Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2681

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
21-09-2016
Zaaknummer
200.163.883/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid accountant. De appellante heeft een aanzienlijk bedrag geleend aan Naturo, afgaande op de door de accountant opgestelde jaarcijfers, die echter ondeugdelijk waren en waarvoor geen goedkeurende verklaring had mogen worden afgegeven. Anders dan de eerste rechter oordeelde, is er voldoende causaal verband tussen de onrechtmatige daad van de accountant en de schade van de appellante, zijnde het onverhaalbare gedeelte van de lening.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 362
Burgerlijk Wetboek Boek 2 384
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2721
JA 2016/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.163.883/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/499304 / HA ZA 11-2474

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 juli 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HELI HOLDING B.V.,

gevestigd te Koudekerk aan den Rijn,

appellante,

advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JOACC B.V.,

gevestigd te Middelie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 2] ,

gevestigd te Wognum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BURO VOOR GESCHILOPLOSSING B.V.,

gevestigd te Weesp,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 4] ,

gevestigd te Schoorl,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 5] ,

gevestigd te Barneveld,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 6]

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Heli Holding en Joacc c.s. genoemd.

Heli Holding is bij dagvaarding van 28 november 2014 in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2014, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen haar als eiseres en Joacc c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens houdende eiswijziging, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 september 2016 doen bepleiten, Heli Holding door haar hiervoor genoemde advocaat en Joacc c.s. door mr. N.P. van Didden, advocaat te Amsterdam en mede door haar hiervoor genoemde procesadvocaat. De advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd (paragraaf 53 van de pleitnota van mr. Deckers is niet door hem voorgedragen). Door Heli Holding zijn nog producties in het geding gebracht (genummerd 149 tot en met 153).

Na het pleidooi is de zaak aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen.

Ten slotte is het hof meegedeeld dat geen schikking is bereikt en is arrest gevraagd.

Heli Holding heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad – haar bij memorie van grieven gewijzigde eis zal toewijzen, Joacc c.s. zal veroordelen in de proceskosten, met nakosten en rente, en Joacc c.s. zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Joacc c.s. heeft voldaan, met rente.

Joacc c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Heli Holding in de proceskosten, met rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.36 de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Met de grieven 1 en 2 wordt opgekomen tegen de feiten onder 2.1 en 2.7. In het hierna volgende overzicht van de feiten zal met deze grieven rekening worden gehouden. Voor het overige zijn de door de rechtbank als vaststaand aangemerkte feiten in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Deze feiten zullen, voor zover van belang, in de volgende overwegingen worden weergegeven.

2.2.

[A] (hierna: [A] ) is AA-accountant en was werkzaam bij het kantoor [B & O] .V. [B] (hierna: [B] ) is in 1986 cliënt van dit kantoor geworden.

2.3.

[A] is directeur van Heli Holding en met ingang van 7 februari 1996 bestuurder van Stichting Administratiekantoor [B] (hierna: het Administratiekantoor).

2.4.

In 1991 heeft [B] via C. [B] Beheer B.V. (hierna: [B] Beheer), welke vennootschap later Sodalis B.V. (hierna: Sodalis) is genoemd, uiteindelijk een 100% belang verkregen in de Naturo-organisatie. [B] hield direct en via het Administratiekantoor alle aandelen in [B] Beheer/Sodalis. [B] was destijds bestuurder van de hierna te bespreken Naturo-organisatie samen met zijn echtgenote [I] .

2.5.

Tot de Naturo-organisatie behoorden onder meer Naturo Special Products B.V., Naturo Filialen B.V. en Naturo Kurkexperts B.V. De namen van deze vennootschappen zijn later gewijzigd in Cortica Special Products B.V., Cortica Filialen B.V. respectievelijk Cortica Experts Ede B.V. (de laatste vennootschap hierna: Cortica Experts en alle vennootschappen hierna gezamenlijk: de Cortica-vennootschappen). Verder maakte Naturo Holding B.V. deel uit van de Naturo-organisatie. Zij was enig aandeelhouder van de Duitse vennootschappen Naturo Deutschland Bodenbeläge GmbH en Naturo Vertriebsfilialen GmbH (hierna: de Duitse vennootschappen).

2.6.

De openbare maatschap HLB [C] Accountants & Consultants (hierna: de maatschap [C] ) heeft van 1989 tot 1996 accountantswerkzaamheden verricht voor de Naturo-organisatie. Joacc c.s. zijn de toenmalige maten van de maatschap [C] . HLB [C] Beheer is vanaf 2006 de rechtsopvolgster van de maatschap [C] .

2.7.

[B] Beheer had een doorlopende opdracht aan de maatschap [C] verstrekt, die in ieder geval inhield dat de maatschap [C] de jaarrekeningen van de Naturo-organisatie zou controleren. Namens de maatschap [C] traden P.J. [F] (hierna: [F] ) en (in mindere mate) A.H. [J] op als accountant van de Naturo-organisatie.

2.8.

Tot eind 1992 is [B] met de Naturo-organisatie cliënt geweest van [B & O] .V.

2.9.

In de loop van 1994 is [B] geïnteresseerd geraakt in een mogelijke verkoop van de Naturo-organisatie. [A] heeft daarbij vanaf januari 1995 tot april/mei 1995 begeleidende en adviserende werkzaamheden verricht.

2.10.

In verband met de mogelijke verkoop van de Naturo-organisatie heeft [B] de maatschap [C] gevraagd de organisatie te waarderen. De maatschap [C] heeft daarop op 23 november 1994 een rapport (hierna: het waarderingsrapport) uitgebracht, waarin zij de Naturo-organisatie waardeert op circa f. 3.000.000,-. Dit rapport is op 28 december 1994 door de maatschap [C] aangepast. In haar begeleidende brief schrijft zij dat er correcties zijn toegepast naar aanleiding van een verlaging van de geprognotiseerde omzet en een verhoging van de geprognotiseerde bruto marge. De waarde van de Naturo-organisatie is op grond hiervan bepaald op f 4.275.000.

2.11.

Op of omstreeks 28 december 1994 heeft de maatschap [C] een interim-controle uitgevoerd bij de Naturo-organisatie. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte verslag houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Duitsland

-----------

Tot en met 30-9-1994 was de administratie van de Duitse dochtermaatschappijen in het geheel niet gevoerd. De in Naturo Kurkexperts B.V. opgebouwde rekening-courant verhouding met Duitsland kon derhalve niet afgestemd worden. Het resultaat Duitsland is uiteraard per 30-9-1994 ook niet bekend. Opgemerkt dient te worden dat de vordering in rekening-courant met Duitsland met

f 300.000 is toegenomen tot f 514.000.”

2.12.

Bij brieven van 30 januari 1995, 3 maart 1995, 20 juli 1995 en 21 juli 1995 heeft de accountant van de Duitse vennootschappen, D. [D] (hierna: [D] ), de maatschap [C] er – kort gezegd – op gewezen dat de boekhouding van de Duitse vennootschappen niet op orde was. Deze brieven zijn door de maatschap [C] doorgestuurd naar (onder meer) J. [E] (hierna: [E] ), (mede)bestuurder van de Naturo-organisatie, waarbij een verzoek tot overleg is gedaan.

2.13.

Bij brief van 7 april 1995 heeft [F] , voor zover relevant, het volgende aan [B] geschreven:

“Zoals wij reeds telefonisch bespraken hebben wij enige zorg met betrekking tot de aandacht, welke kan worden gegeven aan de zeer veel lopende (beleids)zaken. (…)

In de huidige (onderhandelings)situatie, constateren wij dat de leiding, Jan [E] , zich met te veel zaken moet bezig houden. De enige oplossing, die wij zien op dit moment, is dat er op niet al te lange termijn duidelijkheid komt met betrekking tot de lopende onderhandelingen.”

2.14.

Bij faxbericht van 29 mei 1995 heeft [A] , voor zover relevant, het volgende aan [F] geschreven:

“I.v.m. de liquiditeitsnood a.g.v. te stellen bankgaranties t.b.v. Amorim zou ik graag op zeer korte termijn, (…), een opgave ontvangen van de in de jaren 94 t/m 91 betaalde vennootschapsbelasting welke mogelijk in aanmerking komt voor teruggave c.q. carry back.”

2.15.

Bij brief van 2 juni 1995 heeft [F] , voor zover relevant, het volgende aan [B] geschreven:

“Wij hebben in onze brief van 7 april 1995 reeds onze bezorgdheid uitgesproken over de in de Naturo Groep ontstane situatie.

Tot op heden hebben de onderhandelingen met derden nog steeds niet geleid tot een participatie, aanvullende financiering dan wel een volledige overname.

De financiële positie van de Naturo Groep wordt hierdoor thans serieus bedreigd.

Wij zijn van mening dat de liquiditeitspositie van de Naturo Groep, zonder ingrijpende maatregelen op zeer korte termijn, geen andere mogelijkheid openlaat dan een surséance van betaling.

Wij dringen aan op een bespreking in een klein comité teneinde de gerezen situatie te kunnen beoordelen en te bespreken welke maatregelen op korte termijn kunnen worden genomen.”

2.16.

