Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2635

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
14/00803
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3237
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De naheffingsaanslag BPM die verband houdt met door de inspecteur geconstateerde extra opties en accessoires, houdt ook in hoger beroep stand. Omdat partijen enkel verdeeld houdt wat de netto catalogusprijs van het nieuw en ongebruikte voertuig is, is de in artikel 10 Wet BPM genoemde ‘vermindering’ niet aan de orde. Het Hof kent voorts een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe; de werkwijze van de Belastingdienst om van elke belastingplichtige, die deel uit maakte van de massale stroom, de bezwaarschriften tegen de belastingheffing van gebruikte auto’s aan te houden, blijft voor rekening van de inspecteur. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1724
Viditax (FutD), 22-12-2017
V-N Vandaag 2016/1538
Mr. P.A. Caljé annotatie in NTFR 2016/2117

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 14/00803

10 mei 2016

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[Vennootschap X] te [Z], belanghebbende

tegen de uitspraak met kenmerk AWB 12/3563 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en tegen

de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

inzake een verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 21 juni 2010 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd van € 1.630.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 29 juni 2012 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 26 september 2014 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 november 2014. De inspecteur heeft op 28 april 2015 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Gelet op hetgeen hierna omtrent de vergoeding van immateriële schade wordt overwogen en beslist, en de beleidsregel van de Minister van 8 juli 2014, nr. 436935 (Stcrt. 2014, 20210), is het Hof ervan uitgegaan dat de Minister afziet van het voeren van schriftelijk of mondeling verweer.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als “eiseres” en de inspecteur als “verweerder”:

“1. Eiseres importeert en handelt bedrijfsmatig in voertuigen.

2. Eiseres heeft op 17 juni 2010 voor een nieuwe en ongebruikte personenauto, merk Audi A5 Coupé (hierna: het motorrijtuig), € 12.230 aan bpm op aangifte voldaan.

3. In de aangifte is opgaaf gedaan van een netto catalogusprijs van € 33.306 plus een bijtelling van € 8.970 aan extra accessoires en opties. De bijtelling is – voor zover hier van belang – als volgt gespecificeerd (bedragen in €):

“ excl BTW BPM

AUDI A5 2.0 FTSI 155kW Multitronic Pro Line S 33.306,00 9.776,00

N7K Bekleding, geperforeerd alcantara/leder voor S line (…) (…)

PQR Velgen, lichtmetaal 8,5J x 18 “5-spaak”- design

(…)

Pro Line S pakket, bestaande uit: 5.720,00 1.568,00

L8 Phantomzwart pareleffect

WQS S line Sportpakket

PQD S Line Exterieurpakket

7HB Lederpakket

9AQ Airconditioning, comfort

7X1 Audi parking system achter

PKH Bagageruimtepakket

7AL Diefstalalarm (…)

9VD Audi soundsystem

QQ1 Lichtpakket

PX1 Xenon plus verlichting

1XW Sportstuurwiel, dril zaaks multifunctioneel in leder

MMI navigatie

P14 Bestuurdersinformatiesysteem met kleurenscherm

4A3 Stoelen, vóór verwerkbaar (…) (…)

5TL Inleg, hout klavierlak zwart

4L6 Binnenspiegel, automatisch dimmend (…) (…)

(…)

Totaal In €: excl BTW en BPM 42.276,00

Totaal In €: BPM € 12.230,00”

4. Volgens een – tot de gedingstukken behorend – zogenoemd geboortekaartje (of wagengegevens) bedraagt de (consumenten)prijs van het motorrijtuig € 49.410. Volgens het geboortekaartje is het motorrijtuig afgeleverd met extra accessoires en opties ter waarde van € 14.909. De extra accessoires en opties zijn evenals in het hiervoor genoemde overzicht voorzien van codes.

5. Verweerder heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag een bedrag van € 14.909 aan extra accessoires en opties in aanmerking genomen.

6. Het motorrijtuig is niet uitgerust met het hiervoor genoemde Lederpakket (code 7HB) en het dril zaaks multifunctionele sportstuurwiel in leder (code 1XW) maar met lederen stoelbekleding met een alcantara middenbaan (code N7K) en een sportstuurwiel met “tiptronic” bediening (code 1XX).

