Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2632

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
15/621
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting/‘oldtimerregeling’; het Hof is met de rechtbank van oordeel dat de afschaffing van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting per 1 januari 2014 voor het voertuig van belanghebbende, niet in strijd is met het internationale recht of het Unierecht. Per 1 januari 2014 is de eerder aan belanghebbende verleende vrijstelling van rechtswege komen te vervallen. Aan de toegekende vrijstelling kan belanghebbende geen vertrouwen ontlenen. Belanghebbende is ten onrechte niet gehoord in bezwaar maar is daardoor – naar het oordeel van het Hof – niet benadeeld. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1539
FutD 2016-1722
NTFR 2016/1927
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 15/621

21 april 2016

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende

tegen de uitspraak met kenmerk HAA 14/2187 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft voor het tijdvak 8 februari 2014 tot en met 7 mei 2014 een bedrag van € 344 aan motorrijtuigenbelasting voldaan .

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak van 30 mei 2014 het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening afgewezen.

1.3.

Bij uitspraak van 7 juli 2015 heeft de rechtbank het beroep daartegen ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 31 juli 2015. De inspecteur heeft op 29 september 2015 een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 16 maart 2016 een nader stuk ingediend. Dit nader stuk is in kopie aan de inspecteur verzonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7.

Nadat het Hof het onderzoek ter zitting heeft gesloten heeft belanghebbende op 12 april 2016 nadere stukken ingebracht. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof overweegt daartoe dat de door belanghebbende ingebrachte stukken correspondentie bevatten daterend van maart/april 2016 en dat deze stukken geen betrekking hebben op de heffing van motorrijtuigenbelasting in het onderhavige tijdvak. Het Hof wijst op grond van het vorenstaande het verzoek tot heropening van de zaak af en zal de op 12 april 2016 ingekomen stukken niet tot de stukken van het geding rekenen.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als “eiseres” en de inspecteur als “verweerder”:

1. Eiser is blijkens het kentekenregister vanaf 25 mei 2012 houder van het motorrijtuig met kenteken [kentekennummer] (hierna: het motorrijtuig). Het motorrijtuig rijdt op LPG. De datum van eerste toelating is 30 juni 1984. Eiser beschikt ook over een ander motorrijtuig.

2. Eiser heeft een kennisgeving vrijstelling motorrijtuigenbelasting ontvangen waarin is aangegeven dat het motorrijtuig met ingang van 25 mei 2012 in aanmerking komt voor een vrijstelling.

3. In december 2013 heeft eiser een informatiebrief ontvangen over de wijziging van de wet- en regelgeving voor de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor oldtimers per 1 januari 2014.

4. Op 17 december 2013 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wijziging van de wetgeving voor de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor oldtimers per 1 januari 2014. De vrijstelling geldt alleen nog voor motorrijtuigen die (langer dan) 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. (…)”

5. Verweerder heeft met dagtekening 29 januari 2014 eiser een mededeling motorrijtuigenbelasting “Bevestiging automatisch betalen” verzonden. Eiser heeft naar aanleiding van deze mededeling bij brief van 14 februari 2014 bezwaar gemaakt tegen de voor het motorrijtuig verschuldigde motorrijtuigenbelasting. Op 27 februari 2014 is een bedrag van € 114 (één maand) aan motorrijtuigenbelasting automatisch van de rekening van eiser afgeschreven.

2.2.

Het Hof gaat voor de beslechting van het geschil uit van dezelfde feiten.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of motorrijtuigenbelasting kan worden geheven voor het motorrijtuig van belanghebbende, dat ouder is dan 25 maar jonger dan 40 jaar. Ook is in geschil of de inspecteur van het horen van belanghebbende heeft mogen afzien.

3.2.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij als volgt overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als “eiseres” en de inspecteur als “verweerder”:

7. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een als bijlage bij het beroepschrift gevoegd bezwaarschrift – zijnde een “standaardbrief” van Stichting Autobelangen, aldus eiser ter zitting – van 12 mei 2014, tegen de voldoening op aangifte waarvan thans beroep. Eiser benadrukt, mede ter zitting, dat:

- hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase;

- hij eerder een brief, zijnde de onder 2 genoemde kennisgeving, heeft ontvangen, waarin staat dat het motorrijtuig vrijgesteld is van motorrijtuigenbelasting en dat ook zou blijven;

- het motorrijtuig, een Amerikaanse oldtimer, als gevolg van de nieuwe (aangepaste) regelgeving voor hobbymatig gebruik te duur wordt en ook niets meer waard is; en

- hij de motorrijtuigenbelasting niet meer kan betalen, zeker niet na de G3-installatie die € 1.800 kostte.