Op 13 juni 1995 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [B] , [E] en verschillende medewerkers van de Rabobank. Het naar aanleiding daarvan door [G] van Rabobank opgemaakte gespreksverslag, gedateerd 30 augustus 1995, houdt, voor zover relevant, het volgende in:

INLEIDING

In oktober 1994 heeft de heer [E] namens de onderneming verzocht een verruiming van het krediet te bezien ter financiering van voorraden en crediteuren. Doordat op dat moment onvoldoende gegevens beschikbaar waren om tot een beoordeling te komen is destijds besloten de aanvraag aan te houden. Een onverwacht vertrek van de controller heeft ertoe geleid dat de aanlevering van de gevraagde gegevens vertraagd is. Vooruitlopend op de aanvraag vindt nu de revisie 1993 plaats en worden de voorlopige cijfers 1994 geanalyseerd.

(…)

FINANCIELE ANALYSE VAN DE ONDERNEMING

Jaarcijfers 1993: resultatenrekening

(…)

Balans

(…)

Voorlopige jaarcijfers 1994

(…)

STERKTE/ZWAKTE ANALYSE

Sterk:

Omzet- en rentabiliteitsontwikkeling

Betalingscapaciteit

Zekerheden

Zwak

Vermogenspositie

RESUMÉ

De geconsolideerde omzet steeg in 1993, met een verbeterde brutomarge. De solvabiliteit verbeterde en de betalingscapaciteit was toereikend. In 1994 blijft de omzet van Naturo Kurkexperts B.V. op het niveau van 1993, terwijl een deel van haar omzet verlegd werd naar Naturo Special Products B.V. Verbetering van de brutowinst in combinatie met een beperkte kostenstijging leidde tot een verbeterde rentabiliteit.

De betalingscapaciteit en zekerheden zijn toereikend.

Continuering van de faciliteiten is mijns inziens verantwoord.”

2.17.

Op 5 oktober 1995 is de geconsolideerde jaarrekening 1994 van [B] Beheer uitgebracht. Op dezelfde datum heeft de maatschap [C] voor deze jaarrekening een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven. In de desbetreffende jaarrekening is een bedrag van f. 1.262.739,00 aan kosten die samenhangen met de Duitse vennootschappen, geactiveerd onder immateriële vaste activa. Verder is daarin, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“In de consolidatie 1994 zijn wegens het ontbreken van de gegevens deze niet opgenomen (waren in 1993 wel opgenomen):

Naturo Bodenbeläge GmbH

Naturo Vertriebsfilialen GmbH

In 1993 en 1994 is het aantal vestigingen in Duitsland aanzienlijk toegenomen ten gevolge van activiteiten gericht op de ontwikkeling van de markt in Duitsland. In beide GmbH’s zijn aanloopkosten gemaakt ten behoeve van deze ontwikkeling. Het vermoedelijk negatief resultaat van beide vennootschappen wordt als investering “Marktontwikkeling Duitsland” beschouwd. Het resultaat over 1994 in deze vennootschappen zal derhalve nihil bedragen.”

2.18.

In het najaar van 1995 heeft [B] [A] gevraagd of hij hem kon helpen in verband met het ontstane liquiditeitsprobleem in de Naturo-organisatie. [A] heeft [B] daarop in contact gebracht met extern adviseur G.F. [H] (hierna: [H] ).

2.19.

Bij faxbericht van 2 november 1995 heeft [H] , voor zover relevant, het volgende aan [E] geschreven:

“Aan de hand van de gesprekken die ik tot nu toe zowel met jou als met Cees [B] gevoerd heb kom ik, zoals ik je al zei, tot de conclusie dat er zaken zijn die niet goed gaan, op basis van of onbegrip, onvoldoende communicatie of verschil van inzicht. Het is mijn doelstelling om een aantal veranderingen/verbeteringen aan te brengen om zo voor het einde van het jaar een situatie te creëren die ons in staat stelt om snel een beeld te krijgen hoe het bedrijf er voor staat.

(…)

a. a) MWSt vordering DldJe hebt met toegezegd dat je begin volgende week daarover uitslag krijgt. Midden volgende week moeten we dus weten welk bedrag we wanneer krijgen. (…) Het duurt TE lang en je hebt het geld nodig.

(…)

c) Terugval liquiditeit dit jaarDe eerste f 300.000 terugval werd dus veroorzaakt door de belasting vordering van de vorige eigenaar. Verdere f 150.000 verdween er in de kleurcarousels terwijl de liquiditeitsdruk nog verhevigd word door de f 500.000 onverwachte inkoop van juli die in oktober moest worden betaald. Is de liquiditeitsprognose ooit een keer ter hand genomen? Niettemin blijft het een onduidelijk verhaal Jan, een verhaal dat me eigenlijk geen bevrediging geeft. (…)

Resultaat eerste half jaar 1995, en daarmee samenhangende filiaal administratie.

De resultaten van de filialen Dld. van het eerste halfjaar lopen in jouw resultaat eerste half jaar nog niet mee. Jij zorgt ervoor dat de komende week de resultaten op tafel komen van deze duitse filialen.

(…)

Aantrekken vreemd kapitaal

Met nadruk heb je bij mij enige malen naar voren gebracht dat er niet aan is te ontkomen dat vreemd kapitaal wordt aangetrokken. Jan, maak daar dan een goed onderbouwd verhaal van. Dan kunnen we dat bekijken en bespreken. Met alleen iets te roepen komen we niet verder. Ik heb er nota van genomen dat je zelf ook financieel wilt deelnemen.

(…)

Financiële situatie Kennelijk is er nu dus even iets meer lucht ontstaan doordat de lakleverancier zijn vordering van f 250.000 even achtergesteld heeft. Meer lucht komt er pas als we binnenhalen a) de Duitse BTW (ca. f. 200.000?) en de Nederlandse VB (ook ca. f 200.000. AL HET MOGELIJKE MOET WORDEN GEDAAN OM HET BINNEHALEN VAN DEZE VIER TON TE BESPOEDIGEN.”

2.20.

Een ‘Notitie met betrekking tot aanvulling lang vermogen Naturo groep’ van [F] , gedateerd 3 november 1995, houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Er bestaat gedurende een aantal jaren dringend behoefte aan aanvulling van langlopende schulden en eigen vermogen.

De resultaten van de jaren 1993 en 1994 hebben geen bijdrage kunnen leveren aan deze behoefte, daar de resultaten vrijwel nihil waren.

Bovendien is het balanstotaal in 1994 ten opzichte van 1993 gestegen met f 2.000.000 ten gevolge van investeringen in Duitsland (f 1.300.000), in immateriële vast activa (f 200.000) en in uitbreiding van debiteuren en voorraden (f 500.000), zodat de behoefte is toegenomen.

(…) In een gesprek met (…) Rabobank, is deze behoefte gesignaleerd en is de volgende oplossing voorgesteld.

1. Uitbreiding van eigen vermogen door middel van een converteerbare obligatielening en/of storting aandelenkapitaal en agio met f 500.000

De lakleverancier (…) heeft zich in principe bereid verklaard een gedeelte van haar vordering op de Naturo Groep om te zetten in eigen vermogen voor een bedrag van

f 250.000

Een groep relaties van (…) [E] is bereid tezamen met deze laatste f 250.000 eigen vermogen in te brengen.

(…)

2. Aantrekken middellang krediet ad f 1.000.000.

Bij de Rabobank is verzocht tot verstrekking van in hoofde vermelde lening. (…) De aanvraag is in behandeling bij de Rabobank te Utrecht.”

2.21.

Bij faxbericht van 6 november 1995 heeft [H] , voor zover relevant, het volgende aan [E] geschreven:

“Het gesprek van vrijdagmorgen (hr [F] , jij en ondertekenaar) heeft veel duidelijk gemaakt. [F] is diep in de hele Naturo-materie geïntegreerd en zijn funktie gaat dus verder dat die van een “gewone” accountant.

Liquiditeit.

Mij is ook duidelijk geworden hoe in feite de situatie is terzake van terug te vorderen VB en MWSt. Een en ander gaat dus mogelijk nog maanden duren voor we die 4½ ton kunnen binnenhalen.

Daarom Jan, ik adviseer je van [C] & Co een formele accountantsverklaring te vragen waarin men het verzoek tot teruggave (van zowel VB als MWSt) onderbouwt.

Op basis van die accountantsverklaring is het dan waarschijnlijk wel mogelijk bij de bank een paar ton “voorschot” te krijgen. Dat zou toch ook weer helpen.

(…)

Aantrekken vreemd vermogen

Het is (mij) inmiddels wel duidelijk dat er een oplossing moet komen voor het nijpende gebrek aan kapitaal. Voor het eerste moment een voorschot op basis van de acc. verkl. Dat er 41/2 ton terug te vorderen is, en daarna een aanvullende bankkrediet, mogelijk gepaard gaande met het aantrekken van vreemd kapitaal.”

2.22.

Op of omstreeks 11 december 1995 is [E] afgetreden als (mede)bestuurder van de Naturo-organisatie.

2.23.

