Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2449

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
23-002968-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:160, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling na vrijspraak. Bewijsoverweging opzettelijke invoer cocaine Schiphol. Verantwoordelijkheid voor bagage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002968-14

datum uitspraak: 28 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 juli 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-800822-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1962,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2015, 16 september 2015 en 14 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 07 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is op 7 juli 2013 met vlucht [vluchtnummer], komende vanuit Paramaribo, aangekomen op Schiphol.

Bij het verlaten van de aankomsthal is de bagage die de verdachte met zich meevoerde gecontroleerd. Deze bagage bestond uit een donkerblauwe rolkoffer, een zwart-rode rolkoffer, een zwart-witte damestas en meerdere plastic tassen. De verdachte deelde de controlerende verbalisant desgevraagd mede dat de bagage van haar was.

Direct na het openen van de blauwe rolkoffer deelde de verdachte mede dat dit niet haar koffer was. In deze koffer werd niets ter zake doende aangetroffen. Na het openen van de zwart-rode rolkoffer deelde de verdachte mede dat ook deze koffer niet van haar was. De verdachte gaf aan dat zij de verkeerde koffers van de bagageband had gepakt en dat zij haar eigen bagage van de band wilde halen.

De verbalisant heeft de verdachte hierop gesommeerd bij de controle aanwezig te blijven. In de zwart-rode rolkoffer trof de verbalisant acht pakketten met cocaïne aan. In het buitenvak van de zwart-rode rolkoffer zat een tablet van het merk Medion Lifetab, dat aan de verdachte toebehoorde. Nadat verbalisanten de verdachte hadden aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, hebben zij de verdachte gesommeerd de mobiele telefoon, die zij in haar hand had, aan hen af te geven. De verdachte heeft hierop de telefoon hard op de tafel geslagen en deze vervolgens met kracht op de grond gegooid. De verbalisant heeft de telefoon, die uit elkaar lag, opgeraapt en in de fouilleringszak gedeponeerd.

Bij onderzoek aan de blauwe rolkoffer die de verdachte met zich meevoerde, is gebleken dat deze koffer aan een ander dan de verdachte toebehoorde. Op de bagageband werd alsnog een donkerblauwe rolkoffer op naam van de verdachte aangetroffen. Op de bagageband werd geen andere zwart-rode rolkoffer aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof staat voorop dat de verdachte verantwoordelijk is voor de bagage die zij van de bagageband heeft gepakt en voor de inhoud van die bagage. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot de conclusie leiden dat de verdachte daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

Het hof stelt vast dat de verdachte de zwart-rode rolkoffer met daarin acht pakketten met cocaïne van de bagageband heeft gepakt en heeft meegenomen.

De verdachte heeft aangevoerd dat de blauwe en de zwart-rode rolkoffer, die zij ten tijde van de controle bij zich droeg, niet van haar waren en dat zij twee verkeerde, op haar eigen bagage gelijkende, koffers van de bagageband heeft gepakt. De tablet heeft zij pas in de zwart-rode rolkoffer gestopt nadat zij deze van de bagageband had gehaald. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij op de luchthaven in Suriname haar eigen bagage, bestaande uit een blauwe rolkoffer, had ingecheckt. De zwart-rode trolley had ze aanvankelijk als handbagage meegenomen en pas kort voor vertrek ingecheckt. Ze heeft daarvan een bewijs in de vorm van een label gekregen en dit label in haar handtas gedaan. Nadat de verdachte op Schiphol was gecontroleerd, was dit label, evenals een aantal andere goederen, volgens de verdachte uit haar handtas verdwenen.

Het hof ziet in het dossier geen aanknopingspunt voor de lezing van de verdachte dat ook de zwart-rode rolkoffer niet van haar zou zijn. De verdachte heeft op geen enkele wijze kunnen aantonen dat zij kort voor vertrek op de luchthaven in Suriname een andere rolkoffer zou hebben ingecheckt. De stelling van de verdachte dat haar eigen zwart-rode rolkoffer op de bagageband zou zijn achtergebleven, wordt weersproken door (aanvullend) onderzoek naar het bagage-afhandelingssysteem op Schiphol, waaruit is gebleken dat op 7 juli 2013 geen enkel stuk bagage, afkomstig van vlucht [vluchtnummer], is achtergebleven op de bagageband, laat staan een soortgelijke koffer. De stelling van de verdediging dat dit mogelijk onjuist zou zijn geregistreerd, is niet voldoende onderbouwd. Dit geldt evenzeer voor de enkele stelling dat de zwart-rode rolkoffer van de verdachte door een ander zou zijn meegenomen.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte twee telefoons bij zich had. Na haar aanhouding heeft zij, zoals omschreven in het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 25 juli 2013 (dossierpagina 2.7), één van die telefoons eerst geweigerd af te geven en vervolgens van de onderzoekstafel gepakt, daarmee op de tafel geslagen en op de grond gegooid. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte heeft geprobeerd te bewerkstelligen dat de geheugeninhoud van deze telefoon niet bij verder onderzoek zou kunnen worden betrokken, hetgeen blijkens het proces-verbaal onderzoek GSM-telefoon van 15 juli 2013 (dossierpagina 2.6) ook is gelukt.

De verdediging heeft voorts betoogd dat sprake is van strijd met artikel 6 EVRM, nu de verdachte tijdens de controle op Schiphol geen gelegenheid heeft gekregen alsnog haar eigen bagage van de bagageband te halen. Voorts zijn de camerabeelden die op 7 juli 2013 in de aankomsthal zijn gemaakt inmiddels gewist. Zodoende is de verdachte tijdens de controle en ook nadien een eerlijke kans ontnomen om haar onschuld aan te tonen, aldus de verdediging.

Het hof is van oordeel dat de bagagecontrole op Schiphol conform de daarvoor geldende regels is geschied, nu de verdachte was gehouden bij die controle aanwezig te blijven. Derhalve is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Dat de camerabeelden van het betreffende tijdstip zijn gewist, leidt evenmin tot het oordeel dat de verdachte in haar verdedigingsrechten is geschaad. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 07 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder strafbare feiten ter financiering van de aankoop van deze stof.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juni 2016 is zij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. S.J. Riem, in tegenwoordigheid van

mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

28 juni 2016.

Mr. Boekhoudt is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.