Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2414

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
23-004902-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1096, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord, brandstichting, verlating hulpbehoevende met de dood als gevolg, valsheid in geschrift en oplichting. TBS met dwangverpleging plus 16 jaar gevangenisstraf. Direct causaal verband tussen de stoornis en de bewezen verklaarde feiten. Verdachte niet geheel toerekensvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004902-14

datum uitspraak: 24 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam na verwijzing op de voet van artikel 62b van de Wet op de Rechtelijke Organisatie gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 november 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 18/750224-13 (hierna ook: zaak A) en 18/730061-14 (hierna ook: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

thans gedetineerd in P.I.V. HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2015, 8 september 2015, 24 mei 2016, 26 mei 2016, 30 mei 2016, 2 juni 2016 en 10 juni 2016, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdediging heeft het hof verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, omdat de termijn voor het indienen van de appelschriftuur met ongeveer een maand is overschreden.

De advocaat-generaal heeft onderschreven dat de appelschriftuur van de officier van justitie te laat is ingediend, maar heeft betoogd dat daaraan niet de consequentie moet worden verbonden die door de verdediging wordt voorgestaan. Zij heeft erop gewezen dat het de betrokken officier van justitie vanwege feestdagen en enkele vrije dagen was ontschoten dat bedoelde termijn verliep en dit in het weekend van 25 januari 2015 gewaar is geworden. Verder heeft zij aangevoerd dat het belang van het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep, gelet op de grote maatschappelijke belangen in deze zaak, zwaarder weegt dan het belang dat met het verbinden van het gevolg van niet-ontvankelijkverklaring aan het verzuim van de officier van justitie in het hoger beroep is gemoeid. Bovendien is het tijdstip van indiening van de appelschriftuur niet dusdanig dat gesproken kan worden van een beletsel voor de voorbereiding van de behandeling ter terechtzitting voor het hof en de verdediging, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 410, eerste lid, Sv dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven in te dienen.

Op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv kan aan het verzuim van het openbaar ministerie een schriftuur houdende grieven in te dienen de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep worden verbonden. Dit voorschrift is mede van toepassing op een geval waarin de appelschriftuur niet tijdig is ingediend (HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2340).

In dit geval heeft de officier van justitie op 11 december 2014 hoger beroep tegen het aangevallen vonnis ingesteld. Hij heeft de appelschriftuur eerst op 26 januari 2015, dus meer dan een maand te laat ingediend. Het dossier is op 13 april 2015 door het hof ontvangen.

Gelet hierop dient het hof vervolgens te beoordelen of het belang van het hoger beroep zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van de niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig een appelschriftuur in te dienen.

Enerzijds neemt het hof daarbij in aanmerking dat de mate van de overschrijding van de indieningstermijn aanmerkelijk is en dat niet is gebleken van een valide reden voor de overschrijding. Anderzijds wordt meegewogen dat het gaat om een complexe en omvangrijke zaak waarin de verdachte er onder meer van wordt verdacht twee voltooide levensdelicten te hebben begaan; de zaak is mitsdien van een groot maatschappelijk gewicht. Verder heeft de ontijdige indiening van de appelschriftuur het hof of de verdediging niet gehinderd in de richtige voorbereiding van de behandeling van de zaak, althans daarvan is niet gebleken. Het hof tekent daarbij nog aan dat de inhoud van de schriftuur in het verlengde ligt van de onderbouwing van het door de officier van justitie op de terechtzitting in eerste aanleg ingenomen standpunt dat aan de verdachte de maatregel van ter beschikking stelling met verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd, zodat de inhoud van de schriftuur nauwelijks verrast kan hebben.

Bij deze stand van zaken dient het belang van het hoger beroep te prevaleren boven de scherpe sanctionering van het vastgestelde verzuim, zodat de officier van justitie niet om die reden niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep; ook overigens zijn er geen omstandigheden die aan die ontvankelijkheid in de weg staan. Het verweer wordt verworpen.

Tenlasteleggingen

Na nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a Sv in eerste aanleg, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

zaak A:

1.

primair

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2004, in ieder geval in of omstreeks het jaar 2004 (tot en met 22 februari 2004), te Enkhuizen, in ieder geval in de gemeente Enkhuizen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (in voornoemde periode) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere (toxische) middelen/stoffen toegediend en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2004, in ieder geval in of omstreeks het jaar 2004 (tot en met 22 februari 2004), te Enkhuizen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere (toxische) middelen/stoffen toegediend en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

meer subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 1 december 2003 tot en met 22 februari 2004, in elk geval in de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 februari 2004, te Enkhuizen, (zulks terwijl verdachte werkzaam was als verpleegster/verzorgende, althans in de zorg/verpleging) opzettelijk, [slachtoffer 1], zijnde verdachtes echtgenoot, tot wiens onderhoud, verpleging en/of verzorging verdachte krachtens wet of overeenkomst verplicht was, toen aldaar die [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft verdachte in voornoemde periode toen

