Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2793

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
16/00026
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:105
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar en ook geen recht op aftrek wegens betaalde alimentatie.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.3
Wet inkomstenbelasting 2001 6.13
Wet inkomstenbelasting 2001 6.15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1690
V-N 2016/46.1.2
FutD 2016-1912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 16/00026

7 juli 2016

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 14/2480 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.432.

1.2.

Na tegen deze aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 24 april 2014, de aanslag IB verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.749.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 december 2015 heeft de rechtbank als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

De rechtbank:

(…)

- verklaart het beroep (…) gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.399 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden;.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 januari 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verzonden aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016. Partijen zijn met bericht aan het Hof niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

1. Eiseres is in het jaar 2010 en 2011 ongehuwd.

2. Eiseres heeft twee dochters: [dochter a] , geboren [in] 1982, en [dochter b] , geboren [in] 1985. Zij staan in 2010 en 2011 op het woonadres van eiseres ingeschreven. [dochter a] is in 2010 en 2011 voltijds studente aan de University of Wisconsin-Milwaukee (VS) en feitelijk woonachtig in de Verenigde Staten.

2011

7. Eiseres heeft aangifte ib/pvv gedaan voor het jaar 2011 op 8 oktober 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.250. In deze aangifte heeft zij een bedrag van € 8.400 aangegeven als uitgaven levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar.

8. In de herziene aangifte voor het jaar 2011 van 10 februari 2014 geeft eiseres een belastbaar inkomen uit werk en woning aan van € 29.749. In de aangifte heeft zij een bedrag aangegeven van € 683 als uitgaven specifieke zorgkosten.

9. Bij het opleggen van de aanslag met dagtekening 28 maart 2014 is de aftrek wegens uitgaven specifieke zorgkosten abusievelijk niet verleend. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 24 april 2014 alsnog rekening gehouden met de uitgeven specifieke zorgkosten van € 683 en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 29.749.

10. In haar bezwaarschrift met dagtekening 8 mei 2014, ontvangen door verweerder op 12 mei 2014, geeft eiseres aan dat zij meent recht te hebben op een hoger bedrag aan aftrek wegens uitgaven levensonderhoud kinderen (€ 4.200) en aftrek alimentatie (€ 12.220) alsmede toepassing van de alleenstaande-ouderkorting. Op 23 mei 2014, ontvangen op 2 juni 2014, heeft eiseres een herziene aangifte ingediend. Verweerder heeft het bezwaarschrift alsmede de herziene aangifte doorgestuurd naar de rechtbank.

2.2.

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil.

  • -

    A) Heeft belanghebbende recht op aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar?

  • -

    B) Heeft belanghebbende recht op aftrek wegens betaalde alimentatie aan de heer [Y] (hierna: [Y] )?

  • -

    C) Heeft belanghebbende recht op de alleenstaande-ouderkorting?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Aftrek kosten levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar

14. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 komen voor aftrek in aanmerking uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Volgens artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010 en 2011) wordt een kind geacht in belangrijke mate op kosten van de ouder te worden onderhouden als de op de ouder drukkende uitgaven voor het kind ten minste € 408 per kwartaal bedragen. Van op de ouder drukkende kosten is sprake indien de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven. Wanneer een kind zelf over voldoende eigen inkomsten of vermogen beschikt om te voorzien in zijn levensonderhoud, is er voor de ouder geen sprake van gedrongenheid en is er derhalve geen aanleiding om de uitgaven van de ouder in aftrek toe te laten.

15. In artikel 36, eerste lid, onder d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is geregeld dat de in artikel 6.15 van de Wet IB 2001 bedoelde uitgaven voor levensonderhoud van een kind van 18 jaar of ouder in aanmerking worden genomen voor een bedrag van € 355 (2010) respectievelijk € 350 (2011) per kwartaal. Op grond van het tweede lid, onder a, wordt dit bedrag verhoogd tot € 710 (2010) respectievelijk € 700 (2011) indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste tot € 710 (2010) respectievelijk € 700 (2011) per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken. Grotendeels betekent tenminste voor 50%.