8. Verweerder bestrijdt gemotiveerd het standpunt van eiser. Verweerder stelt dat hij van horen van eiser heeft mogen afzien, omdat eiser hierom niet in zijn bezwaarschrift van 14 februari 2014 heeft verzocht en voormeld bezwaarschrift van 12 mei 2014 (met een wel daartoe strekkend verzoek) niet is ontvangen, althans niet eerder dan als bijlage bij eisers beroepschrift. Daarbij stelt verweerder dat het bezwaar kennelijk-ongegrond is, zodat hij ook om die reden niet gehouden was eiser te horen.

Horen

9. Eiser heeft erover geklaagd dat hij ten onrechte niet is gehoord. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het bezwaarschrift van 12 mei 2014 (van Stichting Autobelangen) heeft ontvangen, voordat hij uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Bij betwisting van de ontvangst van een stuk, is het aan de verzender om aannemelijk te maken dat dit stuk op het adres van de geadresseerde is ontvangen of aangeboden, of dat dit stuk anderszins de geadresseerde heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van dit stuk op dat adres. In eerste instantie kan de verzender van een stuk dan ook volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416).

10. Eiser heeft ter zitting twee afschriften van PostNL getoond, met daarop vermeldt data en zogenaamde Track&Trace codes. Uit deze afschriften is gebleken dat eiser op 30 januari 2015 en 9 mei 2014 poststukken naar het postbusnummer van de Belastingdienst heeft verzonden. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, heeft eiser evenwel niet aannemelijk gemaakt dat het op 9 mei 2014 verzonden poststuk het bezwaarschrift van 12 mei 2014 is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser, gelijk verweerder heeft gesteld, inzake meerdere bezwaarprocedures aangetekend poststukken naar de Belastingdienst heeft verzonden. Nu verweerder het bezwaarschrift van 12 mei 2014 niet heeft ontvangen, voordat hij uitspraak op bezwaar heeft gedaan, en vast staat dat eiser in zijn bezwaarschrift van 14 februari 2014 niet heeft verzocht om te worden gehoord, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht, terecht van horen van eiser mogen afzien.

De motorrijtuigenbelasting

11. De Wet MRB kent een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor – kort gezegd – oldtimers. Niet in geschil is dat eisers motorrijtuig vanaf 25 mei 2012 tot 1 januari 2014 voldeed aan de toen geldende voorwaarden voor deze vrijstelling.

12. Op grond van artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Wet MRB (tekst 2014) wordt vrijstelling van belasting voor personenauto’s, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2014) wordt de hiervoor bedoelde vrijstelling van belasting verleend respectievelijk het overgangsrecht oudere motorrijtuigen, bedoeld in hoofdstuk XA van de wet, wordt toegepast, indien de ingevolge die bepaling respectievelijk dat hoofdstuk vereiste ouderdom, respectievelijk het tijdstip van eerste ingebruikneming, blijkt uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens, dan wel deze ouderdom of dit tijdstip aan de hand van bescheiden wordt aangetoond.

13. Eiser genoot de vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting, zoals die uit de destijds geldende wet voortvloeide; de door eiser ontvangen kennisgeving vrijstelling motorrijtuigenbelasting was daarop gebaseerd. De wettelijke regeling is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd in die zin dat wat betreft motorrijtuigen als die van eiser die op LPG rijden de vrijstelling vanaf de wetswijziging slechts geldt voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Eisers motorrijtuig is in 1984 voor het eerst in gebruik genomen en voldoet daarom met ingang van 1 januari 2014 niet meer aan de voorwaarden voor vrijstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is met de wetswijziging per 1 januari 2014 de vrijstelling zoals die in de jaren 2012 en 2013 gold van rechtswege komen te vervallen.