Een door de accountmanager bij Rabobank opgemaakte ‘Toelichting bij [B] Beheer BV cs’, gedateerd 20 december 1995, houdt, voor zover relevant, het volgende in:

Inleiding

Dit verslag beschrijft in grote lijnen de ontwikkeling van onderneming [B] Beheer B.V. cs. en geeft inzicht in de huidige positie van de onderneming, ten behoeve van Rabobank Nederland, afdeling B.B.K.

(…)

Tot voor kort werd de directie van de onderneming gevormd door de heer [B] (directeur en aandeelhouder) en de heer J. [E] (directeur). De heer [E] is begin december, na intern onderzoek verricht door een commissaris van de onderneming en het I.M.K., op non-actief gesteld. Dit heeft twee oorzaken:

- Onder het bewind van de heer [E] is de onderneming voor een aantal franchisenemers gaan fungeren als bankier. De ouderdom van een aantal vorderingen is sterk opgelopen en in sommige gevallen zijn vorderingen omgezet in leningen.

- In 1994 is men veranderd van leverancier. (…) Spoedig bleek dat de nieuwe leverancier niet in staat was zorg te dragen voor een constante kwaliteit van de grondstoffen. Hierdoor moest noodgedwongen teruggegrepen worden op de oude leverancier.

Bovengenoemde zaken hebben er toe geleid dat de financiële positie van de onderneming is verzwakt, mede omdat in combinatie hiermee een aantal investeringen is verricht in Duitsland, vanuit de cash-flow van de onderneming. (…) Om het werkkapitaal te versterken werd in november een financieringsaanvraag ingediend. De Rabobank Utrecht wordt verzocht een middellange lening van f 1.000.000,- te verstrekken. (…) Deze aanvraag is aangehouden omdat niet duidelijk is hoe groot de exacte kredietbehoefte is, zo ontbreken rentabiliteits- en liquiditeitsprognoses. Ook is geen inzicht in recente balansposities. In het algemeen ontbreekt een duidelijke toekomstvisie.

(…)

Een directe maatregel die is genomen door de heer [B] is het aanscherpen van het debiteurenbeleid. Een aantal franchisenemers wordt slechts bevoorraad nadat oude vorderingen zijn voldaan. Dit moet de komende weken zorgen voor een verruiming van de liquiditeit en afbouw van de huidige overstand. Deze overstand bedraagt ruim f 400.000,-. (…) De overstand is verleend om betaling van salaris- en belastingbetalingen mogelijk te maken.

(…)

Financiële positie van de onderneming

Bijgevoegd zijn de cijfers van 1994, de voorlopige cijfers tot en met het derde kwartaal van 1995 en een prognose voor 1995. Volgens de heer [F] , namens [C] & Co accountants, zullen de definitieve cijfers niet afwijken van de conceptcijfers. Basis voor de beoordeling zijn de geconsolideerde cijfers van [B] Beheer B.V. (…)

Balans en B.A.V.

De toename van de financiële activa geven de investeringen in Duitsland weer. (…) Zowel de solvabiliteit als het B.A.V. zijn matig.

Resumé

Diverse investeringen in Duitsland, hogere inkoopkosten en een coulant debiteurenbeleid hebben tot een zorgwekkende liquide positie geleid van de onderneming. Het bedrijf is volledig afhankelijk geworden van de verschaffers van (kort) vreemd vermogen: de bank en de crediteuren. De afhankelijkheid wordt versterkt doordat de onderneming slechts enkele crediteuren heeft.

Om de knelpunten bloot te leggen en een plan voor de toekomst vast te stellen is het I.M.K. ingeschakeld, dat op basis van de in het verleden behaalde resultaten en het franchiseconcept mogelijkheden ziet voor de toekomst.

Bij het uitstippelen van de te volgen koers zal begeleiding van de Rabobank, en in het bijzonder ondersteuning van B.B.K., van essentieel belang zijn.”

2.24.

In een kredietovereenkomst van 7 februari 1996 staat dat Heli Holding aan de Naturo-organisatie een krediet verstrekt van maximaal f 1.000.000,-, waarbij is overeengekomen dat Heli Holding volledig vrij is te bepalen in welke termijnen en op welke data zij het krediet ter beschikking stelt en voorts dat het Heli Holding vrij staat om op elk moment de kredietverlening te staken.

2.25.

Bij brief van 19 februari 1996 heeft [B] de aan de maatschap [C] verstrekte opdracht tot het verrichten van accountantswerkzaamheden voor de Naturo-organisatie ingetrokken dan wel opgezegd, nadat de maatschap [C] haar bij herhaling tot betaling van openstaande facturen had gesommeerd.

2.26.

Op 23 februari 1996 heeft de maatschap [C] verlof gekregen tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder verschillende afnemers van de Naturo-organisatie. Deze beslagen zijn vervolgens door de maatschap [C] gelegd.

2.27.

Op 22 augustus 1996 heeft Rabobank het door haar aan de Naturo-organisatie verstrekte krediet opgezegd.

2.28.

Op 27 augustus 1996 zijn de faillissementen uitgesproken van de Cortica-vennootschappen.

2.29.

In opdracht van [B] Beheer heeft Moret Ernst & Young Accountants de aanvaardbaarheid van de gehanteerde uitgangspunten bij de totstandkoming van de jaarrekeningen 1992 t/m 1994 van [B] Beheer onderzocht. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport, gedateerd 18 februari 1997, houdt, voor zover relevant, het volgende in:

5.3 Algemeen

(…) niet onvermeld (dient) te blijven dat de jaarrekeningen op vele punten niet voldoen aan de inrichtingsvereisten, zoals vermeld in titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast kan, mede gezien de brief van 2 juni 1995 van [C] & Co Accountants (…), op basis van de ons beschikbare gegevens de vraag gesteld worden waarom in de jaarrekening 1994 van [B] Beheer B.V. en dochterondernemingen, geen aandacht is besteed aan het vraagstuk continuïteit.

Onder punt 1.4 hebben wij reeds aangegeven dat het ontbreken van de jaarrekening 1994 van Naturo Bodembeläge GmbH en Naturo Vertriebsfilialen GmbH ons inziens een dusdanige onzekerheid geeft dat de jaarrekening 1994 van [B] Beheer B.V. niet in definitieve vorm had mogen worden uitgebracht.”

2.30.

Op 18 april 1997 hebben de Coöperatieve Rabobank “Utrecht” B.A. (hierna: Rabobank) en [A] , handelend in privé en in zijn hoedanigheid van directeur van Heli Holding, een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer opgenomen dat Rabobank de mogelijkheid onderzoekt om een vordering in te stellen tegen de maatschap [C] en dat zij, indien zij meent een dergelijke vordering te hebben, die vordering zal overdragen aan Heli Holding waarna Rabobank de helft zal ontvangen van hetgeen Heli Holding uit hoofde van die aan haar overgedragen vordering zou kunnen incasseren.

2.31.

Bij akte van 17 juli 1997 heeft de curator in het faillissement van Cortica Experts aan Heli Holding overgedragen alle vorderingen die Cortica Experts heeft of nog zal blijken te hebben op de maatschap [C] . Van deze cessie is mededeling gedaan aan de maatschap [C] .

2.32.

Na onderzoek is Rabobank tot de conclusie gekomen dat zij niets te vorderen had van de maatschap [C] . Omdat (onder meer) Heli Holding het daar – kort weergegeven – niet mee eens was, heeft zij bij de rechtbank Utrecht een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt tegen Rabobank. Het vonnis van de president van de rechtbank Utrecht in kort geding van 28 december 2000 houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“3.9 Gedaagde (hof: Rabobank) heeft zich verweerd met de stelling dat zij van mening is dat zij geen vordering heeft op [C] & Co. (…)

Tenslotte heeft zij aangevoerd dat zij niet wenst mee te werken aan een procedure die [C] & Co nodeloos op kosten jaagt en die meebrengt dat gedaagde nog gedurende een lange periode met onderhavige zaak wordt geconfronteerd.

(…)

3.12

Gedaagde onderbouwt haar mening dat zij geen vordering op [C] & Co heeft, met het betoog dat het causaal verband tussen de misleidende informatie van [C] & Co en de door gedaagde geleden schade niet aanwezig is. Zij stelt dat zij zich bij de beslissing om aan de Naturo-organisatie krediet te verstrekken en deze kredietverstrekking te continueren slechts in beperkte mate heeft doen leiden door de door [C] & Co aan haar verstrekte stukken.”

In kort geding is door de rechtbank Utrecht geoordeeld – kort gezegd – dat niet kan worden uitgesloten dat Rabobank bij haar beslissingen omtrent de kredietverlening aan de Naturo-organisatie enig belang heeft toegekend aan de door de maatschap [C] verstrekte stukken en dat het belang van Heli Holding haar vordering te vergroten zwaarder weegt dan het belang van Rabobank zich een procedure te besparen en heeft beslist dat Rabobank de maatschap [C] aansprakelijk dient te stellen en de vordering uit hoofde daarvan aan Heli Holding dient te cederen.

2.33.

