Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2447

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
23-002853-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldheling. Aanleggen transportboeien i.s.m. artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie. Hof volstaat met constatering onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002853-15

datum uitspraak: 24 juni 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-659153-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1975,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2013 tot en met 21 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ipod heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 30 juni 2013 tot en met 21 oktober 2013 te Amsterdam, een ipod voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities bepleit de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de iPod niet heeft verworven of voorhanden heeft gehad en de verdachte niet wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de iPod, die de verdachte voorhanden heeft gehad, van diefstal afkomstig was.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte in strijd met het bepaalde in artikel 22 van de Ambtsinstructie is geboeid en dat dit vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij foto’s heeft gemaakt met de iPod en dat de iPod op dat moment in zijn bezit was. Daarmee is vast komen te staan dat de verdachte de iPod voorhanden heeft gehad.

Over de omstandigheden waaronder de verdachte de iPod voorhanden heeft gekregen heeft hij bij de politie (dossierpagina 30) verklaard dat zijn nichtje op straat van drie Roemeense jongens, bekenden van gezicht, een Louis Vuitton tasje kreeg, waar de iPod in zat. Deze iPod heeft de verdachte enkele dagen later in gebruik gehad. Dat zijn nichtje van drie min of meer onbekende mannen op straat een tasje van een – naar van algemene bekendheid is – duur merk met een telefoon erin kreeg, had bij de verdachte bedenkingen moeten oproepen. Van hem mocht worden verwacht dat hij de iPod, toen hij deze enkele dagen later onder zich kreeg, aan een nader onderzoek onderwierp teneinde zeker te stellen dat deze niet gestolen was. Nu hij dit niet heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat het om een door misdrijf verkregen goed ging.

In het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte (dossierpagina 17) is gerelateerd dat de verdachte transportboeien zijn aangelegd. Dit mag, volgens artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, uitsluitend gebeuren indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Het proces-verbaal houdt niets in over feiten of omstandigheden die het aanleggen van de transportboeien redelijkerwijs vereisen als in artikel 22 van de Ambtsinstructie is bedoeld. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn ook anderszins niet aannemelijk geworden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zij niet aanwezig zijn geweest. Dat maakt het gebruik van transportboeien bij de verdachte onrechtmatig. Dit is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bij de vraag, of dit verzuim moet leiden tot strafvermindering, zoals door de raadsman bepleit, moet rekening worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt. Nu hieromtrent onvoldoende is aangevoerd, noch anderszins van ander concreet nadeel voor de verdachte dan enig ongemak is gebleken, leidt het verzuim reeds daarom niet tot strafvermindering en kan met de constatering ervan worden volstaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een iPod. Door heling wordt de afzetmarkt voor gestolen goederen en daarmee diefstal van goederen in stand gehouden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juni 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van

J. Dommershuijzen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

24 juni 2016.

=========================================================================

[....]