14. Voor zover eiser bedoeld te stellen dat dit in zijn geval onredelijk en onbillijk (samengevat: “ik kan het niet betalen”) uitpakt, overweegt de rechtbank dat zij zich hierover niet kan uitlaten. De rechtbank kan niet voorbijgaan aan de in de Wet MRB gestelde in 2014 geldende voorwaarden voor vrijstelling. De rechtbank is immers gehouden volgens de wet- en regelgeving recht te spreken. Dienaangaande bepaalt artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepaalingen der wetgeving van het Koninkrijk, dat de rechter volgens de wet en de daarop gebaseerde besluitgeving moet rechtspreken. De rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet en de daarop gebaseerde besluitgeving beoordelen. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd (en dan met name middels het bezwaarschrift van Stichting Autobelangen) zal de rechtbank nog wel de onder 12 opgenomen tekst van de wet MRB toetsen aan het EVRM en beoordelen of verweerder in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Artikel 1 van het Eerste Protocol

15. Eiser heeft gesteld dat de wijziging van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB met ingang van 1 januari 2014 in strijd is met het recht van eigendom volgens artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Volgens eveneens vaste rechtspraak van het EHRM, is inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk of rechtspersoon alleen dan gerechtvaardigd indien de inbreuk in overeenstemming is met het nationale recht (“lawful”), de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient en er een redelijke mate van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Dit laatste vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. De rechtbank stelt voorop dat de wijziging van de Wet MRB op democratische wijze tot stand is gekomen. De wetgever heeft zijn keuze voor de huidige regeling beargumenteerd en toegelicht. De keuze van de wetgever is niet van iedere redelijkheid ontbloot. In dit verband hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat de houders van oldtimers onder de vroegere wet- en regelgeving, een kleine minderheid, een voordeel hadden ten opzichte van de houders van andere motorrijtuigen. De wetgever heeft ervoor gekozen om een bepaalde groep motorrijtuigen (namelijk die tussen 25 en 40 jaar oud) per 1 januari 2014 van dit voordeel uit te sluiten. Aangezien de wetgever zelf de belastingtarieven vaststelt, moet hij de directe financiële gevolgen van zijn keuze hebben voorzien. Wetgeving wordt niet achteraf, met terugwerkende kracht, vastgesteld, maar voor de periode die begint op een door de wetgever te bepalen tijdstip in de toekomst.

16. De keuze om, naar eiser meent ten onrechte, geen onderscheid te maken tussen hobbymatige houders en anderen, valt eveneens binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever. De wetgever heeft kennelijk gekozen voor objectieve en eenvoudig controleerbare criteria. Deze keuze is redelijk en vrij gebruikelijk bij belastingheffing. Dat de invoer van oldtimers als gevolg van de eerdere overgangsregeling (motie Van Vliet) per 1 januari 2012 fors zou zijn afgenomen zodat de noodzaak van de huidige regeling voor oldtimers ontbreekt, doet hieraan niet af. Het is aan de wetgever om te beoordelen welke maatregelen op welk tijdstip geboden zijn en mits deze keuze niet van iedere redelijkheid is ontbloot, dient deze te worden gerespecteerd. Kennelijk wenste de wetgever niet alleen het aantal oldtimers te beperken, maar (vooral) het gebruik daarvan te ontmoedigen.

17. Ook is de wetgever binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid gebleven met zijn keuze om voor motorrijtuigen die op andere brandstoffen dan benzine rijden geen overgangsregeling te treffen. De rechtbank is om te beginnen van oordeel dat motorrijtuigen die op benzine rijden aan de ene, en motorrijtuigen die op andere brandstoffen rijden aan de andere kant, geen gelijke gevallen zijn. Afgezien van de aard en de milieubelasting van iedere soort brandstof zijn er andere verschillen die een rol spelen bij de overwegingen omtrent de brandstofsoort bij de aanschaf van een motorrijtuig. De keuze voor dit door het milieu ingegeven onderscheid staat voorts ter beoordeling aan de wetgever en niet aan de rechter of de individuele belastingplichtige. De gemaakte keuze is niet van iedere redelijke grond ontbloot. Dat een hoge ambtenaar zou hebben gesuggereerd dat de verwachte belastingopbrengst het motief zou zijn geweest voor de wijziging maakt dit niet anders. Ten eerste vermeldt de ambtenaar een weging van twee factoren (en niet dat de verwachte belastingopbrengst het belangrijkste of zelfs enige motief zou zijn geweest) en ten tweede noemt de ambtenaar ook het faciliteren van het cultureel rijdend erfgoed als doelstelling. Hieruit blijkt dat de wetgever oog heeft gehad voor het cultureel rijdend erfgoed. De rechtbank verwijst voorts naar de antwoorden op de vragen van het Tweede Kamerlid Bashir van 28 januari 2013 naar aanleiding van het voornemen in het Regeerakkoord (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012-2013, 33 402, nr. 33) waarin de overwegingen en de verwachte gevolgen van de voorgestelde wijziging worden beschreven.

