Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2501

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
21-09-2016
Zaaknummer
200.176.719/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL: RBAMS:2015:2626. Bekrachtiging. TIP heeft geen verzekeringsplicht voor de aanhangers, dus NBM ontleent geen vorderingsrecht aan de WAM jegens TIP tot regres van de aan het Duitse bureau 'Groene Kaart' gedane uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2017/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.176.719/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/554511 / HA ZA 13-1746

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juni 2016

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGENVERZEKERAARS,

gevestigd te Rijswijk,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Gruben te Voorburg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

T.I.P. TRAILER SERVICES NETHERLANDS B.V.
(voorheen: T.I.P. TRAILER RENTAL B.V.),

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. J.M. Hesselink te Amstelveen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna NBM en T.I.P. genoemd.

NBM is bij dagvaarding van 20 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2015, gewezen tussen haar als eiseres en T.I.P. als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende akte uitlating productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

NBM heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van T.I.P. in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

T.I.P. heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis onder verbetering en/of aanvulling van gronden, met veroordeling van NBM in de proceskosten.

In het incidenteel hoger beroep heeft NBM geconcludeerd tot verwerping daarvan, met veroordeling van T.I.P. in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Grief 1 is gericht tegen de vaststelling onder 2.1 van het vonnis. Met die grief zal hierna bij de weergave van de vaststaande feiten rekening worden gehouden. Voor het overige zijn de door de rechtbank opgesomde feiten niet in geschil, zodat ook het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan.

2.2.

NBM is een erkend bureau als bedoeld in artikel 2, lid 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM).

2.3.

Volgens documenten van de “Polizeiinspektion Soltau-Fallingsbostel” heeft op 11 september 2007 een aanrijding plaatsgevonden tussen twee vrachtwagens (althans trucks) met aanhangwagen, op de A7 richting Hamburg, te Duitsland. De aanhangwagen van de vrachtwagencombinatie die de aanrijding zou hebben veroorzaakt had het kenteken [nummer] .

2.4.

Bij brief van 20 april 2012 heeft NBM aan T.I.P geschreven:

De Duitse verzekeraar heeft namens (…) een regres op u als eigenaar van de Nederlandse aanhanger. Nu er blijkbaar geen verzekeraar voor de genoemde aanhanger is afgesloten voor u 50% aansprakelijk gehouden.

Indien de aanhanger in Nederland toch verzekerd is, verzoeken wij om alsnog de verzekeraar hiervan aan ons mede te delen.

Als het voertuig onverzekerd is, zullen wij als Nederlands bureau de door ons uitgekeerde schade op u verhalen.

2.5.

Bij e-mail van 25 april 2012 heeft T.I.P de aansprakelijkheid voor de aanrijding op 11 september 2007 van de hand gewezen. In deze e-mail is als toelichting daarop onder meer geschreven:

De reden hiervan is dat de trailer met het kenteken [nummer] , T.I.P.-unit 449548, op de schadedatum 11 september 2007 door ons verhuurd werd. Voor de gegevens die u zoekt, dient u contact op te nemen met de huurder. Dat is (…)

De 50% aansprakelijkheid wijzen wij af op grond van het volgende:

Ons inziens zijn trailers en aanhangwagens met een NL-kenteken niet WAM-plichtig, nu zij niet zelfstandig met mechanische of elektrische kracht worden voortbewogen. De desbetreffende trailer is verhuurd aan de reeds doorgegeven huurder en deze dient zorg te dragen voor de verzekering van de gehele combinatie (trekkende voertuig).

Het vorderingsrecht van 50% van de schade meent de wederpartij te ontlenen aan de uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof (27-10-2010). In deze uitspraak is men uitgegaan van samenloop van polissen van trekkend voertuig en trailer/aanhanger, waarbij beide verzekeraars dekking moeten geven voor de gehele combinatie.

Ons inziens wordt er bij dit standpunt ten onrechte van uitgegaan dat er een verzekeringsplicht is voor NL trailers die de Duitse grens overgaan. In de Duitse Pflichtversicherungsgesetz (de Duitse WAM) is in paragraaf 1 duidelijk geregeld dat alleen de houder van een voertuig of trailer ‘mit regelmasigem Standort im Inland’ verplicht is voor verzekering zorg te dragen. Nu de trailer van T.I.P. geen standplaats heeft/in eigendom is in Duitsland, gaat die verzekeringsplicht niet op. Naar Nederlands recht is er geen verzekeringsverplichting voor de trailer en derhalve is er geen WAM polis en dus ook geen samenloop met de polis van uw relatie. De uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof raakt wat ons betreft dan ook niet het belang van de houders c.q. eigenaren van NL trailers.