- die [slachtoffer 1] niet uit zijn/een stoel kon opstaan en (vervolgens) door een van zijn zoons en verdachte naar bed was gebracht/gedragen en/of (in de periode daarna)

- die [slachtoffer 1] zwaar lag te ademen en/of te rochelen en/of

- die [slachtoffer 1] (ernstig) moest braken en/of (ernstig) heeft gebraakt (onder meer bloed) en/of

- toen die [slachtoffer 1] (een) ongezonde, althans ongebruikelijke, lichaamskleur(en) vertoonde (te weten witte handen, blauwe nagels, (donker) blauw/paarse neus en/of lippen en/of een of meerdere andere verkleuring(en) aan het gelaat),

- die [slachtoffer 1] niet meer aanspreekbaar was en/of in bewusteloze en/of comateuze toestand verkeerde, niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 1] en zodoende die [slachtoffer 1] de nodige medische zorg onthouden en zodoende die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand gebracht en/of gelaten, zulks terwijl vorenstaand nalaten en/of handelen van verdachte de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

meest subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 1 december 2003 tot en met 22 februari 2004, in elk geval in de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 februari 2004, te Enkhuizen, (zulks terwijl verdachte werkzaam was als verpleegster/verzorgende, althans in de zorg/verpleging) roekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, ten behoeve van de medische zorg van [slachtoffer 1], zijnde verdachtes echtgenoot, nadat

- die [slachtoffer 1] niet uit zijn/een stoel kon opstaan en (vervolgens) door een van zijn zoons en verdachte naar bed was gebracht/gedragen en/of (in de periode daarna)

- die [slachtoffer 1] zwaar lag te ademen en/of te rochelen en/of - die [slachtoffer 1] (ernstig) moest braken en/of (ernstig) heeft gebraakt (onder meer bloed) en/of

- toen die [slachtoffer 1] (een) ongezonde, althans ongebruikelijke, lichaamskleur(en) vertoonde (te weten witte handen, blauwe nagels, (donker) blauw/paarse neus en/of lippen en/of een of meerdere andere verkleuring(en) aan het gelaat),

- die [slachtoffer 1] niet meer aanspreekbaar was en/of in bewusteloze en/of comateuze toestand verkeerde, niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp heeft geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 1] en zodoende die [slachtoffer 1] de nodige medische zorg onthouden, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;


2.
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 november 2012, in elk geval in of omstreeks het jaar 2012 (tot en met 26 juni 2012), te Franeker, in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en/of een "Niet-rokersverklaring" en/of een "Aanvullend vragenformulier", - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk (in voornoemde periode)

- op die formulieren/verklaring een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en/of een andere plaats van ondertekening vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en/of de werkelijke plaats van ondertekening en/of

- die formulieren/verklaring ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 2], althans een valse handtekening, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 november 2012, in elk geval in of omstreeks het jaar 2012 (tot en met 31oktober 2012) te Franeker, in ieder geval in gemeente Franekeradeel, en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschriften, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die geschriften, te weten een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en/of een "Niet-rokersverklaring" en/of een "Aanvullend vragenformulier" heeft ingeleverd/ingediend bij [bedrijf 1] ten behoeve van (de uitkering van) een overlijdensrisicoverzekering en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- die formulieren/verklaring, althans die geschriften, met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering was/waren ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2], althans een valse handtekening en/of (daarbij)

- op die formulieren/verklaring, althans die geschriften, een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en/of een andere plaats van ondertekening stond vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en/of de werkelijke plaats van ondertekening;

4.
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 november 2012, in elk geval in of omstreeks het jaar 2012 (tot en met 31 oktober 2012) te Franeker, in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere medewerker(s) van [bedrijf 1] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst op naam van [slachtoffer 2] en/of de afgifte van (verzekerings)geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (in voornoemde periode) ten behoeve van (het verkrijgen en later uitkeren van) een overlijdensrisicoverzekering

- een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en/of een "Niet-rokersverklaring" en/of een "Aanvullend vragenformulier" en/of een "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)", althans die geschriften, met betrekking tot het aangaan van overlijdensrisicoverzekering ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2], althans een valse handtekening en/of (daarbij)

- op die formulieren/verklaring, althans die geschriften, met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering, een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde ([slachtoffer 2]) en/of een andere plaats van ondertekening vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde ([slachtoffer 2]) en/of de werkelijke plaats van ondertekening en/of (vervolgens)

- die formulieren/verklaring, althans geschriften, ingeleverd/ingediend bij [bedrijf 1] en/of

