomt, te worden gegeven. Waar het basistarief voor een testament voorziet in een testament met slechts zes clausules, zullen eveneens rekenvoorbeelden gegeven moeten worden voor veelvoorkomende gevallen. In zoverre is subonderdeel 1.1 gegrond.

Subonderdeel 1.2

6.6.

Een scheve verhouding tussen het geoffreerde basistarief en de tarieven voor bijkomende werkzaamheden is niet zonder meer een aanwijzing voor een ondoorzichtige en/of misleidende offerte. Bijkomende omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de verhouding tussen de tarieven die [de kandidaat-notaris] hanteert zijn offertes ondoorzichtig of misleidend maken, zijn niet gebleken. Dit subonderdeel is ongegrond.

Subonderdeel 1.3

6.7.

De kamer heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in dit subonderdeel wegens (kort gezegd) overschrijding van de driejaarstermijn van artikel 99 lid 15 Wna. Klager heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat hij in dit subonderdeel weliswaar heeft verwezen naar royementsakten uit 2011 maar dat zijn klacht niet ziet op deze akten maar op de handelwijze van [de kandidaat-notaris] ten tijde van de indiening van de klacht. Naar het oordeel van het hof heeft
dit ook redelijkerwijs uit het klaagschrift moeten begrijpen. Het hof gaat daar dus vanuit. Dit betekent dat klager de klacht ook op dit subonderdeel tijdig heeft ingediend. Voor zijn beoordeling verwijst het hof naar hetgeen is overwogen hiervoor in rechtsoverweging 6.4. Het bedrag van € 20,- aan kosten leges kadaster per royement is duidelijk in de offertes aangegeven. Het toepassen van een vast tarief voor deze kosten is voorts toelaatbaar. De hoogte van het tarief is bovendien niet zodanig excessief dat het tarief in strijd komt met wat een notaris in dit opzicht betaamt. Het subonderdeel is ongegrond.

Subonderdeel 1.4

6.8.

Ten aanzien van subonderdeel 1.4. verwijst het hof naar hetgeen is overwogen hiervoor in rechtsoverweging 6.6 en 6.7. Dit subonderdeel is eveneens ongegrond.

Subonderdeel 1.5

6.9.

Hetgeen klager [de kandidaat-notaris] verwijt in subonderdeel 1.5 is naar het oordeel van het hof (naast de andere subonderdelen van klachtonderdeel 1.) van onvoldoende gewicht om aan te merken als tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Het hof zal dit subonderdeel daarom ongegrond verklaren

Klachtonderdeel 2. (Het verzinnen van een mondelinge volmacht)

6.10.

De kamer heeft geoordeeld dat klager niet kan worden ontvangen in dit klachtonderdeel vanwege (kort gezegd) gebrek aan belang. Volgens vaste rechtspraak betreffende het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 99 (geldend tot 1 januari 2013) Wna is uitgangspunt dat ook een collega-notaris bij voldoende eigen belang een klacht kan indienen. De enkele omstandigheid dat een notaris belang heeft bij het goed functioneren van het notariaat in het algemeen, maakt hem niet tot belanghebbende bij het doen en laten van een individuele notaris. Het hof verwijst naar zijn beslissing van 16 november 2010 (ECLI:NL:GHAMS2010:BP2050). Per 1 januari 2013 geldt de gewijzigde tekst van artikel 99 lid 1 (nieuw) Wna die - voor zover van belang - luidt als volgt:

‘Klachten (…) kunnen (…) door een ieder met enig redelijk belang worden ingediend (…).’

In de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27) van het gewijzigde artikel 99 lid 1 Wna, zoals dit op 1 januari 2013 in werking is getreden, is tot uitgangspunt genomen dat er een ruim belanghebbendenbegrip geldt. Een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is, aldus de wetsgeschiedenis, een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. Voor rechtspraak betreffende deze gewijzigde tekst van artikel 99 lid 1 (nieuw) Wna verwijst het hof naar zijn beslissing van 1 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4970).

6.11.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat klager geen partij was bij de gewraakte rectificatieakte noch aangemerkt kan worden als persoon die een recht kan ontlenen aan de desbetreffende akte. Verder is het hof evenmin gebleken dat klager anderszins bij een klacht over de handelwijze van [de kandidaat-notaris] een belang (al dan niet indirect of afgeleid) heeft, anders dan het goed functioneren van het notariaat in het algemeen. Het hof is daarom evenals de kamer van oordeel dat klager niet kan worden ontvangen in dit klachtonderdeel.

Klachtonderdeel 3. (Het vestigen van twee ongeldige hypotheekrechten)

6.12.

Het hof verwijst naar het overwogene hiervoor in rechtsoverweging 6.10 en 6.11. Klager kan evenmin worden ontvangen in dit klachtonderdeel wegens gebrek aan belang.

Klachtonderdeel 4. (Het voeren van twee verbonden ondernemingen op twee locaties op basis van een protocol)

6.13.

Het hof stelt vast dat per 1 januari 2011 sprake is van een vacant protocol (met de overige notariële bescheiden) van [oud-notaris] te [plaats] en per 1 februari 2013 van een vacant protocol (met de overige notariële bescheiden) van [oud-notaris] te [gemeente] . [de kandidaat-notaris] heeft aangevoerd dat hij uitsluitend het vacante protocol te [plaats] waarneemt en dat de omstandigheid dat [oud-notaris] nog een (vacant) protocol in [gemeente] heeft achtergelaten, niet aan hem is toe te rekenen. Feiten of omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat hier sprake is van één protocol of het voeren van twee verbonden ondernemingen op basis van een protocol zijn het hof niet gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Tegenklacht

6.14.

[de kandidaat-notaris] verwijt klager dat deze klachtonderdeel 4 heeft ingediend zonder deugdelijke grond, wat in strijd is met hetgeen een behoorlijk notaris betaamt. De verweten gedraging is echter van onvoldoende gewicht om aan te merken als tuchtrechtelijk laakbaar handelen. De tegenklacht is ongegrond.

Conclusie en maatregel

6.15.

De klacht tegen [de kandidaat-notaris] wordt voor wat betreft (sub)klachtonderdeel 1.1 deels gegrond bevonden, zodat het opleggen van een maatregel op zijn plaats is. Het hof acht de maatregel van waarschuwing, in de zin van een zakelijke terechtwijzing passend. Er zijn geen omstandigheden die maken dat het verzuim het opleggen van een zwaardere maatregel rechtvaardigt.

6.16.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.17.

Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beslissing van de kamer in haar geheel vernietigen en een nieuwe beslissing geven.

6.18.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 2. en 3.;

- verklaart (sub)klachtonderdeel 1.1 deels gegrond, zoals overwogen in rechtsoverweging 6.5.;

- legt [de kandidaat-notaris] ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing op;

- verklaart de klacht voor het overige in al haar (sub)onderdelen ongegrond;

- verklaart de tegenklacht van [de kandidaat-notaris] ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, C.H.M. van Altena en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2016 door de rolraadsheer.