In oktober 1999 hebben onder meer [B] , [B] Beheer en Heli Holding een klacht ingediend tegen [F] bij de Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten (hierna: de Raad van Tucht). De klacht betrof de volgende gedragingen:

A. goedkeuring van de jaarrekeningen van [B] Beheer over 1991, 1992, 1993 en 1994, terwijl deze veel te hoge resultaten en veel te hoge eigen vermogens toonden en ook op andere belangrijke punten in strijd met de wet waren opgesteld;

B. het niet tijdig waarschuwen van de directie van [B] Beheer voor het feit dat de Duitse vennootschappen sinds januari 1994 geen, althans nauwelijks administratie bijhielden en dat de overeengekomen kredietlimieten voortdurend (verder) werden overschreden;

C. het niet tijdig waarschuwen van de directie van [B] Beheer voor het feit dat voor de vennootschap een deconfiture naderde;

D. het uitbrengen van een onjuist waarderingsrapport in november 1994.

2.34.

Bij uitspraak van 26 september 2000 heeft de Raad van Tucht de klachten A (voor zover betrekking hebbend op de jaarrekening over 1994) en D gegrond verklaard en de klachten A (voor zover betrekking hebbend op de jaarrekeningen over 1991 tot en met 1993), B en C ongegrond verklaard. Ten aanzien van klacht A is, voor zover relevant, het volgende overwogen:

“6.9 (…) Gegeven het feit dat hij geen deugdelijke cijfers met betrekking tot de Duitse deelnemingen had en het belang van deze activiteiten 16 % van het totaal der balanstelling beliep, heeft betrokkene een goedkeurende verklaring afgegeven zonder daarvoor een deugdelijke grondslag te hebben.

(…)

6.12

Daarnaast was de financiële positie van klaagster sub 2 (hof: [B] Beheer) ultimo 1994 zodanig verzwakt dat betrokkene (hof: [F] ) als accountant, vanuit zijn autonome bedrijfseconomische deskundigheid, de directie expliciet had moeten wijzen op de dreiging van discontinuïteit.

6.13

Betrokkene heeft verzuimd een toelichtende paragraaf in de jaarrekening over 1994 op te nemen aangaande de bedreiging van de continuïteit.

6.14

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat betrokkene een misslag heeft begaan bij het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van klaagster sub 2 over 1994.

(…)”

Ten aanzien van klacht D is, voor zover relevant, als volgt overwogen:

“(…)

6.21

Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene inderdaad nagelaten om bij het opstellen van de rapportage ten aanzien van essentiële punten intern beschikbare informatie over de feitelijke situatie te betrekken in de prognoses. (…) De beoordeling door betrokkene van de prognoses over 1994 tot en met 1997 ontbeert een deugdelijke grondslag.

6.22

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat betrokkene bij het opstellen van het rapport voor de aandelenwaardering een misslag in de uitoefening van zijn beroep heeft begaan.”

Vervolgens heeft de Raad van Tucht aan [F] de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

2.35.

In januari 2001 heeft Rabobank de maatschap [C] aansprakelijk gesteld uit onrechtmatige daad. Bij akte van cessie van 16 januari 2001 heeft Rabobank haar vorderingen op de maatschap [C] aan Heli Holding overgedragen.

2.36.

Zowel [B] , [B] Beheer en Heli Holding als [F] hebben bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College van Beroep) beroep ingesteld tegen de beslissing van de Raad van Tucht. Bij beslissing van 5 september 2002 heeft het College van Beroep (voor zover relevant) geoordeeld dat de Raad van Tucht haar beslissing dat [F] geen verwijt valt te maken omtrent het afgeven van een goedkeuring op de jaarrekeningen over 1991-1993 onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de Raad van Tucht bij de beoordeling van klachtonderdeel C (het niet tijdig waarschuwen voor een deconfiture) de feiten en gebeurtenissen na 1993 ten onterechte niet in haar beoordeling heeft betrokken. Het College van Beroep heeft de uitspraak van de Raad van Tucht vernietigd en de zaak voor verdere afdoening naar de Raad van Tucht terugverwezen.

2.37.

Daarop heeft de Raad van Tucht bij beslissing van 6 januari 2004, voor zover relevant, zijn oordeel dat [F] geen verwijt te maken valt omtrent het afgeven van een goedkeuring op de jaarrekeningen over 1991- 1993 nader gemotiveerd en klachtonderdeel C alsnog gegrond verklaard. De slotsom is dat – samengevat weergegeven – de Raad van Tucht van oordeel is dat [F] ten onrechte de jaarrekening over 1994 heeft goedgekeurd, dat hij niet tijdig (uiterlijk medio of ultimo 1994) heeft gewaarschuwd voor een dreigende deconfiture en bij het opstellen van het waarderingsrapport een misslag heeft begaan door uit te gaan van niet onderbouwde prognoses. Vervolgens heeft de Raad van Tucht aan [F] de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

2.38.

Bij uitspraak van 12 oktober 2004 heeft het College van Beroep de beslissing van de Raad van Tucht van 6 januari 2014 vernietigd, voor zover betrekking hebbend op klachtonderdeel C en voor zover [F] in verband daarmee de maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd. Het College van Beroep heeft klachtonderdeel C alsnog verworpen. Het College van Beroep heeft [F] voor het ten onrechte afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1994 van het Naturo-concern (een aspect van klachtonderdeel A) en het uitbrengen van een onjuist waarderingsrapport (klachtonderdeel D) de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

3 Beoordeling

3.1.

Deze zaak heeft betrekking op de nasleep van het faillissement van de Naturo-organisatie. In hoger beroep zijn – samengevat weergegeven – drie vorderingen aan de orde:

(i) Heli Holding meent dat de maatschap [C] bij de uitvoering van haar werkzaamheden als accountant van de Cortica-vennootschappen in de eerste helft van de jaren ’90 ernstige fouten heeft gemaakt als gevolg waarvan Heli Holding schade heeft geleden. Het betreft bedragen die Heli Holding aan de Naturo-organisatie heeft geleend en die vervolgens oninbaar bleken te zijn. De rechtbank heeft de in verband daarmee ingestelde vordering tot schadevergoeding van Heli Holding afgewezen, omdat zij van oordeel is dat een causaal verband tussen deze gestelde beroepsfout en de gevorderde schade ontbreekt. Tegen dit oordeel richten zich de grieven 3 tot en met 7. Heli Holding vordert op deze grondslag na wijziging van eis in hoger beroep € 514.586,77 in hoofdsom als schadevergoeding van Joacc c.s.

(ii) Heli Holding vordert daarnaast als rechtsopvolgster van Cortica Experts schadevergoeding van Joacc c.s. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat naar haar oordeel een causaal verband tussen de gestelde beroepsfout en de gevorderde schade ontbreekt. De grieven 8 en 9 keren zich tegen dit oordeel. In hoger beroep vordert Heli Holding schadevergoeding in verband met betaalde declaraties die betrekking hebben op werkzaamheden waarvan de tuchtrechter heeft geoordeeld dat daarbij beroepsfouten zijn gemaakt. Verder vordert Heli Holding als rechtsopvolgster van Cortica Experts schadevergoeding vanwege het waardeverlies van de Naturo-organisatie, in hoger beroep door haar begroot op een bedrag van € 3.145.149,18 in hoofdsom.

(iii) Heli Holding heeft verder een vordering van Rabobank gecedeerd gekregen. Het betreft het onverhaalbare deel van het door Rabobank verstrekte krediet. In hoger beroep heeft Heli Holding deze vordering in hoofdsom verminderd tot een bedrag van € 333.074,52. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat Rabobank de financiering in 1995 zou hebben stopgezet als zij kennis had kunnen nemen van de juiste cijfers over 1994. Bij gebreke daarvan is volgens de rechtbank geen causaal verband aanwezig tussen de aan de maatschap [C] verweten gedragingen en de door Heli Holding als rechtsopvolgster van Rabobank gevorderde schade. Met grief 10 keert Heli Holding zich tegen de afwijzing van deze vordering.

3.2.

De in eerste aanleg ingestelde vordering tot schadevergoeding in verband met het niet goed functioneren van Kramer speelt geen rol meer in hoger beroep.

Vordering Heli Holding

3.3.

Heli Holding baseert de gestelde aansprakelijkheid van de maatschap [C] onder andere op het feit dat [F] tuchtrechtelijk is veroordeeld. De tuchtrechter is tot het oordeel gekomen dat [F] verwijten kunnen worden gemaakt ten aanzien van het afgeven van een goedkeurende accountantsverklaring voor de geconsolideerde jaarrekening 1994 van [B] Beheer (die een 100% belang had in de Naturo-organisatie) en het opstellen van het waarderingsrapport van de Naturo-organisatie. Daartoe is overwogen dat [F] , gegeven het feit dat hij geen deugdelijke cijfers had met betrekking tot de Duitse vennootschappen en het belang van deze activiteiten 16% van het totaal der balanstelling beliep, een goedkeurende verklaring heeft afgegeven zonder daarvoor een deugdelijke grondslag te hebben.
Verder heeft [F] nagelaten om bij het opstellen van het waarderingsrapport ten aanzien van essentiële punten intern beschikbare informatie over de feitelijke situatie te betrekken in de prognoses. De beoordeling door [F] van de prognoses over 1994 tot en met 1997 ontbeert daarom een deugdelijke grondslag.
Feitelijk zijn de goedkeurende verklaring en het waarderingsrapport afgegeven door de maatschap [C] . [F] heeft in zoverre namens de maatschap [C] gehandeld. De maatschap [C] had de opdracht gekregen om de jaarrekeningen van de Naturo-organisatie te controleren en het waarderingsrapport op te stellen.