2.6.

In een brief van 11 juli 2012 heeft het “Deutsches Büro Grüne Karte e.V” (hierna: het Duitse Bureau) aan NBM meegedeeld dat het een bedrag van € 9.915,04, de helft van het totale schadebedrag van € 19.830,08, heeft voorgeschoten, en aan NBM verzocht dat aan het Duitse Bureau over te maken. Volgens dit schrijven betreft dit schade die is ontstaan op 11 september 2007, op de A7 richting Hamburg en is het kenteken van de ‘Schädiger’ (veroorzaker van de schade) OJ-64-BR.

2.7.

Onder de gedingstukken (producties 14 tot en met 17 van NBM in eerste aanleg) bevinden zich soortgelijke stukken als hiervoor vermeld, ter zake van aanrijdingen/ongevallen van 5 juli 2009, 17 november 2009, 26 april 2012 en 2 mei 2012. In alle gevallen heeft NBM aan T.I.P verzocht om 50% van de schade te vergoeden, omdat bij de ongevallen een aanhangwagen van T.I.P betrokken zou zijn geweest. T.I.P heeft in alle gevallen aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1.

NBM vordert in deze procedure dat T.I.P. wordt veroordeeld een bedrag van € 25.080,40 aan NBM te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

De rechtbank heeft de vordering van NBM afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt NBM met haar grieven op. De grief van T.I.P. in incidenteel hoger beroep is gericht tegen rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis. Aldaar heeft de rechtbank overwogen dat T.I.P. naar Duits recht als ‘Halter’ van de aanhangwagen moet worden beschouwd.

3.3.

De rechtbank heeft hetgeen NBM ter onderbouwing van haar vordering heeft aangevoerd – in hoger beroep onbestreden – als volgt samengevat. Op grond van het Duitse recht, dat hier van toepassing is, zijn zowel de eigenaar van de vrachtwagen als de eigenaar of ‘Halter’ van de aanhangwagen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de in dit arrest in r.o. 2.3 en 2.7 bedoelde aanrijdingen. In Duitsland is, anders dan in Nederland, ook de ‘Halter’ van de aanhangwagen verplicht zich te verzekeren voor de aansprakelijkheid voor de schade waartoe de aanhangwagen in het verkeer aanleiding kan geven. Volgens een arrest van het Duitse Bundesgerichtshof van 27 oktober 2010 dient bij schade veroorzaakt door een vrachtwagencombinatie de (verzekeraar van de) ‘Halter’ van de vrachtwagen en die van de ‘Halter’ van de aanhangwagen (als dat niet dezelfde is) ieder 50% van de schade voor hun rekening te nemen. Als het gaat om een Nederlandse ‘Halter’ van de aanhangwagen is het gebruikelijk dat de verzekeraar van de vrachtwagen 100% van de schade aan de benadeelde uitkeert en vervolgens voor 50% regres neemt op het Duitse Bureau. Het Duitse Bureau keert vervolgens 50% van de schade uit aan de verzekeraar van de vrachtwagen en verhaalt dat bedrag op de Nederlandse verzekeraar van de aanhangwagen, en, als dat niet lukt, op NBM. Totaal heeft NBM aldus een bedrag van € 25.080,40 aan het Duitse Bureau betaald. Dit bedrag wil NBM op T.I.P. verhalen als de eigenaar, althans de ‘Halter’ van de aanhangwagen. Zij baseert haar vordering op verschillende grondslagen.

3.4.

Hof overweegt het volgende. In eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft T.I.P. terecht aangevoerd dat voor haar Nederlandse aanhangwagens geen verzekeringsplicht geldt op grond van de WAM. De WAM kent alleen een verzekeringsplicht voor de bezitter van een motorrijtuig. De aanhangwagens die T.I.P. aan derden verhuurt, zijn niet aan te merken als een motorrijtuig in de zin van de WAM.

3.5.