7. Een Audi A5 Coupé is in diverse uitvoeringen beschikbaar. Eén daarvan betreft de zogenoemde Pro Line S uitvoering. Het Pro Line S pakket als geheel bevat een voordeel (korting) op de losse prijzen van de fabrieksmatige opties die het pakket bevat.

8. Tot de gedingstukken behoort een uitdraai van www.autotelexpro.nl. Een zoekopdracht op genoemde website op het kenteken van het motorrijtuig levert blijkens deze uitdraai – voor zover hier van belang – de volgende resultaten op:

“(…)

>> Uitvoeringen

Op kenteken

Kenteken [kenteken motorrijtuig]

Uitvoering (…) BPM Prijs

2.0

TFSI S-edition 11343 57785

2.0

TFSI Pro Line 10637 54010

2.0

TFSI 9776 49410

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil wat de catalogusprijs is van de door belanghebbende geregistreerde auto. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of het motorrijtuig een 2.0 TFSI Pro Line S-uitvoering betreft, althans voor de toepassing van het Unierecht daarmee vergeleken moet worden, zoals belanghebbende voorstaat, danwel dat het een 2.0 TFSI betreft, zoals de inspecteur bepleit. Voorts is de omvang van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in geschil.

3.2.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het motorrijtuig de 2.0 TFSI uitvoering betreft en niet – zoals belanghebbende heeft betoogd – de 2.0 TFSI Pro Line S uitvoering. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als “eiseres” en de inspecteur als “verweerder”:

“12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder – op wie in dezen de bewijslast rust – zijn stelling aannemelijk gemaakt dat het motorrijtuig een 2.0 TFSI uitvoering betreft. De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat niet alle opties en/of accessoires uit het Pro Line S pakket zijn aangeschaft. Vast staat dat het motorrijtuig niet is afgeleverd met het Lederpakket (code 7HB) en het driespaaks multifunctioneel sportstuurwiel in leder (code 1XW), welke opties – naar tussen partijen niet in geschil is – tot het Pro Line S pakket behoren. Bovendien heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd ter zitting verklaard dat de eveneens tot het Pro Line S pakket behorende optie Xenon plus verlichting (code PX1) niet is aangeschaft. Voorts is de prijs van het motorrijtuig (zonder extra opties en accessoires) blijkens het onder 4 genoemde geboortekaartje € 49.410. Deze prijs komt, blijkens de onder 8 genoemde uitdraai van autotelex, overeen met de prijs voor de 2.0 TFSI uitvoering. De overige twee op de uitdraai genoemde uitvoeringen, de 2.0 TFSI Pro Line (€ 54.010) en 2.0 TFSI S-edition (€ 57.785), zijn blijkens de uitdraai duurder dan de 2.0 TFSI uitvoering. Het een en ander in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigt aldus de conclusie dat het in geding zijnde motorrijtuig een 2.0 TSFI uitvoering betreft, afgeleverd met (doch niet met alle) extra opties en/of accessoires uit het Pro Line S pakket én nog met enkele andere extra opties en/of accessoires.”

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust. In hoger beroep zijn geen gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

4.2.

De rechtbank heeft in haar uitspraak tevens het volgende overwogen:

“13. Voor wat betreft de door eiseres gestelde strijd met het Unierecht overweegt de rechtbank als volgt. Nu sprake is van – kort gezegd – een 2.0 TFSI uitvoering dient naar het oordeel van de rechtbank voor de toepassing van artikel 110 van het VWEU vergeleken te worden met (binnenlandse)motorijtuigen met een 2.0 TFSI uitvoering. Deze motorrijtuigen acht de rechtbank meer gelijksoortig dan motorrijtuigen die als 2.0 TFSI Pro Line c.q. S-edition zijn uitgevoerd. Dat de uiterlijke verschillen tussen uitvoeringen gering zouden zijn maakt zulks niet anders. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder dan ook niet in strijd met voormeld artikel gehandeld door het motorvoertuig te vergelijken met voertuigen met een 2.0 TFSI uitvoering.”

Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat de Wet BPM in volle omvang wordt beheerst door artikel 110 VWEU en dat het daarom aan de inspecteur is om gegevens in te brengen waaruit kan blijken hoe de door belanghebbende voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde (referentie)auto’s. Belanghebbende miskent met haar stelling – overigens in navolging van de rechtbank – dat in casu sprake is van een eerste registratie van een nieuw en ongebruikt voertuig, zodat een vergelijking met reeds in Nederland geregistreerde (referentie)auto’s ter bepaling van de in artikel 10 Wet BPM genoemde ‘vermindering’ (afschrijving) niet aan de orde is. Partijen houdt enkel verdeeld wat de netto catalogusprijs van de auto is, als bedoeld in artikel 9, vierde en vijfde lid Wet BPM.

4.3.

Uitgaande van de vaststelling (zie 4.1) dat sprake is van een 2.0 TFSI uitvoering, is tussen partijen niet in geschil dat de waarde van de extra opties en/of accessoires € 14.909 bedraagt, in plaats van de bij de aangifte aangeven waarde van € 8.970, zodat de netto

catalogusprijs € 48.215 bedraagt. De inspecteur heeft naar ’s Hofs oordeel dan ook terecht en tot het juiste bedrag de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.

4.4.

De rechtbank heeft aan belanghebbende schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

“16. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Niet in geschil is dat een redelijke termijn overschreden is. Partijen twisten uitsluitend over de omvang van de overschrijding en daarmee de omvang van de schadevergoeding. Het betoog van eiseres strekt tot een vergoeding van € 1.000 en dat van verweerder tot € 500.

17. De rechtbank neemt bij de beoordeling van eiseres’ verzoek de door de Hoge Raad gegeven regels in zijn arresten van 10 juni 2011 (o.a. ECLI:NL:HR:2011:BO5046) en 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006) tot uitgangspunt. Niet in geschil is dat de redelijke termijn op twee jaar dient te worden gesteld. Wat betreft het totale tijdsverloop van de procedure overweegt de rechtbank dat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 juli 2010. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hooguit twee jaar en twee maanden. Tussen partijen is niet in geschil dat deze periode van twee jaar en twee maanden verminderd dient te worden met het tijdsverloop van 1 jaar en een maand voor aanhouding van de zaak bij de rechtbank in verband met een prejudiciële procedure. De resterende overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase.

18. Volgens verweerder moet ten aanzien van de overschrijding in de bezwaarfase ook rekening worden gehouden met tussen hem en de gemachtigde van eiseres in de bezwaarfase gevoerd overleg. Het overleg vond plaats vanaf midden 2011 tot 25 mei 2012 en duurde aldus afgerond 10 maanden. Het overleg betrof een groot aantal door de gemachtigde (en voor verschillende klanten) ingediende bezwaarschriften, had betrekking op ingediende aangiftes BPM in de periode van 1 januari 2010 tot 1 juli 2011 en dus in beginsel ook op de onderhavige zaak. Gelet op het grote aantal te verwerken bezwaarschriften kon van verweerder in de bezwaarfase geen individuele afweging worden verlangd, aldus verweerder. Eiseres betwist dat het overleg op deze zaak betrekking had. Als dat wel het geval was is niet in geschil dat aftrek van tijd van de overschrijding gerechtvaardigd is, maar voor niet meer dan drie maanden.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het overleg ook de onderhavige zaak betrof. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat het overleg 10 maanden in beslag heeft genomen. Niet alleen het overleg zelf, de feitelijke gesprekken met mensen van de belastingdienst, maar ook het traject waarbij de gemachtigde de resultaten aan zijn cliënten moest terugkoppelen alvorens tot een overeenkomst met de belastingdienst te kunnen komen, dient als onderdeel van het gehele overleg te worden aangemerkt. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu overleggen in de bezwaarfase niet ongewoon zijn, maar het hier een groot overleg betrof in een veelheid aan zaken, een aftrek van vijf maanden van de overschrijding gerechtvaardigd is. Aldus is de redelijke termijn overschreden met ongeveer acht maanden (2 jaar en 2 maanden -/- 1 jaar en 1 maand -/- 5 maanden).