18. Eiser heeft in het verlengde daarvan aangevoerd dat de wijziging bij hem leidt tot een individuele en buitensporige last. Van een onder punt 15 hiervoor bedoelde redelijke verhouding (“fair balance”) is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Nu in eisers geval de financiële gevolgen van de wetswijziging een te betalen bedrag van € 344 per kwartaal is, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last in vorenstaande zin. De overige argumenten die eiser noemt, namelijk de waardedaling van het motorrijtuig en in het uiterste geval zelfs het afstand doen van het motorrijtuig maken het voorgaande niet anders. Niet gebleken is dat eiser van plan is om het motorrijtuig te verkopen, zodat hij van de door hem gestelde maar niet met concrete gegevens onderbouwde waardedaling (voorlopig) geen gevolgen ondervindt. Voorts benadrukt de rechtbank dat het hobbymatige gebruik eerder in het nadeel van eiser pleit dan in zijn voordeel. Een hobby is geen eerste levensbehoefte. Aan een hobby zijn doorgaans kosten verbonden, en het is een persoonlijke keuze van de hobbyist om bij het stijgen van de kosten daarvan ermee te stoppen of om de extra kosten te dragen. Dit puur persoonlijke belang is ondergeschikt aan het algemeen belang. De rechtbank verwerpt eisers beroep op de schending van het Eerste Protocol.

19. De rechtbank voegt hieraan ten overvloede toe dat de wetswijziging tijdig was aangekondigd en via de informatiebrief van december 2013 aan eiser meegedeeld. De rechtbank herinnert eraan dat in het Regeerakkoord van het kabinet Rutte II van 29 oktober 2012 een volledige afschaffing van de vrijstelling voor oldtimers was opgenomen. In een brief van 15 april 2013 heeft de Staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat als gevolg van het stranden van het overleg met vertegenwoordigers van de oldtimerbranche de voorgenomen volledige afschaffing van de vrijstelling, zoals aangekondigd in het Regeerakkoord, zal worden uitgewerkt in het Belastingplan 2014 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012-2013, 33 402, nr. 55). Op 17 april 2013 heeft opnieuw overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de oldtimerbranche, te weten de FEHAC, KNAC, FOCWA, ANWB, RAI en BOVAG. In de brief van 24 april 2013 heeft de Staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat tijdens dit nieuwe overleg toch overeenstemming is bereikt. De overeengekomen maatregelen zijn in de brief beschreven en deze komen overeen met de wet- en regelgeving zoals deze is aangenomen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012-2013, 33 402, nr. 59). Uiteindelijk heeft de Eerste Kamer op

17 december 2013 de onder punt 12 opgenomen tekst van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB aangenomen. Anders dan eiser stelt was de wijziging gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken zeker niet onvoorzienbaar.

20. De beoordeling van de argumenten die eiser voorts in dit verband noemt, namelijk dat ten onrechte geen rekening is gehouden met bestaande rechten, dat het de derde belastingmaatregel is met betrekking tot oldtimers in vier jaar tijd en dat uit de aangenomen moties van de Tweede Kamerleden Van Vliet en Bashir volgt dat het cultureel rijdend erfgoed ingeval van hobbymatig gebruik dient te worden beschermd, is voorbehouden aan de wetgever. Wat betreft de aangenomen moties merkt de rechtbank op dat deze geen kracht van wet hebben. De uiteindelijk – door de Tweede en de Eerste Kamer – aangenomen wettekst is algemeen verbindend. Artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol

