Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2592

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
15/00061
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:3853, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herinvesteringsreserve. Belanghebbende verkoopt een pand en vormt daarvoor een herinvesteringsreserve. Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat het voornemen tot herinvesteren voldoende concreet is. De te ondernemen activiteiten liggen voldoende in lijn met de activiteiten die in het verkochte pand werden verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1559
V-N 2016/51.15.17
FutD 2016-1719
NTFR 2016/1946 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00061

14 april 2016

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. R.T. Derksen te Arnhem,

tegen de uitspraak van 9 januari 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/1112 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 21 september 2012 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 992.351 en het verlies uit werk en woning vastgesteld op nihil.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 19 februari 2014, de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak van 9 januari 2015 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 februari 2015, aangevuld bij brief van 10 maart 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende is een nader stuk ontvangen op 14 oktober 2015. Een kopie daarvan is naar de inspecteur verzonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

In de uitspraak van de rechtbank zijn de volgende feiten vermeld:


“2.1. Eiser, geboren in 1946, heeft de opleiding industriële vormgeving gevolgd.

2.2.

Sinds zijn afstuderen is eiser werkzaam als ondernemer in de kunst- en cultuursector. Hij houdt zich onder meer bezig met het ontwerpen van tentoonstellingen, catalogi en affiches voor diverse Nederlandse culturele instellingen. Daarnaast heeft eiser gedoceerd aan verschillende onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld de [onderwijsinstelling 1] , de [onderwijsinstelling 2] en [onderwijsinstelling 3] . De uitoefening van deze docentschappen vond plaats in het kader van de door eiser gedreven onderneming.

2.3.

Mede door de opkomst van het internet is eiser zich vanaf ongeveer 1999 steeds meer gaan richten op internationale projecten. Als gevolg daarvan zijn samenwerkingen tot stand gekomen met onder meer een aantal Afrikaanse culturele instellingen.

2.4.

Eveneens sinds 1999 is eiser zich gaan bezighouden met het digitaliseren van museumcollecties, bijvoorbeeld in Rusland en Zuid-Amerika. Met medewerkers van de [stichting A] werkt hij vanaf 2012 aan een digitaliseringsopdracht in Zuid-Amerika en vanaf 2011 bouwt hij ten behoeve van het [instituut B] aan een database voor “ [naam database] ”. Daarnaast adviseerde eiser in 2012 en 2013 vijf Haagse culturele instellingen alsmede de Gemeente Den Haag bij de ontwikkeling en uitvoering van een (digitale) groeikaart.

2.5.

In het kader van zijn onderneming heeft eiser in 1984 het object [a-straat 1] in [Z] gekocht. In 1994 heeft hij het belendende object [a-straat 2] gekocht (hierna tezamen: het pand). Aanvankelijk werd het pand, dat eiser tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend, voornamelijk gebruikt als studio, kantoor, tentoonstellingsruimte, cursusruimte en tijdelijke verblijfplaats voor buitenlandse cursisten. Ook later bleef eiser zijn ondernemingsactiviteiten, die voornamelijk bestonden uit het verrichten van de hiervoor bedoelde digitaliseringswerkzaamheden en het geven van cursussen aan de gebruikers van de desbetreffende software, vanuit het pand verrichten.

2.6.

Eiser heeft het pand in 2008 verkocht voor een bedrag van € 1.300.000. Daarbij is, rekening houdend met een boekwaarde van € 137.010 en een bedrag van € 24.348 aan verkoopkosten, een boekwinst behaald van € 1.138.642.

2.7.

Voor de verkoop van het pand beraadde eiser zich op het opzetten van een trainingscentrum. In dit centrum zouden cursussen worden gegeven die voorheen in het pand werden gegeven. Gezien het internationaler wordende klantenbestand van eiser, is eiser gaan zoeken naar een buiten Nederland gelegen locatie. Mogelijke locaties waren Suriname, Spanje en Zuid-Afrika.

2.8.