- ( op 21 augustus 2012) een adreswijziging aan [bedrijf 1] doorgegeven/gemeld met betrekking tot de woonplaats van de verzekerde [slachtoffer 2] en/of

- ten behoeve van de uitkering van die overlijdenrisicoverzekering (bij [bedrijf 1]) schriftelijk via het "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)" melding gemaakt van het overlijden van die [slachtoffer 2] (op 22 augustus 2012), en/of

- ( aldus) zich (telkens) gepresenteerd en/of voorgedaan als [slachtoffer 2], althans een bonafide aanvrager van een overlijdensrisicoverzekering (op naam van [slachtoffer 2]),

waardoor [bedrijf 1] werd bewogen tot het aangaan van die schuld en/of (vervolgens) na het overlijden van die [slachtoffer 2] tot uitkering van verzekeringsgeld (250.000 euro) (op of omstreeks 26 oktober 2012) op grond van eerder genoemde, valselijk tot stand gekomen, overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst, in elk geval tot afgifte van geld;

5.

primair
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 augustus 2012, in ieder geval in het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012), te Franeker, in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2], te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (in voornoemde periode) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) (toxische) middelen/stoffen, te weten Diazepam en/of Desmethyldiazepam en/of Temazepam en/of Morfine en/of Codeïne en/of Paracetamol toegediend en/of doen of laten innemen en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 augustus 2012, in ieder geval in het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012), te Franeker, in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2], te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (in voornoemde periode) met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) (toxische) middelen/stoffen, te weten Diazepam en/of Desmethyldiazepam en/of Temazepam en/of Morfine en/of Codeïne en/of Paracetamol toegediend en/of doen of laten innemen en/of anderszins (telkens) handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 2], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

meer subsidiair
zij in of omstreeks de periode van omvattende het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012, in ieder geval in of omstreeks de periode van 19 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012, te Franeker, in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, (zulks terwijl verdachte werkzaam was als verpleegster / verzorgende, althans in de zorg/verpleging)

opzettelijk iemand, te weten [slachtoffer 2], zijnde verdachtes echtgenoot, tot wiens onderhoud, verpleging en/of verzorging zij, verdachte, krachtens wet of overeenkomst verplicht was, toen aldaar in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

immers heeft verdachte, in voornoemde periode,

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 20 augustus 2012 te 21:30:45 uur, kennelijk/klaarblijkelijk

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] ziek was en aangegeven dat zij daarover onrustig was en dat wanneer het erger zou worden zij de dokter zou bellen en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] in een heel diepe slaap was, al vanaf die avond na het eten, althans gelet op die/dat bericht(en), (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, en/of

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 21 augustus 2012 te 17:37:01 uur, kennelijk/klaarblijkelijk

- geconstateerd dat het er met betrekking tot de toestand van die [slachtoffer 2] ernstig uitzag en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] (gelet het hiervoor genoemde bericht van 20 augustus 2012, gedurende reeds langere periode) in een diepe slaap verkeerde, waarin hij niet meer aanspreekbaar was en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] klam en koud aanvoelde en dat dit geen goed teken was en/of

- geconstateerd dat wanneer zij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] sprak en/of die [slachtoffer 2] streelde, deze er niet op kon reageren en/of

- geconstateerd dat verdachte in dezelfde situatie zat als 8 jaar geleden (immers is verdachtes voormalige echtgenoot [slachtoffer 1] destijds (onder soortgelijke omstandigheden) overleden),

althans gelet op die/dat bericht(en), (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, en toen na of gedurende een of meerdere van voornoemde constatering(en),

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 2] en zodoende die [slachtoffer 2] de nodige medische zorg onthouden en zodoende die [slachtoffer 2] in hulpeloze toestand gebracht en/of gelaten, zulks terwijl vorenstaand nalaten en/of handelen van verdachte de dood van die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

meest subsidiair
zij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 (tot en met 22 augustus 2012), in ieder geval in of omstreeks de periode van 19 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012, te Franeker, in ieder geval in de gemeente Franekeradeel, roekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, ten behoeve van de medische zorg van [slachtoffer 2], zijnde verdachtes echtgenoot, nadat verdachte

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 20 augustus 2012 te 21:30:45 uur, kennelijk/klaarblijkelijk had

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] ziek was en aangegeven dat zij daarover onrustig was en dat wanneer het erger zou worden zij de dokter zou bellen en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] in een heel diepe slaap was, al vanaf die avond na het eten, althans (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking, en/of

- gelet op een verzonden mailbericht van verdachte d.d. 21 augustus 2012 te 17:37:01 uur, kennelijk/klaarblijkelijk had

