Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2718

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
15/00797
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:8052, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Vertrouwensbeginsel. Belanghebbende is eigenaar van een strandhuisje. In 2014 krijgt belanghebbende een brief van de heffingsambtenaar dat belanghebbende ter zake van het strandhuisje een aanslag rioolheffing zal krijgen. Bij gesprekken met tussen de gemeente en de vereniging is dit echter nimmer ter sprake gekomen. Tot juli 2012 fungeerde de exploitant van de strandhuisjes als gesprekpartner van de gemeente en kreeg de exploitant aanslagen rioolheffing waarin ook de waterafname van de strandhuisjes was begrepen.

Gelet op de feiten en omstandigheden heeft bij belanghebbende de indruk kunnen wekken dat de door de heffingsambtenaar gevolgde gedragslijn beruste op een weloverwogen standpuntbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1815
V-N Vandaag 2016/1581
V-N 2016/41.19.13
Belastingblad 2016/385 met annotatie van Redactie
Mr. R. van den Berg annotatie in NTFR 2016/2051

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00797

31 mei 2016

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Castricum, de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 25 september 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/4155 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 15 juli 2014 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 mei 2014 tot 1 oktober 2014 een aanslag rioolheffing opgelegd ten bedrage van € 75,05 ter zake van het perceel [perceel strandhuisje] te [Z] (hierna: het strandhuisje).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 6 oktober 2014, de aanslag gehandhaafd.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag vernietigd, met nevenbeslissing als in die uitspraak vermeld.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 30 oktober 2015. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in onderdeel 1 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

“ 1. Eiser is eigenaar van het strandhuisje. Vanuit het strandhuisje wordt (in)direct afvalwater afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Voor het jaar 2014 is voor het gebruik van het strandhuisje aan eiser een aanslag rioolheffing opgelegd van € 75,05.”

2.1.2.

Nu door partijen tegen deze vastgestelde feiten geen bezwaren zijn ingebracht, zal het Hof ook van deze feiten uitgaan. Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.

2.2.

Het strandhuisje maakt onderdeel uit van een complex van meerdere strandhuisjes, welke weer deel uitmaken van een groter geheel, horend bij een strandpaviljoen, dat in 2014 werd geëxploiteerd door [A cv] (hierna de: exploitant).

2.3.

Belanghebbende heeft destijds bij de aankoop van het strandhuisje een koop/huurovereenkomst afgesloten met een rechtsvoorganger van de exploitant. In onderdeel 3.2 van de huurovereenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“In de huur is begrepen het jaarlijks bij aanvang en einde van het strandseizoen plaatsen en verwijderen van het dagrecreatiehuisje en vervoer van en naar de winterstalling, alsmede aansluiting op het riool en de daaraan verbonden lasten”

2.4.

De huur is inclusief het gebruik van drinkwater. De in deze pachtovereenkomst opgenomen voorwaarden gaan bij eventuele verkoop van het strandhuisje over op de nieuwe eigenaar.

2.5.

Geen van de strandhuisjes heeft een afzonderlijke watermeter. De strandhuisjes en het strandpaviljoen hebben één gezamenlijke watermeter. De strandhuisjes zijn via de riolering van de exploitant aangesloten op de gemeentelijke riolering.

2.6.

Aan de exploitant werd jaarlijks een aanslag rioolheffing opgelegd. De aanslag werd berekend aan de hand van het volgens de watermeter toegevoerde water. Omdat de exploitant en de strandhuisjes geen afzonderlijke watermeter hebben, had dit tot gevolg, zo heeft de heffingsambtenaar ter zitting bij het Hof bevestigd, dat tot het jaar 2014 het totaal naar de strandhuisjes én de exploitant toegevoerde water als grondslag diende voor de aanslag rioolheffing opgelegd aan de exploitant. met ingang van 2015 wordt aan de exploitant enkel het ‘vastrecht’ als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Verordening in rekening gebracht.

2.7.

De eigenaren van de strandhuisjes zijn verenigd in de [vereniging B] (hierna ook: de Vereniging). In elk geval sinds 2012 vindt jaarlijks overleg plaats tussen de Vereniging en de exploitant enerzijds en de gemeente anderzijds over aangelegenheden die hen aangaan.

2.8.