In het Projectplan 2007/2008 wordt vermeld dat eiser voornemens was het centrum te bouwen in Suriname. Over het nieuw te bouwen centrum wordt in het plan het volgende opgemerkt:

“De oorspronkelijke opzet voor het trainings-centrum in Suriname – mogelijk gehuisvest in of bij [locatie J] – kan meerdere doelen dienen:

- Training museumsoftware voor Surinaamse erfgoed-instellingen

- Een Fysieke en Virtuele portal van Surinaamse erfgoed-instellingen

- Idem voor relaties in de Caribben en Zuid Amerika met gevolg een centrale rol van Suriname daarin

- Een centrum voor Cultuur educatie (een van de speerpunten van het cultuurbeleid Suriname)

- Ondersteuning Cultuur toerisme

Mogelijke aanvullende programmering:

- Workshops

- Kunst bibliotheek

- Voorstellingen”

2.9.

Uiteindelijk is ervoor gekozen het centrum niet in Suriname maar in Costa Rica te vestigen. In 2011 is een “Draft contract for the ‘Turn Key’ project ‘ [project E] ’” gesloten tussen eiser en [C SA] . De geraamde totale kosten van het project bedragen € 1.000.000 en de geschatte ontwikkelingsperiode van het project besloeg twee tot vijf jaar. In juli 2011 heeft eiser achtereenvolgens bedragen van € 18.963,34, € 7.144 en $ 62.900 overgemaakt naar [C SA] . In mei 2013 zijn betalingen van $ 33.558,35 en $ 64.000 verricht. De laatste betaling van $ 34.000 heeft plaatsgevonden in juni 2014.

2.10.

Eiser beschikt over gehuurde kantoorruimte in Nederland waar vanuit zijn onderneming wordt aangestuurd. Eiser is voornemens de aansturing ook in de toekomst vanuit Nederland te doen plaatsvinden. Voorts is eiser voornemens in Nederland te blijven wonen.

2.11.

De door eiser behaalde omzet gedurende de jaren 2007 tot en met 2011 is als volgt (bedragen in €):

Jaar Omzet Omzet exclusief rente en subsidies

2007 27.903 23.994

2008 30.267 21.063

2009 54.241 3.500

2010 14.258 257

2011 14.099 257 ”

Nu partijen tegen deze feiten geen bezwaren hebben aangevoerd zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Het Hof voegt hier nog de volgende feiten aan toe.

2.2.

In het Projectplan 2007/2008, als aangehaald in r.o. 2.8 van de uitspraak rechtbank, is voorts het volgende vermeld:


“Veranderd politiek veld 2010-2011
Door de verkiezing (…) van [D] , de daarmee gepaard gaande vertragingen in de onderhandelingen met het Directoraat-Generaal Cultuur van Suriname, zijn de voornemens tot de bouw van de Campus aldaar voorlopig uitgesteld.”

2.3.

In een brief van gemachtigde aan de inspecteur van 4 oktober 2011 is onder meer het volgende vermeld:


“Reden voor herinvesteringsreserve
[Belanghebbende] is sinds 1966 als zelfstandig ondernemer werkzaam als industrieel ontwerper.
Hij houdt zich bijvoorbeeld bezig met het opzetten en ontwerpen van tentoonstellingen (…). Vervolgens heeft cliënt in 1999 het initiatief genomen om het internet in te zetten voor digitale ontsluiting van ons Cultureel Erfgoed (…).
Vanaf 2006/2007 heeft cliënt zich meer en meer gericht op projecten (…) in onder meer Afrika en de Russische Federatie. [Belanghebbende] heeft toen ook het idee opgevat om een bedrijfscomplex/studio te bouwen met de bedoeling deze als een centrum voor cultuur voor Midden en Zuid Amerika te ontwikkelen. Gezien de relatief hoge kosten van de studio aan de [a-straat] en de steeds meer geografische spreiding van de activiteiten lag het voor de hand dat [belanghebbende] zelf het initiatief tot ontwikkeling en aanschaf van een nieuw bedrijfspand zou nemen. Voor de volledigheid laat ik u weten dat de financiering van [het] project is gedekt. (…)
Het streven is om het bedrijfscomplex op korte termijn te realiseren. Het is gezien de aard van het te ontwikkelen bedrijfspand, echter niet te verwachten dat de gestelde termijn van drie jaar wordt gehaald.
(…)
Berekening HIR
(…)
De boekwaarde van het pand bedroeg € 137.010 en het pand is verkocht voor een netto bedrag van € 1.170.665 (…).”