- geconstateerd dat het er met betrekking tot de toestand van die [slachtoffer 2] ernstig uitzag en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] (gelet het hiervoor genoemde bericht van 20 augustus 2012, gedurende reeds langere periode) in een diepe slaap verkeerde, waarin hij niet meer aanspreekbaar was en/of

- geconstateerd dat die [slachtoffer 2] klam en koud aanvoelde en dat dit geen goed teken was en/of

- geconstateerd dat wanneer zij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] sprak en/of die [slachtoffer 2] streelde, deze er niet op kon reageren en/of

- geconstateerd dat verdachte in dezelfde situatie zat als 8 jaar geleden (toen verdachtes voormalige echtgenoot [slachtoffer 1] (onder soortgelijke omstandigheden) is overleden),

althans (een) constatering(en) van gelijke aard of strekking,

toen na of gedurende een of meerdere van voornoemde constatering(en),

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp heeft geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 2] en zodoende die [slachtoffer 2] de nodige medische zorg heeft onthouden, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

zaak B:

zij op of omstreeks 5 juni 2013 te Sambeek, in ieder geval in de gemeente Boxmeer, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk brand heeft gesticht in en/of aan een woning, gelegen aan of bij de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar (in die woning) (telkens) opzettelijk op meerdere plaatsen in die woning (telkens) terpentine, althans (telkens) een vluchtige en/of brandbare (vloei)stof op/over een of meerdere zich in die woning bevindende (brandbare) goed(eren) gegoten/gesprenkeld en/of (vervolgens) (op die meerdere plaatsen in die woning) - die terpentine, althans die vluchtige en/of brandbare (vloei)stof en/of - die/dat met terpentine, althans een vluchtige en/of brandbare (vloei)stof, overgoten/besprenkelde (brandbare) goed(eren), (telkens) in brand gestoken, althans (telkens) met (open) vuur in aanraking gebracht, in ieder geval (telkens) in die woning (open) vuur in aanraking gebracht met brandbare (vloei)stoffen en/of goederen, ten gevolge waarvan die zich in die woning bevindende goederen en/of de rest van de inventaris van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan A. gemeen gevaar voor - de inventaris van die woning, althans die meerdere zich in die woning bevindende goed(eren) en/of die woning en/of - de/het/een belendende, althans in de nabijheid gelegen, perce(e)l(en) / woning(en) en/of de inventaris van die/dat belendende, althans in de nabijheid gelegen, perce(e)l(en)/woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of B. levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewonder(s) van die/dat belendende, althans in de nabijheid gelegen, perce(e)l(en) / woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere sanctietoepassing dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde

De verdediging heeft betoogd dat, indien de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde (strafverzwarende) bestanddeel ‘de dood ten gevolge hebbend’ als bedoeld in artikel 257, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr), het recht tot vervolging ter zake van het aldaar ten laste gelegde gronddelict – te weten overtreding van artikel 255 Sr – vanwege verjaring is vervallen, hetgeen ‘gevolgen heeft voor de vervolgingsmogelijkheden van het OM’.

Het hof overweegt dat dit verweer doel mist, gelet op de navolgende beslissing omtrent het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde.

Verweer met betrekking tot rechtsbijstand tijdens het verhoor

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten onrechte geen bijstand heeft gehad van een advocaat tijdens haar verhoren door de politie en evenmin in de gelegenheid is geweest om overleg te voeren met haar advocaat, terwijl zij van het recht daarop niet op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan. Derhalve is sprake van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), hetgeen een vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit verweer is gewezen op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Navone e.a. tegen Monaco (24 oktober 2013, nrs. 62880/11 en 62899/11), de Richtlijn 2013/48/EU en het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:770).

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verhoren van de verdachte voorafgaand aan 1 maart 2016, de door de Hoge Raad in genoemd arrest bepaalde datum, hebben plaatsgevonden, zodat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof zal de door de verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs bezigen. Het door de verdediging gevoerde verweer behoeft mitsdien geen verdere bespreking.

Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de in zaak A onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten, te weten de moord dan wel de doodslag op haar echtgenoot [slachtoffer 1], niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

De verdachte heeft deze ten laste gelegde feiten van meet af aan ten stelligste ontkend.

De verdachte is gehuwd geweest met de op 5 december 1958 geboren en op 22 februari 2004 overleden [slachtoffer 1] (hierna: ‘[slachtoffer 1]’). Op 6 januari 2014 is zijn lichaam geëxhumeerd. Op basis van de bevindingen van het forensisch antropologisch onderzoek kon geen doodsoorzaak van [slachtoffer 1] worden vastgesteld. Bij het toxicologisch onderzoek aan lichaamsmateriaal van [slachtoffer 1] zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen en kan het overlijden niet worden verklaard. Ook uit de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat bij [slachtoffer 1] sprake is geweest van een niet-natuurlijke dood en derhalve evenmin dat de verdachte, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] middelen of stoffen heeft toegediend, of andere handelingen heeft verricht, die schadelijk waren voor diens gezondheid, ten gevolge waarvan hij is overleden.

De verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak A onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit – kort gezegd: het in hulpeloze toestand brengen en/of laten van [slachtoffer 1], met diens dood ten gevolge – en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Uit onder meer de verklaringen van de kinderen van de verdachte en [slachtoffer 1] (hierna aan te duiden als: de zonen) blijkt dat [slachtoffer 1] gedurende de laatste dagen voor zijn dood kampte met een verslechterende gezondheidstoestand. Op de avond voor zijn overlijden bevond hij zich in een hulpeloze toestand, nu er gevaar bestond voor zijn leven of gezondheid, terwijl hij zich niet zelf kon redden. Gelet op deze hulpeloze toestand moet de verdachte, als gediplomeerd Verzorgende Individuele Gezondheidszorg, op de hoogte zijn geweest van de noodzaak van medisch ingrijpen, terwijl uit de verklaringen bovendien naar voren komt dat zij de dood van [slachtoffer 1] al voorzag. Zij heeft [slachtoffer 1] echter opzettelijk de noodzakelijke zorg onthouden door geen arts in te schakelen of naar het ziekenhuis te gaan, terwijl zij daartoe als diens echtgenote door de wet gehouden was. Naar het oordeel van het openbaar ministerie heeft de verdachte door dit nalaten het gevaar dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden in zodanige mate verhoogd, dat het overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

▪ De verklaringen van de zonen zijn onbetrouwbaar, gelet op het lange tijdsverloop tussen het moment van overlijden van [slachtoffer 1] en het moment waarop hun verklaringen zijn afgelegd. Daardoor ontstaat het risico op vervaging en vervorming van herinneringen, op pseudoherinneringen en op confabulatie. Ook is gesteld dat de herinneringen aan de gebeurtenissen van 2004 per kind op essentiële onderdelen verschillen. Die verklaringen dienen om die reden te worden uitgesloten van het bewijs. Bij die stand van zaken kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [slachtoffer 1] kort voor zijn overlijden in een hulpeloze toestand verkeerde.

▪ Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten medische hulp in te schakelen. De verdachte was namelijk in de veronderstelling dat [slachtoffer 1] ‘slechts’ uitgeput was van een drukke periode en dat hij veel sliep om over de vermoeidheid heen te komen. Van ‘alarmbellen’ die haar ertoe hadden moeten brengen medische hulp in te schakelen is geen sprake geweest.

▪ De verdachte dient vrijgesproken te worden van de strafverzwarende omstandigheid zoals genoemd in artikel 257, tweede lid, Sr. nu het causale verband tussen het overlijden van [slachtoffer 1] en het nalaten van de verdachte ontbreekt. [slachtoffer 1] is immers overleden aan een acuut hartinfarct dat zich plotsling heeft voorgedaan. Derhalve heeft het nalaten medische hulp in te schakelen het gevaar op overlijden niet in zodanige mate verhoogd, dat de verdachte daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld.

Het oordeel van het hof

Juridisch kader

De in dezen van belang zijnde bepaling van artikel 255 Sr luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

Artikel 257 Sr, in deze zaak evenzeer van belang, luidt:

“1. Indien een der in de artikelen 255 en 256 omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.

2. Indien een van deze feiten de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 255 Sr blijkt dat sprake is van hulpbehoevendheid wanneer er gevaar bestaat voor het leven of de gezondheid van een persoon, terwijl de hulpbehoevende zichzelf niet kan redden. Er moet bovendien sprake zijn van een concreet gevaar voor de hulpbehoevende.

Als het handelen van degene die, alhoewel tot handelen verplicht, heeft nagelaten adequate medische hulp in te roepen, het gevaar dat de hulpbehoevende zou komen te overlijden in zodanige mate heeft verhoogd dat dit overlijden redelijkerwijs aan diegene kan worden toegerekend, kan worden gezegd dat deze omissie de dood van de hulpbehoevende tot gevolg heeft gehad. Voor het aannemen van het oorzakelijk verband tussen het nalaten van een verdachte en de dood van de hulpbehoevende is niet vereist dat wordt uitgesloten dat de hulpbehoevende bij het tijdig inschakelen van medische hulp ook zou zijn overleden (vgl. HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9666).

