Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2612

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
23-000403-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging van ex-vriendin met een vuurwapen. Bezit vuurwapen en bijbehorende munitie en voorhanden hebben van cocaïne en MDMA-tabletten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000403-16

datum uitspraak: 17 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684495-15 en 23‑001305-14 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest en heeft de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vriendin. Hij is vroeg in de ochtend onder invloed van alcohol en drugs haar woning binnengedrongen en heeft vervolgens zijn ex-vriendin bedreigd door onder meer haar een vuurwapen te laten zien. Tevens heeft hij dit vuurwapen en bijbehorende munitie, alsmede cocaïne en MDMA-tabletten voorhanden gehad. Dit betreffen ernstige feiten, met name de bedreiging en het vuurwapenbezit. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen een gevaarlijke situatie gecreëerd en angst ingeboezemd bij de direct betrokkenen. Het hof acht het bijzonder kwalijk dat de bedreiging zich heeft afgespeeld in de woning van het slachtoffer, wat bij uitstek een plaats is waar zij zich veilig moet kunnen voelen. Het hof betrekt voorts het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 mei 2016 eerder voor vuurwapenbezit onherroepelijk is veroordeeld. Gelet op het voorgaande en op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, waarvan een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd om de verdachte te steunen in zijn wens dit soort feiten in de toekomst niet meer te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 30 januari 2015 opgelegde voorwaardelijke 2 maanden gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van na te melden duur gelasten, zoals verzocht door de advocaat-generaal en de raadsvrouw.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 30 januari 2015, parketnummer 23-001305-14, te weten van 2 maanden gevangenisstraf, een: taakstraf voor de duur van 116 (honderdzestien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juni 2016.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]