2.4.

In een brief van de inspecteur aan gemachtigde van 8 augustus 2012 is onder meer het volgende vermeld:


“Vervangingsvoornemen
In het projectplan 2007/2008 staat vermeld dat [belanghebbende] van plan was om te investeren in Suriname, hij wilde hier een trainingscentrum vestigen. Uit het plan blijkt duidelijk dat Suriname een centrale plaats zou gaan innemen. De reden hiervoor is dat [belanghebbende] regelmatig in Suriname kwam, het land goed kende en er contacten had op hoog ambtelijk niveau. Het streven was dat met het trainingscentrum een bijdrage zou worden geleverd aan de cultuur, de educatie en het bevorderen van het cultureel toerisme in m.n. Suriname.
Door de te verwachten politieke verandering in Suriname in 2010/2011 heeft [belanghebbende] zijn plannen (…) voorlopig uitgesteld en (…) verlegd naar Costa Rica.
Op 25 juni 2011 sluit hij een contract met [C SA] over het te realiseren ITC Training Centre en campus [project E] . (…) In juli 2011 heeft [belanghebbende] resp.
$ 10.000 en $ 27.000 voldaan aan [C SA] .”

2.5.

Het inkomen uit werk en woning is door middel van de aanslag als volgt door de inspecteur vastgesteld:


Inkomen uit werk en woning volgens aangifte -/- 29.185
Boekwinst ter zake van verkoop pand [a-straat] 1.138.642
MKB winstvrijstelling -/- 113.864
Vastgesteld inkomen uit werk en woning 992.351

2.6.

In een brief van gemachtigde aan de inspecteur van 17 november 2011 is onder het kopje HIR het volgende vermeld:


“(…) er is geen sprake van een nieuwe onderneming maar van het voortzetten, verder uitbouwen en internationaliseren van reeds lang bestaande ondernemingsactiviteiten. (…)
Het toeval wil dat afnemers van zijn producten en diensten de laatste jaren steeds meer in het buitenland zijn gevestigd (…). Gezien deze internationalisering bouwt belanghebbende nu dus een eigen studio en trainingscentrum (…).”

2.7.

In het verslag van een op 13 september 2013 met medewerkers van de Belastingdienst gevoerd hoorgesprek is onder meer het volgende vermeld:


“Belanghebbende en zijn adviseur geven aan dat er reeds in 2007 een voornemen tot vervanging is ontstaan. Belanghebbende heeft toen het plan [op]gevat om een trainingscentrum in Suriname op te zetten en het pand aan de [a-straat] te [Z] te verkopen.
(…) Belanghebbende heeft in 2008 een projectplan geschreven voor een trainingscentrum met meerdere doeleinden in Suriname en dit voorgelegd aan een architect.”


In een schriftelijke reactie op het hoorverslag heeft gemachtigde (onder meer) opgemerkt dat het jaartal 2008, als voormeld, moet worden vervangen door 2007.

2.8.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende onder meer het volgende verklaard:

“De plannen waarvan ik de tekening heb laten maken die u in de stukken heeft aangetroffen, zagen op een project in Suriname. We waren uitgenodigd om trainingen te geven en er bleek in heel Zuid-Amerika behoefte aan een dergelijk project. Naderhand bleek Suriname toch niet zo’n geschikte locatie en heb ik gekozen voor Costa Rica. Mijn medeoprichter en ik hebben veel trainingen gegeven op [locatie G] in Zuid-Afrika en dat wilden wij ook gaan doen in Zuid-Amerika.