Betrouwbaarheid verklaringen van de zonen

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door de zonen afgelegde verklaringen overweegt het hof dat deze verklaringen met de nodige behoedzaamheid zijn bezien, in het bijzonder gelet op de tijd die tussen 2004 en het afleggen van hun verklaringen is verstreken, de leeftijd van de zonen ten tijde van hun waarnemingen en hun emotionele betrokkenheid bij zowel de verdachte als het slachtoffer. Anders dan de verdediging ziet het hof echter geen reden om aan te betrouwbaarheid van hun verklaringen te twijfelen, omdat deze op onderdelen met elkaar overeenstemmen, elkaar aanvullen en niet met elkaar in tegenspraak zijn. Dat verschillende gebeurtenissen in de periode kort voor het overlijden van [slachtoffer 1] niet in elk van de verklaringen van de zonen terugkomen, vindt verklaring in de omstandigheid dat zij ieder op verschillende - soms deels overlappende - momenten getuige zijn geweest van de situatie. Het hof heeft geen concrete aanknopingspunten gevonden om te kunnen veronderstellen dat de tot het bewijs gebezigde passages uit hun verklaringen in meer of mindere mate het resultaat zijn van vervorming van herinneringen, van pseudoherinneringen of van confabulatie. De verklaringen winnen aan geloofwaardigheid doordat daaruit duidelijk wordt dat zij hun moeder niet willen belasten en lang in haar onschuld hebben willen geloven.

Verder kent het hof gewicht toe aan het feit dat de verklaringen van de zonen op verschillende onderdelen worden ondersteund door andere onderzoeksresultaten:

▪ Dat [slachtoffer 1] op vrijdagavond de trap niet meer zelfstandig op kon komen en daarna alleen nog maar in bed heeft gelegen, wordt ondersteund door het journaal van de huisarts, waarin is opgenomen dat de verdachte op 22 februari 2004 de huisarts heeft gebeld met de mededeling dat haar man met grote zekerheid is overleden en dat hij twee dagen in bed heeft gelegen en niet meer op zijn benen kon staan.

▪ De verklaringen van [nabestaande 1] en [nabestaande 2] dat op zaterdagavond bij de jongerenkring is gebeden voor hun vader vindt steun in de verklaringen van [getuige 1]. Hij heeft onder meer verklaard dat hij van zijn dochter had vernomen dat een aantal kinderen van de verdachte zaterdagavond bij de jeugdclub was en dat die kinderen daar hadden gezegd dat hun vader ziek was en dat hij misschien zou komen te overlijden.

▪ De getuige [getuige 2] heeft, conform de verklaring van [nabestaande 3], verklaard dat de verdachte hem kort voor het overlijden van [slachtoffer 1] heeft gebeld en dat hij de telefoon aan zijn vrouw [getuige 3] heeft gegeven. Ook laatstgenoemde heeft op haar beurt bevestigd dat de verdachte haar kort voor het overlijden van [slachtoffer 1] heeft gebeld en dat de verdachte heeft gezegd dat [slachtoffer 1] ziek was en (kennelijk) niet zelfstandig uit bed kon komen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [nabestaande 1], [nabestaande 3], [nabestaande 4] en [nabestaande 2] [slachtoffer 1] – ook indien deze met de nodige behoedzaamheid worden beschouwd – betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Hulpeloze toestand

Het hof stelt op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast:

▪ Op vrijdagavond 20 februari 2004 kon [slachtoffer 1] niet opstaan uit een stoel en niet meer zelfstandig de trap op komen, waarna [nabestaande 1] hem samen met de verdachte de trap op heeft geholpen. [slachtoffer 1] had toen een lacherige grimas op het gezicht en reageerde niet meer. [nabestaande 3] heeft zijn vader daarna niet meer bij bewustzijn gezien.

▪ In de nacht van vrijdag op zaterdag heeft [slachtoffer 1] rochelend en zwaar ademend in bed gelegen. Het klonk alsof hij spuug aan het verzamelen was om uit te spugen. [nabestaande 3] had dergelijke geluiden vóór die nacht nog nooit gehoord.

▪ De verdachte heeft de derde zoon, [nabestaande 4], toen hij op zaterdagmiddag 21 februari 2004 van zijn werk kwam, gevraagd naar boven te gaan, omdat zijn vader niet meer wakker was geworden en hij misschien op [nabestaande 4] zou reageren. [nabestaande 4] heeft hieraan gehoor gegeven en heeft gezien dat zijn vader in bed lag, niet bewoog en nergens op reageerde. Hij heeft op verzoek van de verdachte geholpen zijn vader te wassen. Zijn vader gaf ook daarbij geen respons meer.

▪ Die avond of nacht heeft [slachtoffer 1] heel hard moeten braken. Ook kwam er ‘troep’ uit zijn mond, waaronder gal en bloed. [nabestaande 1] heeft van één en ander drie uur wakker gelegen.

▪ [slachtoffer 1] is op 22 februari 2004 kort na 02.00 uur overleden.