Evenmin bestond voor T.I.P. voor de aanhangwagens een verzekeringsplicht naar Duits recht. Het oordeel van de rechtbank, dat niet is gesteld of gebleken dat de aanhangwagens van T.I.P normaal gesproken zijn gestald in Duitsland, is in hoger beroep niet bestreden. Alleen voor de houder van motorijtuigen of aanhangwagens die gewoonlijk in Duitsland zijn gestald, geldt op grond van § 1 van het Gesetz über die Pflichtversicherung für Kraftfahrzeughalter (een met de WAM vergelijkbare Duitse wet) een verzekeringsplicht:

Der Halter eines Kraftfahrzeugs oder Anhängers mit regelmäßigen Standort im Inland is verpflichtet, für sich, den Eigentümer und den Fahrer eine Haftpflichtversicherung zur Deckung der durch den Gebrauch des Fahrzeugs verursachten Personenschäden, Sachschäden und sonstigen Vermögensschäden nach den folgenden Vorschriften abzuschließen und aufrechtzuerhalten, wenn das Fahrzeug auf öffentlichen Wegen oder Plätzen (…) verwendet wird.

3.6.

Ervan uitgaande, zoals hiervoor is geconcludeerd, dat voor T.I.P. zowel naar Nederlands als naar Duits recht geen verzekeringsplicht bestond voor de aanhangwagens, wordt het volgende overwogen.

3.7.

NBM benadrukt in haar processtukken dat binnen het stelsel van de groene kaart het Duitse Bureau als verzekeraar garant staat tegenover de benadeelde of de regresnemende verzekeraar van de vrachtwagen. Op gelijke wijze staat NBM als verzekeraar garant tegenover het Duitse Bureau. In zoverre is de door NBM gegeven uitleg in overeenstemming met de systematiek van de WAM. Op grond van artikel 2 lid 1 van de WAM dient de bezitter van een gewoonlijk in Nederland gestald motorrijtuig een aansprakelijkheidsverzekering te sluiten. Deze verzekering moet ook dekking bieden voor schade in het buitenland (artikel 3 lid 3 WAM eerste twee zinnen). De lidstaten dienen een nationaal bureau aan te wijzen dat de schade afwikkelt die door buitenlandse motorrijtuigen in die lidstaat is veroorzaakt (voor Nederland is dit geregeld in artikel 2 lid 6 WAM). In voorkomende gevallen betaalt NBM uit hoofde daarvan aan het Duitse Bureau, dus ter zake van de schade die door Nederlandse motorrijtuigen in Duitsland is veroorzaakt. NBM heeft voor het betaalde bedrag verhaal op degene op wie de verplichting tot verzekering rust, voor zover de verzekeringsverplichting niet is nagekomen (artikel 3 lid 3 slotzin).

3.8.

Kern van de onderhavige zaak is echter – zoals hiervoor is vastgesteld – dat T.I.P. geen verzekeringsplicht heeft voor de onderhavige aanhangwagens die zij heeft verhuurd, omdat deze gewoonlijk in Nederland zijn gestald. NBM heeft aldus op grond van artikel 3 lid 3 WAM geen vorderingsrecht op T.I.P. ter zake van het bedrag van € 25.080,40 dat zij aan het Duitse Bureau heeft betaald. De situatie dat T.I.P. een verzekeringsplicht heeft, maar deze niet is nagekomen, als bedoeld in artikel 3 lid 3 WAM, doet zich in het onderhavige geval immers niet voor.

3.9.

NBM stelt dat zij reeds betalingen aan het Duitse Bureau dient te doen en een regresrecht heeft als een aanhangwagen ‘onverzekerd’ is en – meer in algemene zin – dat zij is gehouden betalingen aan het Duitse Bureau te doen als het gaat om iemand die civielrechtelijk aansprakelijk is (memorie van grieven onder 3 en 21).
Het hof volgt NBM hierin niet. T.I.P. heeft terecht aangevoerd dat, nu voor haar geen verzekeringsplicht bestaat, de aanhangwagens vallen onder de verzekering van de houder van de vrachtwagens die de aanhangwagens hebben getrokken. Bij een schadevoorval in Duitsland waarbij een aanhangwagen van T.I.P. is betrokken, is bij gebreke van een verzekeringsverplichting voor T.I.P. binnen het systeem van de groene kaart zowel voor het Duitse Bureau als voor NBM geen rol weggelegd. Voor de gevallen waarin geen verzekeringsplicht bestaat, kunnen het Duitse Bureau en NBM immers niet worden aangemerkt als verzekeraar in de zin van de toepasselijke regelgeving. Alleen ter zake van het voertuig waarvoor een verzekeringsplicht bestond, waren het Duitse Bureau en/of NBM als verzekeraar gehouden aan benadeelden of regresnemende verzekeraars tot uitkering over te gaan. En alleen voor díe uitkering was verhaal mogelijk op degene op wie de verplichting tot verzekering rustte, voor zover die verzekeringsplicht niet was nagekomen. Deze situatie doet zich ten aanzien van de aanhangwagens van T.I.P. bij gebreke van een verzekeringsplicht niet voor.

