Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2838

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
23-003662-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officier van justitie niet-ontvankelijk nu verdachte wordt vervolgd voor andere feiten dan waarvoor zij is overgeleverd en zij geen afstand heeft gedaan van het recht een beroep te doen op het specialiteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003662-14

datum uitspraak: 1 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-730023-13 tegen

[verdachte], ook genaamd [verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Hongarije) op [geboortedag] 1964,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres in het buitenland: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 september 2015, 23, 25, 26 en 27 mei 2016 en 1 juni 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen, – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. Het al dan niet in vereniging plegen van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in de periode van 1 maart 2008 tot en met 1 april 2010

  2. Het al dan niet medeplegen van gewoontewitwassen van de opbrengsten van genoemde mensenhandel.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte blijkens de overleveringsbeslissing van de rechtbank te Boedapest van
16 juli 2013, niet is overgeleverd voor de feiten waarvoor zij thans terecht staat, terwijl zij geen afstand heeft gedaan van haar rechten op basis van het specialiteitsbeginsel.

Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de verdachte heeft de officier van justitie een Europees aanhoudingsbevel gedateerd
24 mei 2013 uitgevaardigd, en dit aan de Hongaarse autoriteiten doen toekomen. In dit bevel wordt om de aanhouding en overlevering verzocht van de verdachte, waarbij als de van toepassing zijnde strafbare feiten zijn aangekruist: mensenhandel en witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op de toelichting heeft de verdenking betrekking op mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Het aanhoudingsbevel bevat geen toelichting met betrekking tot de verdenking van witwassen.

Op 31 mei 2013 heeft de hoofdstedelijke rechtbank te Boedapest de voorlopige aanhouding met het oog op overlevering van de verdachte gelast. In de betreffende beschikking (overgelegd door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2016) heeft de hoofdstedelijke rechtbank de Nederlandse justitiële autoriteiten verzocht vóór 10 juli 2013 duidelijkheid te verschaffen omtrent de vraag “hoe het, met betrekking tot de handelingen op basis waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, mogelijk is dat het nummer van het op 28 mei 2013 uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel overeenkomt met het eerdere, eveneens door het Openbaar Ministerie van Amsterdam op 8 maart 2012 uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel met nummer 13/708004-12, waaraan de Hongaarse overheid gehoor heeft gegeven.” Tevens wordt in deze beschikking gemeld: “Naast de identieke nummers en verschillende data van de arrestatiebevelen staan op het SIS-formulier geen feiten vermeld over de strafprocedure wegens het witwassen van geld, en is de feitenbeschrijving aangaande het drijven van vrouwenhandel ook onvolledig.”

Het door de hoofdstedelijke rechtbank te Boedapest genoemde, op 8 maart 2012 uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel, dossier nummer 13 LEVANA – 13/708004 – 12, betreft een aanhoudingsbevel ten aanzien van de verdachte [verdachte] (zijnde de echtgenoot van de verdachte). Dit aanhoudingsbevel heeft betrekking op de aanhouding van [verdachte] ter zake van mensenhandel en witwassen van opbrengsten van misdrijven, met betrekking tot de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Het door de hoofdstedelijke rechtbank te Boedapest genoemde, op 28 mei 2013 uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel dossier nummer 13 LEVANA – 13/708004 – 12, betreft een aanhoudingsbevel ten aanzien van de verdachte [verdachte] (zijnde de echtgenoot van de verdachte). Dit aanhoudingsbevel heeft betrekking op de aanhouding van [verdachte] ter zake van het medeplegen van uitbuiting in de prostitutie van [slachtoffer 5].

Opvallend is dat in het aanhoudingsbevel ten aanzien van de verdachte van 24 mei 2013 het door de Hongaarse autoriteiten genoemde nummer niet voorkomt, doch enkel als dossier nummer is ingevuld: 13Levana.

Op 3 juni 2013 hebben de Hongaarse justitiële autoriteiten (Ministry of Public Administration and Justice of Hungary) in een in de Engelse taal gestelde fax aan het arrondissementsparket in Amsterdam gevraagd om uitleg ten aanzien van de vraag waarom het nummer van het Europees aanhoudingsbevel dat tegen verdachte is uitgevaardigd gelijk is aan het nummer op het Europees aanhoudingsbevel dat op
8 maart 2012 tegen [verdachte] is uitgevaardigd.

De officier van Justitie in Amsterdam heeft op 3 juni 2013 de betreffende Hongaarse autoriteiten per fax laten weten dat – kort gezegd – in de zaak tegen [verdachte] als intern referentienummer is gebruikt 13/708004-12, dat voor de zaak tegen verdachte nog geen intern referentienummer bestond en dat om die reden voor de zaak van verdachte enkel als referentie is aangehouden “13 LEVANA”. Een nadere, feitelijke, onderbouwing van het witwassen en een nadere beschrijving van de feiten aangaande de mensenhandel ontbreekt.

Vervolgens is door de hoofdstedelijke rechtbank te Boedapest op 16 juli 2013 een besluit genomen, inhoudende de verkorte aanhouding ter overlevering van de verdachte. Deze beslissing is ter terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2016 naar aanleiding van een daartoe strekkende vordering van het hof door de advocaat-generaal overgelegd. De beslissing is in de originele Hongaarse versie in het dossier gevoegd, en is ter terechtzitting van het hof op 26 mei 2016 door de aldaar aanwezige tolk in de Hongaarse taal vertaald. Op 27 mei 2016 heeft de advocaat-generaal op vordering van het hof een vertaling van dit besluit overgelegd, welke vertaling eveneens in het dossier is gevoegd.

Dit besluit van 16 juli 2013 houdt – kort gezegd – in dat de verkorte aanhouding ter overlevering wordt gelast ten aanzien van de verdachte, waarbij als onderliggend feit – kort gezegd – de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 5] is opgenomen. In de beslissing wordt verwezen naar het Europees aanhoudingsbevel van 28 mei 2013. Laatstgenoemd bevel heeft betrekking op [verdachte].

Voorts wordt aangegeven dat de verdachte heeft ingestemd met haar verkorte overlevering, maar geen afstand heeft gedaan van het recht op het specialiteitbeginsel en dat verdachte derhalve niet mag worden vervolgd, dan wel tegen verdachte geen strafvervolging kan worden ingesteld voor andere feiten dan die in het Europees aanhoudingsbevel (het hof begrijpt: dat van 28 mei 2013) zijn genoemd.

In deze beslissing van 16 juli 2013 wordt voorts verwezen naar een signalering met het Schengen identificatienummer [identificatienummer], welk identificatienummer eveneens betrekking heeft op [verdachte].

Na het besluit van 16 juli 2013 is de verdachte in de onderhavige zaak door de officier van justitie gedagvaard, waarbij is ten laste gelegd – kort gezegd – :

  1. het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

  2. het medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van de inkomsten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte wordt vervolgd voor andere feiten dan waarvoor de overlevering van de verdachte is toegestaan, terwijl de verdachte geen afstand had gedaan van haar rechten op basis van het specialiteitbeginsel. Dat aan de beslissing van de Hongaarse rechtbank mogelijk gebreken kleven, maakt dat niet anders.

Gelet op het voorgaande zal het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging van de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 als genoemd in de tenlastelegging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de officier van justitie ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van
mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 juni 2016.

Mr. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.