Ingevolge het tweede lid, onder b, van voornoemd artikel wordt het bedrag van € 355 (2010) respectievelijk € 350 (2011) verhoogd tot € 1.065 (2010) respectievelijk € 1.050 (2011) indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort en indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 1.065 (2010) respectievelijk € 1.050 (2011) per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens geheel of nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken. Nagenoeg geheel betekent tenminste voor 90%.

16. Eiseres claimt in beroep een aftrek van € 4.260 (2010) en € 4.200 (2011). Een redelijke bewijslastverdeling brengt met zich dat eiseres, die een aftrekpost wil toepassen, aannemelijk dient te maken dat zij recht heeft op de aftrek.

17. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres voor het vierde kwartaal 2010 en voor het eerste kwartaal 2011 aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van het levensonderhoud van [dochter a] in belangrijke mate op haar hebben gedrukt. Eiseres heeft, aldus verweerder, recht op aftrek levensonderhoud kinderen van € 355 (vierde kwartaal 2010) en € 350 (eerste kwartaal 2011). De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen.

18. Betreffende de overige kwartalen oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft overzichten verstrekt van haar creditcards waaruit blijkt dat zij geld heeft overgemaakt naar [dochter a] . Tevens heeft zij stukken overgelegd inzake geldleningen die eiseres volgens haar is aangegaan om in het levensonderhoud van [dochter a] te kunnen voorzien. Eiseres heeft naast voornoemde stukken geen enkel inzicht verschaft in het inkomen en bestedingspatroon van haar dochter. Naar het oordeel van de rechtbank is geen dan wel niet voldoende bewijs geleverd van feiten en omstandigheden die inzicht geven in de behoeftigheid van [dochter a] . Eiseres is er voorts er niet in geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die een hogere aftrek voor kosten van levensonderhoud rechtvaardigen dan de door verweerder ter zitting gestelde aftrek.

(…)

Alimentatie

24. Met betrekking tot alimentatiebetalingen is artikel 6.3 van de Wet IB 2001 van belang, welk artikel, voor zover van belang, als volgt luidt:

“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:
a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;
(…)
f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
(…).”

25. Eiseres stelt dat zij recht heeft op een alimentatieaftrek van € 6.000 voor de jaren 2010 en 2011. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een alimentatiecontract, gesloten tussen eiseres en de heer [Y] , overgelegd waarop hij heeft getekend voor de ontvangst van telkens € 6.000 in de jaren 2007 tot en met 2013. Uit de uitspraak van deze rechtbank van 4 april 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:2829) volgt dat eiseres zich in maart 2014 voor de eerste maal beroept op aftrek wegens betaalde alimentatie, terwijl zij volgens het alimentatiecontract al sinds 2007 jaarlijks verplicht is tot betaling.

26. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat aan de voorwaarden van voormeld artikel is voldaan. Verweerder betwist dat sprake is van een familierechtelijke verplichting, nu uit de gegevens van de Belastingdienst niet blijkt dat eiseres met de heer [Y] gehuwd is geweest en er van [Y] sinds 1991/1992 geen woonadres in Nederland bekend is. Eiseres heeft niets overgelegd waaruit kan blijken dat wel sprake is van een uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de betalingen zijn aan te merken als in rechte vorderbare periodieke uitkeringen, zoals omschreven in onderdeel f van genoemd artikel. Voorts overweegt de rechtbank dat het gezien de financiële situatie van eiseres niet aannemelijk is dat zij maandelijks een bedrag van € 500 aan alimentatie betaalt aan [Y] .

27. Nu niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en ook overigens de betaling van € 6.000 in onderhavige jaren niet aannemelijk is geworden, komt de rechtbank tot de conclusie dat geen recht bestaat op aftrek wegens betaalde alimentatie.

Alleenstaande-ouderkorting

28. Op grond van artikel 8.15, eerste lid, onderdeel b en c van de Wet IB 2001 geldt de alleenstaande-ouderkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegeven en deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.