De plannen voor Suriname zijn in 2007/2008 in een rapport beschreven. De tekeningen dateren ook uit die tijd. U zegt mij dat het rapport kennelijk van latere datum is omdat het ook spreekt over de veranderde politieke situatie in Suriname in 2010/2011. Dat komt omdat ik het rapport toen aangepast heb aan de inmiddels gewijzigde situatie. Kennelijk heb ik de bestaande documentatie verwerkt tot een nieuwe versie. Het was voor mij niet opportuun om in Suriname verder te gaan. Ik werd niet meer als gewenst gezien door het ministerie in Suriname. Vervolgens ben ik zelf benaderd door mensen in Costa Rica. Het plan bleef in wezen het zelfde. Het was gericht op deelnemers uit heel Latijns-Amerika, die training zouden krijgen in het digitale beheer van hun cultureel erfgoed.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of belanghebbende ter zake van de boekwinst behaald bij de verkoop in 2008 van het pand [a-straat 1-2] te [Z] (hierna: het pand) een herinvesteringsreserve heeft mogen vormen. In hoger beroep heeft deze vraag zich toegespitst op de vraag of belanghebbende op 31 december 2008 een voornemen tot herinvestering had.
Na de uitspraak van de rechtbank is niet meer in geschil dat belanghebbende zijn onderneming na de verkoop van het pand heeft voortgezet.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ter zake van de aanwezigheid van een herinvesteringsvoornemen heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Vorming van een herinvesteringsreserve

4.10.

Voor de vorming van een herinvesteringsreserve ter zake van de vervreemding van een bedrijfsmiddel is op grond van artikel 3.54, eerste lid, van de Wet IB 2001 vereist dat bij de belastingplichtige een voornemen tot herinvestering als bedoeld in die bepaling bestaat.
De keuze voor de vorming van een herinvesteringsreserve hoeft eerst te blijken op de balans van het jaar waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden. Het voornemen tot herinvestering moet dan ook op balansdatum aanwezig zijn (zie HR 18 juni 1980, nr. 19288, ECLI:NL:HR:1980:AW9959, BNB 1980/234). In dit geval is dat 31 december 2008.

4.11.

Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet of in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, vindt afboeking van een herinvesteringsreserve ingevolge het vierde lid van de zo-even genoemde bepaling slechts plaats voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat van een ruim herinvesteringsbegrip moet worden uitge-gaan (zie HR 14 december 2001, nr. 36068, ECLI:NL:HR:2001:AB2903, BNB 2002/98 en HR 10 maart 2006, nr. 41465, ECLI:NL:HR:2006:AU8196, BNB 2006/246)

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat eiser met hetgeen hij in dezen heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 31 december 2008 een voor de vorming van een herinvesteringsreserve vereist voornemen tot herinvesteren had. De rechtbank acht daartoe redengevend dat eiser eerst tweeënhalf jaar na het opstellen van de eindbalans van het onderhavige jaar twee “draft” overeenkomsten heeft gesloten met [C SA] .
Een definitieve overeenkomst waarin duidelijk de rechten en verplichtingen over en weer van de betrokken partijen zijn vastgelegd, is niet ingebracht. Aan de blote stelling van eiser ter zitting dat de definitieve overeenkomst mondeling is gesloten, kent de rechtbank, nu deze stelling door verweerder is weersproken en daarvan niet een begin van bewijs is geleverd, geen betekenis toe.

4.13.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser voorts een brief ingebracht van 21 juli 2008 van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volkscultuur. Uit deze brief blijkt, aldus eiser, van het bestaan van zijn voornemen tot herinvestering. De rechtbank gaat aan deze brief voorbij nu deze is gericht aan het bestuur van de [stichting H] en niet aan eiser. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe deze brief licht kan werpen op het bestaan van een herinvesteringsvoornemen van eiser op 31 december 2008.