Met dagtekening 21 mei 2014 is door het College van Burgemeester en Wethouders een brief gestuurd aan belanghebbende. In die brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Op dit moment betalen gebruikers/eigenaren van strandhuisjes geen rioolheffing. Op basis van de ‘Verordening rioolheffing’ is rioolheffing van toepassing op roerende zaken die zijn aangesloten op de riolering.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum heeft daarom besloten de strandhuisjes in de heffing te betrekken die zijn aangesloten op het riool. Dit geldt vanaf 2014 voor het deel van het jaar dat gebruik plaatsvindt (mei t/m september). De heffing zal rond de € 75 per jaar liggen.

Naar verwachting zal de aanslag in de maand juni van dit jaar worden verzonden.”

2.9.

De aanslag is opgelegd met dagtekening 15 juli 2014. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2014. In de uitspraak op bezwaar staat, voor zover hier van belang, het volgende.

“Beoordeling van uw bezwaar

De strandexploitant ontving tot belastingjaar 2014 een aanslag rioolheffing op basis van het zogenaamde ‘grootwaterverbruik’. Deze aanslag rioolheffing ‘grootwaterverbruik’ was gebaseerd op het aantal kubieke meters afvalwater, dat direct of indirect op de gemeentelijke riolering werd afgevoerd door het strandpaviljoen en de afzonderlijk strandhuisjes. Tot 2014 ontving u als eigenaar/gebruiker van het strandhuisje geen aanslag rioolheffing omdat de aanslag werd opgelegd aan de strandexploitant. De strandexploitant heeft de opgelegde aanslag rioolheffing vervolgens met de eigenaren/gebruikers van de strandhuisjes verrekend.

Deze verrekening betekent, dat u tot 2014 rioolheffing heeft betaald via de strandexploitant. Er is geen sprake van een dubbele aanslag omdat het strandpaviljoen en de strandhuisjes vanaf 2014 afzonderlijk in de rioolheffing worden betrokken.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil is of de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel. Niet in geschil is dat de aanslag is opgelegd conform de gemeentelijke verordening.

3.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een bedrag van € 60,64. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.3.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting bij de rechtbank en het Hof.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat het strandhuisje een afzonderlijk perceel is in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a van de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2014 (hierna: de Verordening) en dat de aanslag op zich is opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in de Gemeentewet en de Verordening. In geschil is of de aanslag is opgelegd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

4.2.

De rechtbank heeft omtrent het vertrouwensbeginsel als volgt geoordeeld:

“8. Vervolgens komt de rechtbank toe het standpunt van eiser dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door vanaf 2014 plotseling aanslagen rioolheffing aan de eigenaren van de afzonderlijke huisjes op te leggen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In de huurovereenkomst tussen eiser en de strandexploitant (in de overeenkomst aangeduid als [C] , verkoper/verhuurder) is onder meer het volgende overeengekomen:

“3.2. In de huur is begrepen (…) aansluiting op waterleiding en riool en de daaraan verbonden lasten.

(…)”