3.4.

Heli Holding is niet de opdrachtgever van de maatschap [C] . Zij is een derde. Heli Holding vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Heli Holding stelt – kort samengevat – dat de maatschap [C] niet heeft voldaan aan de op haar jegens derden rustende zorgplicht om als redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant op te treden. Heli Holding is afgegaan op de door de maatschap [C] opgestelde jaarcijfers. Zij heeft de Naturo-organisatie een aanzienlijk bedrag geleend in het vertrouwen dat het om solvabele vennootschappen ging. De schade die Heli Holding vordert, betreft het deel van de verstrekte financiering dat zij niet op de Naturo-organisatie heeft kunnen verhalen.

3.5.

Bij de beoordeling geldt als uitgangspunt dat aan het oordeel van de tuchtrechter, dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens de schending van een zorgvuldigheidsnorm. Dit neemt niet weg dat de belangen die met een goede uitoefening van de taak van een externe controlerende accountant zijn gemoeid, niet beperkt zijn tot die van de rechtspersoon om wiens jaarrekening het gaat. In het maatschappelijk verkeer mogen derden verwachten dat de informatie zoals deze door, veelal wettelijk verplichte, openbaarmaking van de jaarrekening en een goedkeurende verklaring naar buiten komt, naar het onafhankelijk en objectief inzicht van de accountant een getrouw beeld geeft van het vermogen, het resultaat en de solvabiliteit en liquiditeit van de onderneming en dat de jaarrekening voldoet aan de vereisten die wet en (Europese) regelgeving stellen en in overeenstemming is met de normen en standaarden die te dier zake in deze beroepsgroep algemeen worden aanvaard. Ook derden moeten hun gedrag kunnen afstemmen op die informatie en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is. Aldus dient deze taakuitoefening van de accountant mede een wezenlijk publiek belang.
Bij de beantwoording van de vraag of de externe controlerende accountant heeft gehandeld in overeenstemming met de van hem in het concrete geval te vergen mate van zorg, komt het – met inachtneming van hetgeen hiervoor is vooropgesteld – aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Daarbij zal moeten worden onderzocht of en in hoeverre in nationale of Europese regelgeving neergelegde (dwingende) voorschriften omtrent de vervulling van die taak zijn nageleefd. Voorts behoren tot de in de beoordeling te betrekken factoren de aard van de geschonden norm en de ernst van een geconstateerde schending daarvan, de door de accountant wel getroffen maatregelen of verschafte informatie, de mate waarin het gevaar van schade door aantasting van de in het geding zijnde vermogensbelangen voor de accountant redelijkerwijs voorzienbaar was en, mede in verband daarmee, of die (controle)maatregelen zijn genomen en die waarschuwingen zijn gegeven die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze van de accountant konden worden gevergd ter voorkoming van dit gevaar. (Zie ECLI:NL:HR:2006:AW2080).

3.6.

Heli Holding wijst in hoger beroep ter onderbouwing van de door haar gestelde onrechtmatige daad van de maatschap [C] op de volgende feiten en omstandigheden:

- In de jaarrekening 1994 zijn de Duitse vennootschappen vanwege het ontbreken van gegevens niet in de consolidatie opgenomen. Het College van Beroep is bij uitspraak van 5 september 2002 (in r.o. 6.12) tot het oordeel gekomen dat de opmerkingen hierover in de jaarrekening (hiervoor aangehaald in r.o. 2.17) zowel qua plaats in de jaarrekening als qua inhoud niet toereikend zijn.

- De vorderingen op de Duitse vennootschappen zijn voor een bedrag van f. 1.593.385 in de jaarrekening 1994 opgenomen. De maatschap [C] heeft er niet op gewezen dat ten aanzien van deze vorderingen materiële onzekerheid bestond. Moret Ernst & Young hebben achteraf vastgesteld dat deze vorderingen feitelijk waardeloos waren. Het geconsolideerde eigen vermogen had daarom niet f. 1.129.350, maar f. 782.213 negatief moeten zijn.

- Bij brief van 2 juni 1995 heeft de maatschap [C] weliswaar geschreven dat zonder aanvullende financiering op zeer korte termijn de liquiditeitspositie van de Naturo-organisatie geen andere mogelijkheid openlaat dan een surséance van betaling, maar deze brief werd achterhaald door de goedkeurende verklaring van 5 oktober 1995 bij de jaarrekening 1994 waarin geen toelichtende paragraaf is opgenomen omtrent de bedreiging van de continuïteit van de Naturo-organisatie.

- De maatschap [C] ontving op 28 november 1995 de concept jaarrekeningen van de Duitse vennootschappem. Daaruit bleek een negatief eigen vermogen van DM 1.234.005 van Naturo (Deutschland) Bodenlage GmbH en een negatief vermogen van DM 147.291 van Naturo Vertriebsfilialen GmbH. De maatschap [C] had onverwijld het bestuur van de Naturo-organisatie hierover moeten informeren en op grond van het bepaalde in artikel 2:362 lid 6 BW haar goedkeurende verklaring moeten intrekken.

- Als de maatschap [C] bij het opstellen van het waarderingsrapport de beschikbare essentiële gegevens had betrokken, zou daaruit het beeld naar voren zijn gekomen van een insolvabele onderneming waarvan de continuïteit in gevaar was.

- Het waarderingsrapport bevat geen duidelijke vermelding van het doel waarvoor het is opgesteld en voor wie het is bestemd.

- De maatschap [C] heeft het waarderingsrapport rechtstreeks aan [A] verstrekt en niet gewaarschuwd dat het rapport onjuist was en niet zou mogen worden gebruikt om investeringsbeslissingen op te baseren.

3.7.

Joacc c.s. hebben in het kader van hun verweer bij memorie van antwoord een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW in verband met de verwijten van Heli Holding die voor het eerst in hoger beroep zijn aangevoerd. Heli Holding heeft op haar beurt betwist dat de klachtplicht van toepassing is op een buitencontractuele zorgplicht.

3.8.

Heli Holding heeft het gelijk aan haar zijde. Een verbintenis in de zin van artikel 6:89 BW moet voortvloeien uit een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de één jegens de ander tot een prestatie is gerechtigd en deze ander tot die prestatie is gehouden. Deze bepaling heeft de strekking de schuldenaar tegenover de schuldeiser te beschermen bij rechtsvorderingen die zijn gegrond op het niet of niet behoorlijk nakomen van een prestatie, ook indien de schuldeiser in verband daarmee een rechtsvordering uit onrechtmatige daad instelt. Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Uit de op een accountant rustende verplichting om derden niet op onrechtmatige wijze schade te berokkenen, vloeien geen verbintenissen voort als hiervoor genoemd, omdat die verplichting geen rechtsbetrekking vestigt tussen twee of meer bepaalde personen in de hiervoor bedoelde zin. Ook faalt het beroep op de klachtplicht omdat Joacc c.s. niet voldoende concreet duidelijk maken dat zij nadeel lijden door het late tijdstip waarop de betreffende argumenten door Heli Holding in dit geding zijn aangevoerd. Bovendien bouwen de later aangevoerde argumenten voort op de eerdere klachten, zodat ze voor Joacc c.s. vielen te verwachten.

3.9.

Door Joacc c.s. wordt in het kader van dit civiele geding niet bestreden dat de opmerkingen in de jaarrekening 1994 over het ontbreken van gegevens over de Duitse vennootschappen en de keuze om die deelnemingen niet in de consolidatie op te nemen, zowel qua plaats in de jaarrekening als qua inhoud niet toereikend was. Daarvan dient dan ook te worden uitgegaan. Evenmin wordt door Joacc c.s. bestreden dat de maatschap [C] geen goedkeurende verklaring ten aanzien van de geconsolideerde jaarrekening 1994 had mogen afgeven, omdat geen gegevens over de Duitse vennootschappen beschikbaar waren. Onweersproken is verder gesteld dat het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1994 in strijd is met de destijds van toepassing zijnde artikelen 11 lid 1 en 13 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994. Ten aanzien van het waarderingsrapport geldt dat de tuchtrechter tot het oordeel is gekomen dat intern beschikbare essentiële informatie niet betrokken is in de prognoses en dat deze prognoses een deugdelijke grondslag ontberen. Joacc c.s. hebben niets aangevoerd dat ertoe moet leiden dat daarover in het kader van dit civiele geding anders moet worden gedacht.

3.10.

Joacc c.s. benadrukken in hun verweer dat de maatschap [C] bij brief van 2 juni 1995 onder verwijzing naar de brief van 7 april 1995 voldoende duidelijk heeft gewaarschuwd omtrent de financiële situatie van de Naturo-organisatie. De maatschap [C] schrijft daarin onder andere dat de financiële positie serieus wordt bedreigd en dat feitelijk sprake is van betalingsonmacht.

3.11.