4.14.

Daarbij komt dat tot op heden, derhalve ruim zes jaar na de vervreemding van het pand, ter zake van de door eiser gestelde herinvestering betalingen aan [C SA] gedaan ten belope van in totaal (omgerekend) ongeveer € 190.000. Deze betalingen zijn beperkt ten opzichte van de bij de verkoop van het pand gerealiseerde boekwinst van ruim € 1,1 miljoen. Mede in aanmerking genomen dat een herinvesteringsreserve ingevolge artikel 3.54, vijfde lid, van de Wet IB 2001 in beginsel in het derde jaar na het jaar waarin die reserve is gevormd (in dit geval derhalve 2011) ten gunste van de winst vrijvalt, ligt naar het oordeel van de rechtbank in die relatief beperkte betalingen een aanwijzing besloten dat eiser eind 2008 niet het vereiste voornemen tot herinvestering had. De van de zijde van eiser gegeven verklaring voor de aanzienlijke vertraging van het bouwproject in Costa Rica, welke verklaring in de kern erop neerkomt dat bij bouwprojecten aldaar de gang der gebeurtenissen doorgaans een andere is dan bij bouwprojecten in Nederland, acht de rechtbank zonder nadere toelichting te algemeen om daaraan betekenis toe te kennen.

4.15.

De enkele omstandigheid dat eiser zich voorafgaande aan de verkoop van het pand oriënteerde op een in het buitenland te vestigen trainingscentrum, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In het licht van de hiervoor weergegeven en door de rechtbank in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, acht de rechtbank die omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat op balansdatum een voornemen tot herinvestering bestond. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat het eiser niet vrijstond om de bij de verkoop van het pand gerealiseerde boekwinst in het onderhavige jaar aan een herinvesteringsreserve toe te voegen.”

4.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt genomen dat de bewijslast voor de aanwezigheid op balansdatum van het jaar 2008 van een voornemen tot herinvestering als bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) – naar de maatstaf van ‘aannemelijk maken’ – in beginsel op belanghebbende rust. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het herinvesteringsvoornemen in het onderhavige geval, gelet op het bepaalde in artikel 3.54, vierde lid, van de Wet, op een bedrijfsmiddel ‘met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte (…) bedrijfsmiddelen’ betrekking dient te hebben. In dit opzicht is er geen verschil tussen de vóór 1 januari 2001 geldende regeling van de vervangingsreserve en de met ingang van 1 januari 2001 geldende regeling van de herinvesteringsreserve (verg. Kamerstukken II, 1999/2000, 27209, A, p. 2 en Kamerstukken II, 2000/2001, 27209, nr. 6, p. 10-11).

4.3.1.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende, beoordeeld per 31 december 2008, niet voldoet aan de voor de vorming van een herinvesteringsreserve geldende voorwaarde van aanwezigheid van een herinvesteringsvoornemen. De inspecteur acht het herinvesteringsvoornemen van belanghebbende onvoldoende concreet. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat niet duidelijk is of het door belanghebbende gestelde voornemen betrekking heeft op casu quo een voornemen is van de door hem gedreven onderneming.

4.3.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat een herinvesteringsvoornemen van hem (als ondernemer) eind 2008 aanwezig was.

4.4.1.

Naar het oordeel van het Hof dient voor de aanwezigheid van een herinvesterings-voornemen enige concretisering aanwezig te zijn, in de vorm van te objectiveren feiten of omstandigheden, en dat – met andere woorden – uitsluitend een verklaring (achteraf) van de ondernemer of bestuurder daartoe in het algemeen niet toereikend is. In zoverre volgt het Hof het standpunt van de inspecteur.

4.4.2.