21. Eiser doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol. De rechtbank verwerpt dit beroep onder verwijzing naar de overwegingen omtrent het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol. De rechtbank is van oordeel dat uit deze overwegingen mede volgt dat de wetgever niet heeft gehandeld in strijd met het gebod om geen onderscheid te maken op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. De criteria waarop de wetgever de door hem gemaakte keuzes heeft gebaseerd zijn objectief en niet van iedere redelijkheid ontbloot.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

22. Dat per 1 januari 2014 het door de (onder 2 genoemde) vrijstellingskennisgeving door verweerder gewekte vertrouwen is geschonden, kan de rechtbank niet volgen. Immers, uit de vrijstellingskennisgeving blijkt niet dat deze eeuwigdurend en zelfs bij wijziging van de formele wetgeving van kracht blijft. Verweerder heeft in de kennisgeving gewezen op alle op dat moment van kracht zijnde relevante bepalingen. Eiser kon hieruit begrijpen dat de vrijstelling onder de geldende voorwaarden was verleend. Uit de kennisgeving kan niet worden afgeleid dat de vrijstelling ongeacht latere wijzingen in de wet- en regelgeving werd verleend. Dat de vrijstellingskennisgeving niet door verweerder is ingetrokken doet daar niet aan af. Ten eerste is de kennisgeving geen voor bezwaar vatbare beschikking. Ten tweede is enig vertrouwen dat eiser aan de kennisgeving heeft mogen ontlenen, herroepen door de brief die hij in december 2013, nog vóór de aanvaarding door de Eerste Kamer van het wetsvoorstel waarbij artikel 72 van de Wet MRB per 1 januari 2014 is gewijzigd, heeft ontvangen.

23. De rechtbank wijst voorts het beroep op het gelijkheidsbeginsel af. Niet is gebleken dat verweerder gelijke gevallen verschillend heeft behandeld. De gevallen die eiser noemt, namelijk de houders van motorrijtuigen die langer dan 40 jaar geleden in gebruik zijn genomen en de houders van motorrijtuigen die op benzine rijden en die van de overgangsregeling gebruik kunnen maken, zijn feitelijk geen gelijke gevallen. Voor het maken van onderscheid tussen deze groepen heeft de wetgever objectieve criteria gebruikt en de gemaakte keuzes zijn niet van iedere redelijkheid ontbloot. Het handelen van verweerder is gebaseerd op deze keuzes en is evenmin strijdig met het gelijkheidsbeginsel.

24. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Bij deze uitkomst ziet de rechtbank voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Zowel in beroep als in hoger beroep is het bezwaarschrift van belanghebbende overgelegd, waarin standaardgrieven van Stichting Autobelangen zijn opgenomen. Inzake die grieven overweegt het Hof als volgt.

5.2.

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) kent een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor – kort geschreven – oldtimers. Tussen partijen is niet in geschil dat het motorrijtuig van belanghebbende vanaf 25 mei 2012 tot 1 januari 2014 voldeed aan de toen geldende voorwaarden voor deze vrijstelling.

5.3.

De Wet is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd in die zin dat voor wat betreft motorrijtuigen die op LPG rijden, zoals die van belanghebbende, de vrijstelling vanaf de wetswijziging slechts geldt voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Omdat het motorrijtuig van belanghebbende 30 jaar oud is op de datum van de wetswijziging, voldoet het met ingang van die datum niet meer aan de voorwaarden voor vrijstelling. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat met die wetswijziging de aan belanghebbende per 25 mei 2012 verleende vrijstelling zoals die in de jaren 2012 en 2013 gold, van rechtswege is komen te vervallen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld zich te beroepen op een in rechte te honoreren gewekt vertrouwen is het Hof van oordeel dat de wettelijke aanpassing op voldoende wijze is gecommuniceerd met belanghebbende door middel van de brief van december 2013, zodat geen grond voor enig vertrouwen op de vrijstellingskennisgeving uit 2012 bestond.

5.4.

Het beroep op het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) faalt op de door de rechtbank aangegeven gronden, welke het Hof overneemt en tot de zijne maakt. De hem toekomende – ruime – beoordelings- en keuzevrijheid heeft de wetgever ook naar het oordeel van het Hof niet overschreden.

5.5.