Naar het oordeel van het hof mocht de maatschap [C] niet volstaan met het waarschuwen per brief. De bij de accountant levende zorgen, zoals die blijken uit de genoemde bieven, komen feitelijk neer op onzekerheden van materieel belang omtrent de mogelijkheid tot duurzame voortzetting van de bedrijfsactiviteiten. Deze onzekerheden hadden daarom tot uitdrukking gebracht moeten worden in de jaarrekening 1994. Uitgangspunt is dat de jaarrekening een zodanig inzicht dient te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen, het resultaat, en de solvabiliteit en liquiditeit van de rechtspersoon. Gebeurtenissen na de balansdatum moeten in acht worden genomen tot de datum van het opmaken van de jaarrekening en bij de waardering van de activa en passiva dient het voorzichtigheidsbeginsel te worden toegepast en moet worden uitgegaan van de continuïteit van de onderneming (artikel 2:362 en 2:384 lid 2 en 3 BW). Doordat in de jaarrekening 1994 van de bij de maatschap [C] levende serieuze zorgen geen melding werd gemaakt en zonder voorbehoud een goedkeurende verklaring is afgegeven, is niet het vereiste inzicht gegeven in de financiële situatie van de Naturo-organisatie.

3.12.

Daar komt bij dat Jaocc c.s. erkennen (memorie van antwoord onder 58) dat de maatschap [C] de vorderingen op de Duitse vennootschappen in de jaarrekening 1994 heeft opgenomen, terwijl zij de inbaarheid daarvan niet kon controleren vanwege het ontbreken van enige administratie van de Duitse vennootschappen. Joacc c.s. stellen in dit verband ten onrechte dat de inbaarheid van de vorderingen op de groepsmaatschappijen iets anders is dan een waardering van het eigen vermogen. De betreffende vorderingen op de groepsmaatschappijen stonden immers op de balans en waren qua omvang substantieel. Deze vorderingen bepaalden aldus in belangrijke mate de hoogte van het (geconsolideerde) eigen vermogen. Bij gebreke van enige administratie van de deelnemingen konden de vorderingen op de groepsmaatschappijen niet zonder meer voor de nominale waarde in de jaarrekening worden opgenomen. De vorderingen hadden met inachtneming van het voorzichtigheidsbeginsel moeten worden gewaardeerd. Heli Holding stelt aldus terecht dat, als deze vorderingen al niet in de gegeven omstandigheden moesten worden afgewaardeerd of geheel buiten beschouwing moesten worden gelaten, de maatschap [C] er in ieder geval op had moeten wijzen dat ten aanzien van de waardering van deze vorderingen bij gebreke van een administratie materiële onzekerheid bestond.

3.13.

Heli Holding stelt verder terecht dat zij ervan mocht uitgaan dat de brief van 2 juni 1995 was achterhaald door de op 5 oktober 1995 afgegeven goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1994 waarin geen toelichtende paragraaf was opgenomen omtrent de bedreiging van de continuïteit van de Naturo-organisatie. De maatschap [C] diende als controlerend accountant immers te onderzoeken of tot de datum van het opmaken van de jaarrekening het vereiste continuïteitsperspectief van de Naturo-organisatie aanwezig was. Als die veronderstelling onjuist was of als er gerede twijfel was over de juistheid daarvan, diende dat in de jaarrekening te worden uiteengezet onder mededeling in de toelichting van de invloed op het vermogen en resultaat (vergelijk artikel 2:393 lid 5 BW in verbinding met artikel 2:362 lid 6 en 2:384 lid 2 en 3 BW). De maatschap Schipper kon dus alleen zonder voorbehoud een goedkeurende verklaring afgeven als zij tot de conclusie was gekomen dat de door het bestuur van de rechtspersoon ingeschatte mogelijkheid tot duurzame voortzetting van de bedrijfsactiviteiten aanvaardbaar was en daarover geen gerede twijfel bestond.

3.14.

Het voorgaande betekent dat de jaarrekening 1994 niet het vereiste inzicht gaf in de financiële situatie van de Naturo-organisatie en dat geen goedkeurende verklaring had mogen worden afgegeven. De maatschap [C] heeft op verschillende punten de toepasselijke voorschriften omtrent de vervulling van haar taak als accountant niet nageleefd. Voor zover het de deelnemingen in de Duitse vennootschappen betreft en de vorderingen daarop, gaat het om substantiële bedragen. De voorliggende feiten en omstandigheden betekenen dat de maatschap [C] niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam controlerend accountant behoort te doen. Haar valt een ernstig verwijt van haar tekortkomingen te maken.

3.15.

Heli Holding mocht als derde haar gedrag in beginsel afstemmen op de jaarrekening 1994, die was voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Bij het nemen van haar beslissing om te investeren mocht Heli Holding ervan uitgaan dat het daarin gepresenteerde beeld niet misleidend was. Verder mocht Heli Holding ervan uitgaan dat de in de brief van 2 juni 1995 geuite zorgen niet meer aan de orde waren, vanwege de op 5 oktober 1995 afgegeven goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1994 waarin geen toelichtende paragraaf was opgenomen omtrent een bedreiging van de continuïteit van de Naturo-organisatie.

3.16.

Heli Holding stelt dat de lijn van advisering van [F] was dat externe financiering diende te worden aangetrokken. Joacc c.s. hebben dit onvoldoende gemotiveerd bestreden. Daarmee was voor de maatschap [C] redelijkerwijs voorzienbaar dat derden – zoals Heli Holding – door de Naturo-organisatie benaderd zouden worden om een financiering te verstrekken en met het oog daarop kennis zouden kunnen nemen van de jaarrekening 1994, van de juistheid daarvan zouden uitgaan en aldus zonder te beschikken over het vereiste inzicht in de financiële situatie van de Naturo-organisatie een financiering zouden kunnen verstrekken, althans daardoor schade zouden kunnen lijden. Dit gevaar kon de maatschap [C] in de gegeven omstandigheden eenvoudigweg voorkomen door zich bij het opstellen van de jaarrekening 1994 te houden aan de toepasselijke wettelijke bepalingen en de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994, daaronder begrepen het zich onthouden van het afgeven van een goedkeurende verklaring. Het spreekt daarbij voor zich dat het redelijkerwijs van de maatschap [C] gevergd mocht worden dat zij handelde in overeenstemming met de toepasselijke regels.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de maatschap [C] zich niet heeft gedragen in overeenstemming met de van haar jegens Heli Holding als derde in het concrete geval te vergen mate van zorgvuldigheid en daarmee in beginsel aansprakelijk is voor de schade van Heli Holding die als het gevolg van de gedragingen van de maatschap [C] aan haar kan worden toegerekend. Voor die schade kan Heli Holding Joacc c.s. als de maten van de toenmalige maatschap [C] aansprakelijk houden.

3.17.

Ten aanzien van het causaal verband is de kern van de overwegingen van de rechtbank dat niet kan worden aangenomen dat Heli Holding geen krediet aan de Naturo-organisatie had verstrekt in de hypothetische situatie waarin de maatschap [C] geen fouten zou hebben gemaakt. Om die reden heeft de rechtbank de door Heli Holding gevorderde schade afgewezen.

3.18.

Het hof komt ten aanzien van het causaal verband tot een andere afweging dan de rechtbank. In het najaar van 1995 is [A] gevraagd te helpen in verband met het ontstane liquiditeitsprobleem van de Naturo-organisatie. Kort daarvoor, op 5 oktober 1995, is de jaarrekening 1994 opgesteld en voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. De rechtbank heeft aan die omstandigheid ten onrechte geen gewicht toegekend. Zij heeft de jaarcijfers over 1994 (slechts) beschouwd als een “historische momentopname” (r.o. 4.6). Hiertegen komt Heli Holding terecht op in hoger beroep (memorie van grieven onder 4.35). Een jaarrekening wordt op going-concern basis opgesteld, waarbij – zoals hiervoor al is overwogen – de maatschap [C] als controlerend accountant diende te onderzoeken of tot de datum van het opmaken van de jaarrekening – dus tot 5 oktober 1995 – het vereiste continuïteitsperspectief van de Naturo-organisatie aanwezig was. Als die veronderstelling onjuist was of als er gerede twijfel was over de juistheid daarvan, diende dat in de jaarrekening te worden uiteengezet onder mededeling in de toelichting van de invloed op het vermogen en resultaat. Doordat onverkort een goedkeurende verklaring is afgegeven, mocht Heli Holding ervan uitgaan dat de controlerend accountant op het moment van het afgeven daarvan van oordeel was dat de Naturo-organisatie over het vereiste continuïteitsperspectief beschikte en daarover geen gerede twijfel bestond.
Volledigheidshalve merkt het hof op dat r.o. 4.6 van het bestreden vonnis op het genoemde punt aan duidelijkheid te wensen overlaat. De rechtbank overweegt enerzijds dat Heli Holding haar investeringsbeslissing heeft gebaseerd op de historische cijfers zoals vervat in de jaarrekening 1994, maar anderzijds dat “niet is in te zien” dat de jaarcijfers over 1994 een historische momentopname betreffen. Het hof begrijpt dat bedoeld is te overwegen dat de jaarcijfers over 1994 door de rechtbank worden gezien als een historische momentopname. Partijen hebben dat ook zo begrepen (memorie van grieven onder 4.35 en memorie van antwoord onder 229).

3.19.