Vaststaat dat het pand tot het vermogen van de door belanghebbende gedreven onderneming behoorde, dat het pand onder meer werd gebruikt als studio, kantoor, tentoonstellingsruimte, cursusruimte en tijdelijke verblijfplaats voor buitenlandse cursisten en dat de ondernemingsactiviteiten van belanghebbende voornamelijk bestonden uit het verrichten van digitaliseringswerkzaamheden ten behoeve van het behoud van (bewegend) cultureel erfgoed en het geven van cursussen aan gebruikers van de voor dat behoud benodigde software.

4.4.3.

Het Hof verwerpt de stelling van de inspecteur dat onvoldoende duidelijk is of het door belanghebbende gestelde voornemen een voornemen van hem is dan wel van een ander. Deze stelling is niet goed te rijmen met de (formulering van de) hiervoor onder 2.4 aangehaalde brief van de inspecteur van 8 augustus 2012. Bovendien heeft de inspecteur desgevraagd ter zitting bevestigd dat waar in die brief sprake is van een investering van belanghebbende dat daarmee daadwerkelijk een investering ten behoeve van de door belanghebbende gedreven onderneming is bedoeld. Ook overigens acht het Hof (voldoende) aannemelijk dat het door belanghebbende gestelde voornemen een voornemen is van belanghebbende (als ondernemer) en niet van een met hem (op enigerlei wijze) verbonden rechtspersoon.

4.4.4.

Anders dan de rechtbank acht het Hof het voornemen tot de investering in de bouw van een trainingscentrum in 2008 voldoende concreet. Het Hof verwijst daartoe naar hetgeen onder 2.8 van de uitspraak van de rechtbank omtrent het Projectplan 2007/2008 is vermeld, alsmede naar de toelichting van belanghebbende onder 2.8 in de uitspraak van het Hof.
Het Hof gaat daarbij ervan uit dat het Projectplan 2007/2008 in 2008 is geschreven en aan een architect is voorgelegd, dat dit plan voorzag in de bouw van een trainingscentrum in Suriname en dat de aanvankelijk beoogde plaats van vestiging, in verband met de politieke situatie aldaar, nadien is gewijzigd in een locatie te Costa Rica.
Dat het hier om een (voldoende) concreet voornemen ging vindt overigens bevestiging in de verwezenlijking van het plan in Costa Rica, na verplaatsing van de aanvankelijk beoogde vestigingslocatie.

4.4.5.

Voorts is het Hof van oordeel dat de in het projectplan beschreven investering in een trainingscentrum en de daarin te ondernemen activiteiten voldoende in lijn liggen met de activiteiten die in het pand werden verricht. In verband daarmee geldt overigens dat bij de vraag of een vervangend bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie heeft als het bedrijfsmiddel dat wordt vervangen, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een ruim standpunt moet worden ingenomen (verg. HR 10 maart 2006, 41.465, ECLI:NL:HR:2006: AU8196, BNB 2006/246). Dit betekent dat de in artikel 3.54, vierde lid, van de Wet opgenomen voorwaarde dat het vervangende bedrijfsmiddel ‘eenzelfde economische functie in de onderneming’ moet vervullen als het te vervangen bedrijfsmiddel in het onderhavige geval niet aan de vorming van de herinvesteringsreserve in de weg staat.

Slotsom

4.5.

Het Hof concludeert derhalve dat belanghebbende terecht een herinvesteringsreserve heeft gevormd. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de inspecteur vernietigen en de aanslag verminderen tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een verlies uit werk en woning van € 29.185.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Het betreft hier de in onderdeel a van die bepaling vermelde kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (in eerste en tweede aanleg). Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4 (indienen beroepschrift rechtbank, verschijnen ter zitting bij de rechtbank, indienen hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting bij het Hof) x € 496 x 1,5 (wegingsfactor) = € 2.976.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar:
- vermindert de aanslag tot een te berekenen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning
van nihil;
- wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking in een waarin het verlies uit werk en woning is
vastgesteld op € 29.185;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.976, en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 45 (beroep bij de
rechtbank) en € 123 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 168 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en J.A. van Horzen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier. De beslissing is op 14 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.