29. Eiseres en haar dochters stonden in 2010 en 2011 op hetzelfde woonadres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Vaststaat dat [dochter a] in 2010 en 2011 in het buitenland woonachtig was. Eiseres heeft niet dan wel onvoldoende weersproken dat [dochter b] in 2010 en 2011 in het buitenland woonachtig was. De rechtbank komt tot het oordeel dat nu [dochter b] en [dochter a] niet feitelijk bij eiseres woonachtig waren, eiseres in 2010 en 2011 geen huishouding heeft gevoerd met [dochter b] noch [dochter a] , zodat eiseres niet in aanmerking komt voor alleenstaande ouderkorting. Daarnaast heeft [dochter a] in 2010 reeds de 27-jarige leeftijd bereikt. Hierdoor wordt niet voldaan aan het gestelde in artikel 8.15 van de Wet IB 2001 en komt eiseres mede op grond daarvan niet in aanmerking voor alleenstaande-ouderkorting.

30. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij wegens haar financiële positie niet in staat is de aanslag te betalen. Voor zover eiseres verzoekt om vermindering of kwijtschelding van de aanslag, overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is daarover te oordelen, aangezien de beslissing daarover is voorbehouden aan de ontvanger. De rechtbank kan dan ook niet oordelen over hetgeen door eiseres in deze is aangevoerd.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof sluit zich voor wat betreft de vragen (A) tot en met (C) aan bij de beslissing van de rechtbank en de daartoe gegeven motivering, onder de volgende aanvullingen.

5.2.

Met betrekking tot vraag (B), heeft de rechtbank de aftrek van de beweerdelijk aan [Y] betaalde alimentatie afgewezen. Bij haar oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de stelling van de inspecteur dat de betaling niet zou voortvloeien uit een familierechtelijke verplichting, zoals vereist door de Wet IB 2001 (hierna: de Wet). Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt niet, aldus de inspecteur, dat belanghebbende met [Y] gehuwd is geweest, terwijl van laatstgenoemde sedert 1991/1992 geen woonadres in Nederland bekend is.

5.3.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat volgens het door belanghebbende overgelegde alimentatiecontract, zij vanaf 2007 tot en met 2013 aan [Y] alimentatie zou betalen, terwijl zij in maart 2014 zich pas voor het eerst beroept op aftrek.

5.4.

Belanghebbende bestrijdt dat [Y] niet zou bestaan of niet in Nederland zou verblijven dan wel hebben verbleven. Zij stelt voorts, dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis zou hebben toegekend aan het feit dat zij nimmer met [Y] gehuwd is geweest. Uit artikel 8 EVRM, dat het recht op “family life” waarborgt, en uit jurisprudentie zou volgen, dat ook personen die ongehuwd hebben samengewoond “uit redenen van burgerplicht en grondregels van de ethiek en de openbare orde” fiscaal gefacilieerd in elkanders levensonderhoud moeten kunnen voorzien.

5.5.

Belanghebbende bestrijdt voorts de relevantie van het gegeven dat zij niet eerder aftrek voor betaalde alimentatie heeft geclaimd. De belastingwetgeving is ingewikkeld, zo stelt zij, en zij heeft niet eerder bedacht dat zij recht op aftrek zou hebben.

5.6.

Belanghebbendes betoog berust op een onjuiste lezing van het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft weliswaar acht geslagen op de zojuist gememoreerde feiten en omstandigheden, maar deze waren niet dragend voor haar oordeel. De rechtbank heeft immers geoordeeld (i) dat belanghebbende geen of onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit zou volgen dat de betaling van alimentatie rust op een familierechtelijke verplichting (artikel 6.3, eerste lid, letter a, van de Wet) en tevens (ii) dat onvoldoende werd aangevoerd voor het oordeel dat sprake zou zijn van een betaling die berust op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud (artikel 6.3, eerste lid, letter f, van de Wet). De rechtbank heeft derhalve geen doorslaggevende betekenis toegekend aan het ontbreken van de huwelijkse staat. Het Hof overweegt voorts, dat de wettelijke regeling niet de door belanghebbende gestelde strijd oplevert met artikel 8 EVRM, nu de Wet ook aftrek mogelijk maakt voor levensonderhoud betaald aan personen met wie men niet gehuwd is geweest maar die wel tot de “family” hebben behoord.

5.7.

De zojuist weergegeven oordelen van de rechtbank dat de alimentatiebetaling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.3. van de Wet, zijn juist en vormen op zichzelf genomen voldoende grond om de aftrek af te wijzen. Noch de aanwezigheid van [Y] in Nederland, noch het tijdstip waarop de aftrek voor het eerst werd geclaimd, zijn relevant.

Slotsom

5.8.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 7 juli 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.