20. Aangezien verweerder niet binnen een half jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak op bezwaar heeft gedaan, heeft eiseres, gelet op de overschrijding van acht maanden, overeenkomstig voormelde arresten van de Hoge Raad recht op vergoeding van eenmaal € 1.000, te betalen door verweerder. ”

4.5.

Belanghebbende voert aan dat de rechtbank ten onrechte de termijn (zie 17) heeft verminderd met het tijdsverloop van 1 jaar en een maand voor aanhouding van de zaak bij de rechtbank in verband met een prejudiciële procedure. Voorts betoogt belanghebbende dat met betrekking tot de bezwaarfase ten onrechte rekening is gehouden met de gevoerde onderhandelingen, omdat de onderwerpelijke zaak geen deel uitmaakte van die onderhandelingen. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.6.

De gemachtigde van belanghebbende heeft landelijk duizenden – grotendeels identieke – bezwaar- en beroepschriften ingediend voor een groot aantal cliënten. Deze procedures betreffen diverse aspecten van de BPM-heffing van gebruikte voertuigen, herkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie. Het onderwerpelijke geschil betreft evenwel een geheel andere kwestie, namelijk de catalogusprijs van één specifieke, nieuwe personenauto. De inspecteur heeft ter zitting bij het Hof erkend dat het bezwaarschrift per abuis is meegenomen in de afhandeling van de massaal ingediende bezwaarschriften tegen de belastingheffing van gebruikte personenauto’s. De werkwijze van de Belastingdienst om, zoals door de inspecteur ter zitting toegelicht, van elke belastingplichtige die deel uit maakte van de massale stroom bezwaarschriften tegen de belastingheffing van gebruikte personenauto’s alle bezwaarschriften aan te houden – dus ook het bezwaarschrift in de onderwerpelijke zaak, betreffende een geheel andere kwestie – kan belanghebbende evenwel niet worden tegengeworpen en dient dan ook naar het oordeel van het Hof voor rekening van de inspecteur te komen.

4.7.

Evenmin bestond aanleiding voor de rechtbank om het beroep in de onderwerpelijke zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen welke aan de orde waren bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-437/12, omdat de in die zaak gestelde vragen enkel relevant zijn voor de BPM-heffing van gebruikte voertuigen en niet voor nieuwe voertuigen als de onderwerpelijke. De omstandigheid dat belanghebbende in haar pleitnota bij de rechtbank heeft gesteld dat “de periode die is verstreken wegens aanhouding van de zaken voor het stellen van prejudiciële vragen in mindering [moet] worden gebracht” maakt dit niet anders, nu de rechtbank geen prejudiciële vragen heeft gesteld welke van belang zijn voor het onderwerpelijke geschil. Daarenboven heeft de rechtbank partijen niet schriftelijk in kennis gesteld van haar beslissing de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in genoemde zaak (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636, BNB 2015/34).

4.8.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn 2 jaar en 2 maanden bedraagt, zodat de vergoeding € 2.500 beloopt, waarvan anderhalf jaar (€ 1.500) voor rekening komt van de inspecteur en zeven maanden (€ 1.000) voor rekening van de Minister.

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal het Hof een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toekennen.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4 [beroepschrift, zitting rechtbank, hogerberoepschrift, zitting Hof] x € 496 x 0,5 = € 992. Dit bedrag komt voor de helft voor rekening van de inspecteur en voor de helft voor rekening van de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie. Deze verdeling geldt ook voor de vergoeding van het griffierecht (Hoge Raad 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2).

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 1.500;

- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt de inspecteur en de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 992, waarbij ieder van hen de helft (€ 496) betaalt;

- gelast de inspecteur en de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, het in beroep (€ 310) en hoger beroep (€ 493) betaalde griffierecht, in totaal € 803, aan belanghebbende te vergoeden, waarbij ieder van hen de helft (€ 401,50) betaalt.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, A. Bijlsma en E. Polak, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 10 mei 2016 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door de jongste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.