Hetzelfde geldt voor de door de wetgever gemaakte keuze om voor motorrijtuigen die op andere brandstoffen dan benzine rijden geen overgangsregeling te treffen.

Ook het beroep op artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol (gelijkheidsbeginsel), en op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt op de door de rechtbank aangegeven gronden, die het Hof overneemt en tot de zijne maakt.

5.6.

Belanghebbende is aldus voor het motorrijtuig met ingang van 1 januari 2014 in beginsel motorrijtuigenbelasting verschuldigd.

5.7.

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn stelling dat hij de per 1 januari 2014 per kwartaal verschuldigde motorrijtuigenbelasting van € 344 niet kan betalen. Het Hof overweegt dienaangaande dat zulks – voor zover belanghebbende dit bedoelt te stellen – aan de rechtmatigheid (van het ontstaan) van de belastingschuld niet kan afdoen. Voor een kwijtscheldings- of betalingsregeling met betrekking tot in te vorderen motorrijtuigenbelasting wijst het Hof er op dat de inspecteur noch het Hof daartoe bevoegd is en dat belanghebbende zich desgewenst dient te wenden tot de ambtenaar die belast is met de invordering van de rijksbelastingen (de ontvanger).

5.8.

Anders dan de rechtbank acht het Hof, gelet op de door belanghebbende overgelegde bescheiden van Post NL, de datum van verzending van het poststuk van 9 mei 2014, de dagtekening van de uitspraak op bezwaar en de verklaring van belanghebbende dienaangaande, alles in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk dat het op 9 mei 2014 verzonden poststuk het bezwaar van 12 mei 2014 is, zodat belanghebbende tijdig, voor de uitspraak op het bezwaarschrift, aan de inspecteur kenbaar heeft gemaakt dat hij wenste te worden gehoord. Anders dan de inspecteur heeft gesteld acht het Hof het bezwaar niet op voorhand kennelijk ongegrond. Belanghebbende had dus op zijn bezwaar moeten worden gehoord. Het Hof is evenwel van oordeel dat belanghebbende door het achterwege laten van de hoorprocedure niet is benadeeld, nu over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan naar het oordeel van het Hof uiteindelijk tussen de inspecteur en belanghebbende geen verschil van mening bestaat en de inspecteur ter zitting, onder verwijzing naar de wetswijziging, waaraan hij zich gehouden acht, de uitspraak van de rechtbank in de onderhavige zaak en de inmiddels door het Hof Den Bosch gedane uitspraak van 17 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1378, heeft verklaard dat het voor hem niet mogelijk is om tot een andere beslissing te komen, indien belanghebbende alsnog zou worden gehoord. Een andere uitkomst van de bezwaarprocedure valt dan ook niet te verwachten.

De uitspraak op bezwaar is dan ook door de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, in stand gelaten. Wel ziet het Hof in de gevolgde gang van zaken aanleiding om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van het betaalde griffierecht (zie hierna onder 6).

5.9.

Onder verwijzing naar de door hem ter zitting overgelegde bescheiden inzake de inbouw van een gasinstallatie heeft belanghebbende nog gesteld, dat het onderhavige voertuig de uitstoot heeft van een kleine nieuwe auto, en dat hem, naar het Hof begrijpt, deswege een korting op de verschuldigde motorrijtuigenbelasting toekomt. De inspecteur heeft daartegenover gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat het voertuig voldoet aan de door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) gestelde eisen voor een zogenoemde G3-registratie,

aan welke verklaring het Hof geen reden heeft te twijfelen. Het ligt op de weg van belanghebbende zijn voertuig ter keuring aan de RDW aan te bieden, op de door de RDW voorgeschreven wijze, ten einde te laten beoordelen of in dit opzicht een juiste registratie van het voertuig heeft plaatsgevonden.

Slotsom

5.10.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

In de omstandigheid dat belanghebbende ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord vindt het Hof aanleiding de inspecteur te gelasten het in beroep en hoger beroep geheven griffierecht ten bedrage van € 45 + € 123 = € 168 aan hem te vergoeden.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- gelast de inspecteur het van belanghebbende in beroep en hoger beroep geheven griffierecht ten bedrage van in totaal € 168 aan hem te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en E. Polak, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 21 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.