Eiser heeft onweersproken gesteld dat de strandexploitant de rioolheffing doorberekent aan de huisjeseigenaren, dat de gemeente op de hoogte is van de afspraken tussen de strandexploitant en de huisjeseigenaren en dat verweerder derhalve wist dat de exploitant de rioolheffing aan de eigenaren doorberekende. Dit wetende heeft verweerder tot 2014 nimmer aanslagen aan de eigenaren afzonderlijk opgelegd. De rechtbank leidt voorts uit de verklaring van verweerder ter zitting af dat de eigenaren van de strandhuisjes al jarenlang beschikken over een eigen (indirecte) rioolaansluiting, en dat de gemeente eerst met ingang van 2014 is overgegaan tot heffing bij de huisjeseigenaren. In ieder geval tot 2014 werd de strandexploitant aangeslagen voor al het waterverbruik door zowel het strandpaviljoen als de strandhuisjes. Voorts heeft verweerder desgevraagd gesteld – zo begrijpt de rechtbank verweerders standpunt – dat, gelet op artikel 5, tweede lid, van de Verordening, de aanslag rioolheffing 2014 die aan de strandexploitant is opgelegd, een heffing achteraf is over 2013 zodat vanaf 2014 geen meerverbruik ten aanzien van de strandhuisjes meer aan de strandexploitant wordt doorberekend.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door in eerdere jaren geen aanslagen aan de afzonderlijke huisjeseigenaren op te leggen in de wetenschap dat de strandexploitant de rioolheffing aan hen doorberekende, hiermee de indruk heeft gewekt dat geen aanslagen aan de afzonderlijke eigenaren zouden worden opgelegd maar één aanslag voor het totale verbruik van het strandpaviljoen en de huisjes gezamenlijk. Er is dan ook sprake van een impliciete standpuntbepaling door verweerder waaraan de huisjeseigenaren vertrouwen mochten ontlenen. Door in 2014 voor datzelfde jaar een aanslag rioolheffing op te leggen heeft verweerder in strijd met het door hem gewekte vertrouwen gehandeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de aanslagoplegging over 2014 sprake is van een dubbele heffing. De rechtbank kan namelijk verweerder niet volgen in zijn stelling dat vanaf 2014 geen meerverbruik meer aan de strandexploitant wordt doorberekend. Uit de tekst van de Verordening kan immers niet anders worden afgeleid dan dat de aanslag over 2014 betrekking heeft op de afvoer van water op de gemeentelijke riolering in 2014, en dat de hoogte van de heffing wordt gebaseerd op het waterverbruik in het jaar voorafgaand aan het belastingjaar. De voor het belastingjaar 2014 aan de strandexploitant (en ook die aan de huisjeseigenaren) opgelegde aanslag ziet derhalve op 2014 en niet, zoals verweerder stelt, op 2013. Dit betekent dat in 2014 (gedeeltelijk) sprake is van een dubbele heffing, omdat zowel van de strandexploitant als van de huisjeseigenaren is geheven ter zake van het gebruik van de strandhuisjes. De aanslag 2014 is bovendien gebaseerd op het gemeten waterverbruik in 2013. Gelet op de verklaring van verweerder ter zitting acht de rechtbank evenwel niet aannemelijk dat in 2014, laat staan in 2013, er een watermeter aanwezig was, zodat de exploitant ook niet kón worden aangeslagen voor alleen het waterverbruik van het strandpaviljoen. Hierdoor heeft verweerder tevens in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die van een bestuursorgaan mag worden verwacht.

10. Verweerder heeft derhalve in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld door in 2014 over te gaan tot het opleggen van een aanslag over dat jaar aan eiser, zonder de huisjeseigenaren – waaronder eiser – en de strandexploitant een redelijke termijn te geven om maatregelen te treffen om het afzonderlijke waterverbruik te meten, hetgeen – in strijd met de vereiste zorgvuldigheid – ook nog eens geleid heeft tot dubbele heffing. Het beroep is derhalve gegrond en de aan eiser opgelegde aanslag dient te worden vernietigd.”

4.3.1.

Belanghebbende heeft betoogd dat de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar jarenlang het beleid heeft gevoerd dat aan de exploitant een aanslag rioolheffing wordt opgelegd voor het waterverbruik van zowel de exploitant als van de strandhuisjes. De exploitant rekende vervolgens het aan de strandhuisjes toe te rekenen deel van de aanslag door aan de eigenaren van de strandhuisjes. Dit bedrag zit, aldus belanghebbende, in de pachtprijs inbegrepen. Door deze jarenlange handelwijze is volgens belanghebbende de verwachting gewekt dat geen aanslagen aan de afzonderlijke eigenaren zouden worden opgelegd. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen onder meer naar de hierboven in onderdeel 2.9 weergegeven passage uit de uitspraak op bezwaar en de in onderdeel 2.8 weergegeven brief.

4.3.2.

De heffingsambtenaar bestrijdt dat hij heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Er is volgens de heffingsambtenaar nooit gezegd of beweerd dat er na de aansluiting van de strandhuisjes op de gemeentelijke riolering geen aanslagen rioolheffing zouden worden opgelegd aan de eigenaren van de strandhuisjes. De heffingsambtenaar stelt dat hij aanvankelijk niet op de hoogte was van het feit dat de strandhuisjes (indirect) waren aangesloten op het riool en dat tussen de exploitant en de eigenaren/pachters van de strandhuisjes afspraken waren gemaakt omtrent het doorberekenen van de aanslag rioolheffing. De heffingsambtenaar betoogt voorts dat de door belanghebbende genoemde brieven (zie hierboven in onderdeel 4.3.1) stammen uit een periode nadat de gemeente bekend is geworden met het feit dat de strandhuisjes wél (reeds langer) waren aangesloten op de gemeentelijke riolering en dat – in de visie van de heffingsambtenaar – daarvoor ten onrechte geen afzonderlijke aanslagen werden opgelegd.