3.10.

Of T.I.P. voor haar aanhangwagens een verzekering heeft afgesloten waaronder een WA-risico is verzekerd, kan bij gebrek aan belang in het midden blijven. Nu een verzekeringsplicht ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat een eventueel afgesloten verzekering op grond van de WAM is gesloten.

3.11.

Het voorgaande wordt niet anders door de aangehaalde uitspraak van het Bundesgerichtshof. Die uitspraak heeft betrekking op een vrachtwagen en een aanhangwagen die beide gewoonlijk in Duitsland waren gestald en beide afzonderlijk waren verzekerd. Het ging om een dubbele verzekering. Die zaak is anders dan de onderhavige waarin alleen de houder van de vrachtwagen die de aanhangwagen trok een verzekeringsplicht had en deze ook is nagekomen. Omdat de Duitse uitspraak niet ziet op een geval waarin de verzekeringsplicht voor de aanhangwagen ontbreekt, kan NBM daaraan geen argumenten in haar voordeel ontlenen.

3.12.

Het voorgaande betekent dat NBM niet als verzekeraar schade van een benadeelde heeft vergoed. Daarmee faalt haar vordering voor zover die is gebaseerd op artikel 15 WAM. Hiervoor is al overwogen dat NBM geen vordering heeft op T.I.P. op grond van artikel 3 lid 3 WAM.
Omdat in verband met de onderhavige schadevoorvallen in Duitsland binnen het systeem van de groene kaart voor het Duitse Bureau geen rol is weggelegd, kan niet worden aangenomen dat het Duitse Bureau tegenover benadeelden of regresnemende verzekeraars was gehouden betalingen te verrichten. Bij gebreke daarvan bestaat voor de door NMB bepleite borgtocht en/of subrogatie geen grond. T.I.P. heeft dat terecht bestreden.

3.13.

Aan de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking ligt de vooronderstelling van NBM ten grondslag dat T.I.P. jegens de benadeelden op grond van Duits recht civielrechtelijk aansprakelijk is. Doordat NBM deze schade voor 50% heeft vergoed, meent NBM dat T.I.P. in zoverre ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt. NBM stelt dat haar vordering uit ongerechtvaardigde verrijking beoordeeld moet worden naar Nederlands recht.

T.I.P. bestrijdt dat zij civielrechtelijk aansprakelijk is jegens de benadeelden. Zij meent dat zij niet als ‘Halter’ van de aanhangwagens kan worden aangemerkt, wat voorwaarde is voor haar aansprakelijkheid op grond van § 7 van het Duitse Straßenverkehrsgesetz.
Ook als veronderstellenderwijs ervan zou worden uitgegaan dat T.I.P. jegens benadeelden civielrechtelijk aansprakelijk is en door hen tot schadevergoeding kan worden gehouden, meent T.I.P. – uitgaande van de toepasselijkheid van Nederlands recht – dat niet van ongerechtvaardigde verrijking gesproken kan worden. Dit verweer slaagt. Zonder medeweten van T.I.P. en op eigen initiatief heeft het NBM uitbetalingen aan het Duitse Bureau gedaan. Zij heeft dat zonder toereikende grond gedaan, namelijk op grond van een uitleg van een Duitse uitspraak die geen betrekking heeft op de feitelijke situatie zoals die in dit geding aan de orde is. Nu geen toereikende rechtsgrond voor de betaling door NBM kan worden aangewezen, kan niet worden aangenomen dat T.I.P. ongerechtvaardigd ten koste van NBM is verrijkt.

3.14.

Geen van de grieven van NBM kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3.15.

Het voorgaande betekent dat het hof niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of T.I.P. op grond van § 7 van het Duitse “Straßenverkehrsgesetz” als ‘Halter’ van de aanhangwagens dient te worden aangemerkt. Gelet daarop kan de bespreking van de grief van T.I.P. in incidenteel hoger beroep achterwege blijven. Het hof komt tot een bekrachtiging van het vonnis, maar daaraan ligt een andere afweging ten grondslag dan die van de rechtbank.

3.16.

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot andere beslissingen in deze zaak dienen te leiden. De bewijsaanbiedingen worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.17.

De slotsom is dat vordering van NBM dient te worden afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. NBM zal als de ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. De incidentele grief dient buiten behandeling te blijven, zodat in incidenteel hoger beroep geen proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt NBM in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van T.I.P. begroot op € 1.937,00 aan verschotten en € 1.158,00 voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.M.P. Geelhoed en P.W.A. van Geloven en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.