Uit het voorgaande volgt dat Heli Holding ervan mocht uitgaan dat de controlerend accountant kort voordat zij haar investeringsbeslissing nam tot het oordeel was gekomen dat Naturo-organisatie over het vereiste continuïteitsperspectief beschikte en dat daarover geen gerede twijfel bestond. Heli Holding mocht van dat uitgangspunt uitgaan bij het nemen van haar financiële beslissingen. Het waarderingsrapport – waarvan vaststaat dat de daarin opgenomen prognoses geen deugdelijk grondslag hebben – dateert van 23 november 1994 en was in het najaar van 1995 dus ongeveer een jaar oud. Dit waarderingsrapport was dus enigszins gedateerd rond de tijd dat Heli Holding, naar zij stelt, mede daarop haar investeringsbeslissing baseerde. Niet kan echter worden aangenomen dat Heli Holding geen betekenis aan dit waarderingsrapport mocht toekennen. De in het waarderingsrapport opgenomen prognoses waren positief en hebben in ieder geval bij Heli Holding het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen opwekken dat de Naturo-organisatie levensvatbaar was. De notitie van [F] van 3 november 1995 maakt het voorgaande niet anders. Daaruit spreekt weliswaar een dringende behoefte aan eigen en langlopend vreemd vermogen voor de Naturo-organisatie en wordt een allesbehalve rooskleurig beeld van haar financiële toestand geschetst. Daaruit blijkt echter onvoldoende concreet dat er gerede twijfel bestond over het voortbestaan van de Naturo-organisatie, ook indien – zoals dringend werd gewenst – vreemd vermogen zou worden verstrekt, waartoe Heli Holding bereid was.

3.20.

Op grond van het hetgeen partijen over en weer hebben gesteld komt het hof tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat Heli Holding in de gegeven omstandigheden een onjuist inzicht van de financiële situatie van de Naturo-organisatie heeft verkregen en daarvan uitgaande vervolgens een financiering heeft verstrekt. Niet kan worden aangenomen dat Heli Holding niet op de betreffende gegevens mocht afgaan. Voldoende aannemelijk is dat Heli Holding niet tot de financiering van de Naturo-organisatie was overgegaan als de maatschap [C] aan de jaarrekening 1994 een goedkeurende verklaring had onthouden, daarin een toelichtende paragraaf aangaande de bedreiging van de continuïteit had opgenomen en de prognoses in het waarderingsrapport waren gebaseerd op de destijds intern reeds beschikbare gegevens. Ook is door Joacc c.s. onvoldoende concreet de analyse van Moret Ernst & Young bestreden, op grond waarvan moet worden aangenomen dat als de vorderingen op de Duitse vennootschappen juist waren gewaardeerd, het geconsolideerde eigen vermogen van [B] Beheer substantieel negatief was geweest. Dit brengt het hof tot de conclusie dat het feit dat Heli Holding een financiering aan de Naturo-organisatie heeft verstrekt in causaal verband staat (in de zin van een condicio sine qua non-verband) met de aan de maatschap [C] verweten gedragingen. Het overige dat door partijen is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarmee heeft Heli Holding haar grieven 3 tot en met 7 terecht voorgesteld.

3.21.

In verband met de vordering van Heli Holding vanwege de door haar verstrekte financiering heeft het hof in de processtukken van Joacc c.s. geen voldoende duidelijk en gemotiveerd beroep op eigen schuld aangetroffen. In eerste aanleg is dat verweer niet gevoerd met betrekking tot deze vordering en uit hetgeen in de memorie van antwoord is aangevoerd, blijkt dat onvoldoende (in de kopjes en tekst van de processtukken is in beide instanties met zoveel woorden wel een duidelijk en gemotiveerd beroep op eigen schuld gedaan in verband met de hierna te bespreken vorderingen van Heli Holding als cessionaris van Cortica Experts en van Rabobank). Opmerking verdient dat in randnummer 229 van de memorie van antwoord wel door Joacc c.s. wordt aangevoerd dat Heli Holding voorafgaand aan het verstrekken van de financiering onvoldoende onderzoek heeft gedaan en door dat na te laten de door haar gestelde schade aan zichzelf heeft te wijten, zodat deze voor haar eigen risico dient te blijven. In dit betoog leest het hof evenwel geen voldoende concreet beroep op eigen schuld van Heli Holding. Deze passage is geplaatst in de context van de stelling dat Heli Holding niet heeft voldaan aan een op haar rustende onderzoeksplicht, zodat een causaal verband tussen de gedragingen van de maatschap [C] en de gevorderde schade ontbreekt. Op grond van die redenering heeft de rechtbank de vordering van Heli Holding ook afgewezen. Het betreffende causaal verband acht het hof echter wel aanwezig, zoals hiervoor is overwogen. Verder wordt in aanmerking genomen dat Heli Holding blijkens haar pleitnotities in hoger beroep het door Joacc c.s. aangevoerde niet heeft opgevat als een beroep op eigen schuld. Joacc c.s. hebben zich bovendien bij het pleidooi beperkt tot de genoemde stelling dat niet aannemelijk is geworden dat causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de maatschap [C] en de door Heli Holding gevorderde schade. De woorden ‘eigen schuld’ zijn niet in de mond genomen.
Dit alles betekent dat moet worden aangenomen dat de voor Heli Holding door het verstrekken van de financiering ontstane het is gevolg van de aan de maatschap [C] verweten gedragingen. De door Heli Holding gestelde omstandigheden kunnen niet leiden tot een doorbreking van het causaal verband en staan evenmin aan toerekening van de schade in de weg.

3.22.

Heli Holding heeft concreet aan de hand van stukken en bankafschriften duidelijk gemaakt welke bedragen zij aan de Naturo-organisatie heeft geleend, welke bedragen zij heeft terugontvangen en dat een tekort is ontstaan. Joacc c.s. hebben die uiteenzetting onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Het in hoger beroep gevorderde bedrag van € 514.586,77 zal daarom bij wijze van schadevergoeding worden toegewezen. Wettelijke rente is zoals gevorderd en niet bestreden toewijsbaar vanaf 27 augustus 1996.

Vordering Cortica Experts

3.23.

De rechtbank heeft de stellingen van Heli Holding aldus begrepen dat, indien de financiële toestand van de Naturo-organisatie door de maatschap [C] juist was weergegeven, het faillissement van de Cortica-vennootschappen voorkomen had kunnen worden en de Naturo-organisatie haar waarde had kunnen behouden, welke waarde geconcentreerd was in Cortica Experts. Het verlies van deze waarde is volgens Heli Holding de schade die Cortica Experts hebben geleden ten gevolge van het toerekenbaar tekortschieten door de maatschap [C] , althans door een door de maatschap [C] gepleegde onrechtmatige daad.
Ervan uitgaande dat Cortica Experts een dergelijke vordering hebben ter zake van het genoemde waardeverlies en Heli Holding deze vordering als cessionaris geldend kan maken, is de rechtbank tot het oordeel gekomen de verschillende omstandigheden die aan het faillissement van de Naturo-organisatie ten grondslag hebben gelegen niet, althans niet in belangrijke mate zijn terug te voeren op de aan de maatschap [C] verweten gedragingen, zodat het vereiste causaal verband niet kan worden aangenomen. Om die reden is deze vordering van Heli Holding afgewezen.

3.24.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat Heli Holding zelf ter zitting heeft verklaard dat relevante omstandigheden rondom het faillissement waren: (i) de afbouw van het krediet door Rabobank en de daarop volgende opzegging daarvan, (ii) de liquiditeitsproblemen, (iii) het door de maatschap [C] in februari 1996 gelegde derdenbeslag, en (iv) het niet beschikbaar komen van een herfinanciering. Verder heeft de rechtbank overwogen:
”Daar komt nog bij dat gebleken is dat al sprake was van problemen met de kwaliteit van de door de nieuwe leverancier Amorim geleverde kurk waardoor – zoals onweersproken door Joacc c.s. is gesteld – afnemers van de Naturo-organisatie niet betaalden en dat sprake was geweest van een falende bestuurder. Ook Rabobank signaleerde eind 1995 een verzwakking in de financiële positie van de Naturo-organisatie vanwege een falend debiteurenbeleid, problemen met de nieuwe kurkleverancier en de middelen die naar de Duitse vennootschappen zijn gevloeid. Anders dan door Heli Holding is gesteld kan niet worden geoordeeld dat al deze ontwikkelingen zich niet hadden voorgedaan indien de maatschap [C] – kort gezegd – al haar werkzaamheden juist zou hebben uitgevoerd. Dat de Naturo-organisatie de Duitse vennootschappen zou hebben afgestoten en dat alles goed gekomen zou zijn, indien zij maar eerder op de hoogte was geweest van haar eigen financiële situatie, kan niet worden aangenomen. Immers, de diverse waarschuwingen zijdens de maatschap [C] in 1994 en 1995 waaruit bleek dat er onvoldoende inzicht was in hoe die vennootschappen er financieel voorstonden en wat hun invloed was op het resultaat van de organisatie hebben er niet toe geleid dat enige actie vanuit de Naturo-organisatie is ondernomen ten aanzien van de administratie dan wel de verkoop van die vennootschappen, laat staan dat gesteld of gebleken is dat er een concrete mogelijkheid heeft bestaan om die vennootschappen te verkopen en dat het effect op de financiële situatie van de overblijvende Naturo-organisatie positief zou zijn geweest.”