4.4.1.

Het Hof stelt vast dat, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, de gemeente (wethouder) sinds juli 2012 op jaarlijkse basis overleg voert met de Vereniging, onder meer over de (voor dat jaar) nieuwe regelingen van de gemeente die voor de Vereniging relevant zijn, en dat tijdens deze besprekingen de rioolheffing vóór het verzenden van de onder 2.8 weergegeven brief nimmer ter sprake is gekomen. Belanghebbende heeft in dit verband tevens onweersproken gesteld dat in maart 2014 het bedoelde jaarlijkse overleg met de gemeente heeft plaatsgevonden en dat tijdens dat overleg van de zijde van de gemeente niet aan de orde is gesteld dat voortaan (ook) aanslagen rioolheffing zouden worden opgelegd aan de eigenaren van de strandhuisjes. Tot juli 2012 fungeerde voor zaken aangaande de strandhuisjes uitsluitend de exploitant als gesprekpartner van de gemeente. Tevens staat vast dat tot en met het jaar 2014 aan de exploitant aanslagen rioolheffing zijn opgelegd naar het hogere, variabele tarief. Daarbij werd ook de waterafname van de strandhuisjes in de grondslag betrokken.

4.4.2.

Naar het oordeel van het Hof hebben de hiervoor onder 4.4.1 vermelde feiten en omstandigheden, bezien in samenhang en onderling verband, bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk kunnen wekken dat de door de heffingsambtenaar gedurende enige jaren gevolgde gedragslijn berustte op een weloverwogen standpuntbepaling. Op grond daarvan heeft bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk post kunnen vatten dat aan hem geen aanslag rioolheffing zou worden opgelegd en dat de verschuldigde rioolheffing in één aanslag zou worden opgelegd aan de exploitant. Deze indruk vindt bevestiging in het gebruik door de heffingsambtenaar van het woord ‘omdat’ in zijn uitspraak op bezwaar (zoals geciteerd in r.o. 2.9). De omstandigheid dat de heffingsambtenaar niet (rechtstreeks) betrokken was bij de jaarlijkse overleggen met de eigenaren van de strandhuisjes doet geen afbreuk aan het gewekte vertrouwen. Dit te honoreren vertrouwen is voorts niet zo duidelijk in strijd met een juiste rechtstoepassing dat belanghebbende niet op nakoming ervan mocht rekenen.

4.5.

Nu het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een impliciete standpuntbepaling van de zijde van de heffingsambtenaar en deze derhalve een in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt, zal dit vertrouwen in ieder geval moeten worden gehonoreerd tot het tijdstip waarop de heffingsambtenaar de belastingplichtige kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn standpunt heeft gewijzigd (vergelijk Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37.122, ECLI:NL:HR:2003:AE6422, BNB 2004/59). In het onderhavige geval is niet van een dergelijke mededeling op een eerder tijdstip gebleken dan in de brief van 21 mei 2014. Vanaf dat moment was het voor belanghebbende kenbaar dat de heffingsambtenaar zijn standpunt heeft gewijzigd. Echter, heffing kan onder die omstandigheden niet plaatsvinden over een tijdvak waarin het vertrouwen was geëindigd (vergelijk Hoge Raad 11 april 2014, nr. 13/02610, ECLI:NL:HR:2014:873, BNB 2014/128). Omdat belanghebbende reeds voor maart 2014 de pachtprijs, met daarin begrepen het door de exploitant doorberekende bedrag aan rioolheffing, aan de exploitant heeft voldaan, is het Hof van oordeel dat in dit geval over het gehele tijdvak van de aanslag niet geheven kan worden (vergelijk in dezelfde zin Hoge Raad 2 september 1992, nr. 27.855, ECLI:NL:HR:1992:BH8392, BNB 1993/2). De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.

4.6.

Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel. De vraag of de aanslag is opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel behoeft derhalve geen behandeling meer.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Van de heffingsambtenaar zal een griffierecht worden geheven van € 497.

5 Kosten

Nu kosten zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 497.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.A. Fase, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier. De beslissing is op 31 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.