Naar het oordeel van het hof was er onder deze omstandigheden sprake van een situatie waarin concreet gevaar bestond voor de gezondheid of het leven van [slachtoffer 1], terwijl [slachtoffer 1] in het geheel niet bij machte was zichzelf enige zorg te (doen) verschaffen. Aldus moet worden geconcludeerd dat [slachtoffer 1] zich in een hulpeloze toestand bevond.

Opzettelijk nalaten inschakelen medische hulp

Buiten kijf staat dat de verdachte tussen vrijdag 20 februari 2004 en het overlijden van [slachtoffer 1] niet op enige wijze (adequate) medische hulp heeft ingeroepen. Gelet op de toestand waarin [slachtoffer 1] zich bevond, die vanaf vrijdagavond in ernstige mate verslechterde, bestond daartoe evenwel alle aanleiding. Dit geldt temeer nu [slachtoffer 1] een gezonde, hardwerkende man was die kort voorafgaand aan zijn dood met zoon [nabestaande 4] gedurende vijf dagen aan de echtelijke woning had geklust, waarbij [nabestaande 4] geen bijzonderheden aan [slachtoffer 1] waren opgevallen. De verdachte was als de wettige echtgenote van [slachtoffer 1] wettelijk gezien ook gehouden dergelijke hulp in te schakelen en wel op grond van het bepaalde in artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek.

Dat de verdachte, zoals zij op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, slechts in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer 1] oververmoeid was, wordt door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen geloochenstraft. Daaruit volgt immers dat zij zich wel degelijk bewust is geweest van de ernst van de toestand waarin [slachtoffer 1] is komen te verkeren, met name gelet op het feit dat:

▪ de verdachte heeft ervaren dat [slachtoffer 1] vrijdagavond 20 februari 2004 niet meer uit zijn stoel kon opstaan en niet zelfstandig de trap op kon komen, waarna hij niet meer bij bewustzijn is geweest en niet meer reageerde;

▪ de verdachte de ‘troep’ uit de mond van [slachtoffer 1], onder meer bestaande uit gal en bloed, heeft weggeveegd met een doekje;

▪ de verdachte op de avond of twee avonden vóór het overlijden van [slachtoffer 1] ‘iemand van de kerk’ aan de telefoon heeft gehad, tegen wie zij vertelde dat zij de symptomen van [slachtoffer 1] vanuit haar werk herkende als symptomen van iemand die dood zou gaan;

▪ [nabestaande 1] en de jongste zoon [nabestaande 2] op zaterdagavond 21 februari 2004 naar de jongerenkring van de kerk zijn gegaan, waarbij de verdachte hun had gevraagd in de kerk het verzoek te doen te bidden voor hun vader, omdat het niet goed met hem ging en hij wellicht ging sterven;

▪ de verdachte aan [nabestaande 1] bij diens thuiskomst heeft verteld dat het heel slecht ging met zijn vader en dat [nabestaande 1] met het ergste rekening moest houden;

▪ de verdachte (in ieder geval) ook [nabestaande 2] op enig moment vóór het moment van overlijden heeft verteld dat zij aan [slachtoffer 1] zag dat hij ‘aan het overlijden was’.

Daarbij komt dat de verdachte, die sinds 2002 in het bezit van een MBO-diploma ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ en sinds 1998 werkzaam is geweest in diverse verpleeghuizen, geacht moet worden het onderscheid te kunnen maken tussen ‘doodmoe zijn’ en levensbedreigend ziek.

In deze omstandigheden kan het niet anders zijn, dan dat het nalaten medische hulp in te roepen opzettelijk is geweest. Illustratief in dit verband is dat [getuige 3] de verdachte vóór het overlijden van [slachtoffer 1] heeft geadviseerd een dokter te waarschuwen, welk advies de verdachte in de wind heeft geslagen. Bovendien heeft de verdachte op 23 februari 2004 op de vraag van predikant [getuige 1], of zij niet ongerust was geweest over de toestand van [slachtoffer 1], geantwoord dat zij verzorgende was, dat zij zich er best mee kon redden en dat [slachtoffer 1] toen al stervende was. Op de daaropvolgende vraag waarom zij geen 112 heeft gebeld, antwoordde de verdachte dat zij [slachtoffer 1] niet langer wilde laten lijden.