3.25.

Op grond van hetgeen partijen hebben gesteld en de grieven die Heli Holding tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank heeft aangevoerd, kan het hof niet tot een ander oordeel komen. Het hof maakt het oordeel van de rechtbank tot de zijne. Kern daarvan is dat de Naturo-organisatie er slecht voor stond, het bestuur herhaaldelijk voor verschillende serieuze problemen is gewaarschuwd, maar geen adequate acties heeft ondernomen om de problemen op te lossen. Heli Holding stelt – naar de kern genomen (memorie van grieven onder 4.45) – dat als de maatschap [C] haar controlewerkzaamheden correct had uitgevoerd het bestuur wel eerder maatregelen had genomen en ook had kunnen nemen. Evenmin als de rechtbank, heeft Heli Holding het hof daarvan kunnen overtuigen. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat het bestuur alsdan zodanig anders zou hebben gehandeld dat maatregelen zouden zijn getroffen, die succesvol zouden zijn geweest en een faillissement hadden voorkomen.

3.26.

Ten aanzien de vordering van Cortica Experts die gebaseerd is op door hen betaalde declaraties hebben Joacc c.s. erop gewezen dat Slechtenhorst de opdrachtgever was van de maatschap [C] . De Cortica Experts hebben volgens eigen zeggen slechts gefunctioneerd als ‘betalingsstation’ ten behoeve van Slechtenhorst Beheer. Op dit verweer is Heli Holding niet voldoende concreet ingegaan. Dat heeft tot gevolg dat niet kan worden aangenomen dat Cortica Experts betalingen hebben verricht ten laste van hun vermogen en in verband daarmee de schade hebben geleden die zij thans vorderen. Voor bewijslevering is geen plaats omdat Heli Holding niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Cortica Experts ter zake van de facturen de debiteuren waren. De vordering kan niet worden toegewezen. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het enkele feit dat betaald is voor werkzaamheden ten aanzien waarvan de tuchtrechter heeft geoordeeld dat sprake is van beroepsfouten, nog niet betekent dat een vordering tot schadevergoeding toewijsbaar is. Daarvoor zal ook nodig zijn dat geen betalingsverplichting meer bestaat, bijvoorbeeld doordat de betreffende overeenkomst in zoverre is ontbonden. Dat dit laatste is gebeurd, is gesteld noch gebleken.

3.27.

Met het voorgaande kunnen de grieven 8 en 9 niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

Vordering Rabobank

3.28.

Heli Holding stelt als cessionaris van Rabobank dat Rabobank is afgegaan op de door de maatschap [C] opgestelde jaarrekeningen over 1991 tot en met 1994 en de verklaringen van de maatschap [C] , die onjuist zijn gebleken. Als Rabobank van de juiste stand van zaken bij de Naturo-organisatie op de hoogte was geweest, had zij in 1995 het krediet opgezegd. Haar vordering had Rabobank dan volledig kunnen verhalen op de door de Naturo-organisatie verleende zekerheden. Nu zij echter door de maatschap [C] op het verkeerde been is gezet, heeft zij schade geleden bestaande uit het deel van het door haar verleende krediet dat zij niet op de Naturo-organisatie heeft kunnen verhalen, namelijk € 333.074,52 (na eiswijziging in hoger beroep). Heli Holding maakt als cessionaris van Rabobank bij wijze van schadevergoeding in hoofdsom aanspraak op dit bedrag. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat volgens haar geen het causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en de gedragingen van de maatschap [C] .

3.29.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat Rabobank in het kader van de kredietverlening cijfers heeft opgevraagd bij de Naturo-organisatie en die ook in haar kredietbeoordeling heeft betrokken. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet zonder meer dat Rabobank haar beslissing om het krediet te verstrekken of te continueren daarop in hoofdzaak heeft gebaseerd. Rabobank heeft in de procedure in kort geding bij de rechtbank Utrecht immers zelf gesteld dat zij haar kredietbeslissingen hoofdzakelijk heeft gebaseerd op haar eigen bancaire normen ten aanzien van de solvabiliteit en de liquiditeit van het te financieren bedrijf, de door de kredietnemer te verschaffen zekerheden en op de toekomstverwachtingen voor het bedrijf. Rabobank heeft slechts met een ‘schuin oog’ naar de bij de Naturo-organisatie opgevraagde cijfers gekeken. Gelet hierop heeft Heli Holding onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat Rabobank, in weerwil van haar eigen verklaring daaromtrent, de financiering van de Naturo-groep in 1995 zou hebben stopgezet indien zij kennis had kunnen nemen van cijfers over 1994 waarin de door de tuchtrechter geconstateerde fouten niet waren gemaakt, aldus de rechtbank.

3.30.

Op grond van hetgeen partijen hebben gesteld, kan het hof niet tot een ander oordeel komen dan dat van de rechtbank. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.31.

Rabobank heeft zelf verklaard dat zij zich bij de beslissing om het krediet te verstrekken en te continueren slechts in beperkte mate heeft laten leiden door de door de maatschap [C] verstrekte stukken. Rabobank heeft zich verder uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat geen causaal verband aanwezig is tussen de door haar geleden schade en de misleidende informatie van de maatschap [C] . Als onvoldoende gemotiveerd bestreden, moet verder van het volgende worden uitgegaan. Bij de beslissing om het krediet te continueren heeft Rabobank zich vooral laten leiden door de waarde van de verstrekte zekerheden. Dat die waarde onjuist was, is niet gebleken. Heli Holding heeft in ieder geval niet gesteld dat Rabobank door toedoen van de maatschap [C] van een onjuiste waarde van de zekerheden is uitgegaan. Verder was Rabobank eind 1995 op de hoogte van de onjuiste financiële cijfers. Zij wilde vervolgens begin 1996 geen nieuw krediet meer verstrekken en besloot dat het krediet in rekening-courant geleidelijk moest worden teruggebracht. Begin juni 1996, enkele maanden voor het faillissement, was volgens de eigen berekening van Rabobank nog een substantieel surplus aan zekerheden aanwezig.
In het licht van dit alles heeft Heli Holding het hof er niet van kunnen overtuigen dat Rabobank anders zou hebben gehandeld dan zij heeft gedaan als zij eerder van de ware stand van zaken op de hoogte was, althans is niet aannemelijk geworden dat de schade waarvan Heli Holding vergoeding vordert dan niet zou zijn ontstaan. Grief 10 is vergeefs voorgesteld.

3.32.

De grieven 11 tot en met 13 zijn restgrieven en zien op de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten, de veroordeling van Heli Holding in de proceskosten en de afwijzing van alle door Heli Holding ingestelde vorderingen.

3.33.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat zij van oordeel was dat Joacc c.s. niet schadeplichtig zijn jegens Heli Holding. Nu het hof gedeeltelijk tot een ander oordeel komt en Joacc c.s. tot schadevergoeding zullen worden veroordeeld, slaagt grief 11 deels en zal het hof deze vordering opnieuw beoordelen. Hoewel de gevorderde incassokosten niet met zoveel woorden zijn terug te vinden in het petitum van de memorie van grieven, begrijpt het hof uit de strekking van grief 11 in samenhang met de in de memorie van grieven onder 6.1 gegeven reden voor de eiswijziging dat deze vordering in hoger beroep is gehandhaafd en abusievelijk niet in het petitum is vermeld. Het hof begrijpt deze vordering verder als een veroordeling van Joacc c.s. voor gelijke delen.

3.34.

In de inleidende dagvaarding vordert Heli Holding een veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van het rapport Voorwerk II, begroot op € 6.545,00 inclusief btw. Door Joacc c.s. is in het geheel geen verweer gevoerd tegen deze vordering. Het gevorderde bedrag is daarmee toewijsbaar.

3.35.

Partijen hebben bewijs aangeboden, maar de aanbiedingen hebben geen betrekking om feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere oordeel kunnen leiden. De bewijsaanbiedingen worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.36.

De slotsom is dat de grieven 3 tot en met 7 en 11 (deels) slagen. Het vonnis waarvan beroep zal in zoverre worden vernietigd en de betreffende vorderingen van Heli Holding zullen alsnog worden toegewezen. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

3.37.

Heli Holding heeft voor een deel gelijk gekregen. Zij zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. Voor een andere proceskostenveroordeling dan in eerste aanleg is gewezen, is geen plaats. Dit impliceert tevens dat de vordering van Heli Holding tot terugbetaling van de ter uitvoering van het bestreden vonnis betaalde proceskosten niet toewijsbaar is.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vordering van Heli Holding tot schadevergoeding in verband met de door haar aan de Naturo-organisatie verstrekte financiering en de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Joacc c.s. ieder voor een gelijk deel € 514.586,77 aan Heli Holding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 1996 tot de datum van algehele betaling;

veroordeelt Joacc c.s. ieder voor een gelijk deel € 6.545,00 aan Heli Holding te betalen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt Heli Holding in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Joacc c.s. begroot op € 5.160,00 aan verschotten en € 13.740,00 voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, L.R. van Harinxma thoe Slooten en A.M.P. Geelhoed en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2016.