De dood ten gevolg hebbend

De verdediging heeft het op dit punt gevoerde verweer gegrond op de aanname dat [slachtoffer 1] is overleden aan een acute hartstilstand. Het hof is van oordeel dat de juistheid van deze aanname niet in voldoende mate aannemelijk is geworden. In een brief van de huisarts van [slachtoffer 1], [huisarts 1], van 12 maart 2004 is weliswaar vermeld dat [slachtoffer 1] in de nacht in zijn slaap is overleden, waarschijnlijk aan een accuut hartinfarct, maar daarbij benadrukt de huisarts onmiddellijk dat dit een waarschijnlijkheids–diagnose is die niet nader is onderzocht door middel van obductie. In een brief van diezelfde huisarts van 13 december 2013 is een uitdraai van het electronisch huisartsendossier met betrekking tot [slachtoffer 1] opgenomen, waarin is vermeld: “Doodsoorzaak in feite onbekend. De diagnose is een waarschijnlijkheidsdiagnose”. Uit dat stuk leidt het hof bovendien af dat de huisarts mede tot zijn waarschijnlijkheidsdiagnose zal zijn gekomen, omdat de verdachte hem de onware mededeling heeft gedaan dat drie broers van [slachtoffer 1] te maken hebben gehad met hartinfarcten. Gelet hierop en gezien de uitkomsten van het voormelde forensisch antropologisch en toxicologisch onderzoek moet de conclusie zijn dat niet kan worden vastgesteld wat de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] is geweest, zelfs niet of zijn dood een natuurlijke of niet-natuurlijke oorzaak heeft gehad. Reeds om deze redenen mist het verweer doel.

Zoals hiervoor overwogen hield de verdachte op 20 februari 2004 al rekening met de mogelijkheid dat haar echtgenoot [slachtoffer 1] stervende was en heeft zij het advies om een arts te waarschuwen in de wind geslagen. De verdachte is derhalve op de hoogte geweest van de noodzaak van medisch ingrijpen ten aanzien van [slachtoffer 1] en op haar rustte de plicht te doen wat in haar vermogen lag om ervoor te zorgen dat aan hem tijdig de noodzakelijke medische hulp zou worden verschaft. De aard, ernst en de aanhoudende duur van de symptomen bij [slachtoffer 1] en het verslechterende verloop van zijn toestand waren dusdanig dat het uitblijven van het inroepen van medische hulp geacht moet worden het gevaar dat hij zou komen te overlijden – welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt – in zodanige mate te hebben verhoogd, dat de dood van [slachtoffer 1] redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het nalaten van de verdachte.

Slotoverweging

De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen. Het in zaak A onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit kan worden bewezen op de wijze als na te melden.

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op haar tweede echtgenoot [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), zoals in zaak A onder 5 primair ten laste is gelegd. Zij heeft in dat verband gewezen op het volgende:

▪ De verdachte heeft twee maanden vóór het overlijden van [slachtoffer 2] op valselijke wijze een overlijdensrisicoverzekering op diens leven afgesloten.

▪ De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over de omstandigheden omtrent het overlijden van [slachtoffer 2], die niet worden ondersteund door andere verklaringen.

▪ De verdachte heeft in de twee dagen voorafgaande aan het overlijden van [slachtoffer 2] zoekslagen op internet gemaakt naar onder meer een negatieve wilsverklaring, de werking van verschillende medicijnen, overdosis van medicatie en een grafstuk met zonnebloemen.

▪ De verdachte heeft kort voor het overlijden van [slachtoffer 2] twee e-mails gestuurd aan [getuige 4], waarin zij te kennen gaf dat [slachtoffer 2] ernstig ziek was en niet meer aanspreekbaar was.

▪ De verdachte heeft één dag voor het overlijden van [slachtoffer 2] aan verschillende personen, onder wie collega’s van [bedrijf 2], telefonisch medegedeeld dat haar echtgenoot ernstig ziek was, dat hij niet meer te redden was en spoedig zou overlijden.

▪ De verdachte heeft kort voor het overlijden van [slachtoffer 2] een e-mail gestuurd naar de verzekeraar waarin zij doorgeeft dat zij zijn verhuisd van Dronrijp naar Franeker.

▪ Uit de verklaring van de getuige [getuige 5] blijkt dat zij, evenals de verdachte, in de zomer van 2012 werkzaam was voor mevrouw [naam] en dat er in die periode slaapmiddelen verdwenen waren.

▪ Uit het toxicologisch onderzoek is naar voren gekomen dat zich in het leverweefsel van [slachtoffer 2] sporen van diverse medicamenten bevonden en de apotheker [deskundige 1] heeft als deskundige verklaard dat de combinatie van de aangetroffen stoffen, afhankelijk van de dosis daarvan, tot de dood kunnen leiden.

De advocaat-generaal heeft voorts naar voren gebracht dat [slachtoffer 2] een gezonde man was die nauwelijks medicatie gebruikte, geen hartklachten had en helemaal niet met de dood bezig was.

Genoemde feiten en omstandigheden leiden de advocaat-generaal tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van [slachtoffer 2], ook omdat voor enig ander scenario geen enkele aanwijzing is.

In de optiek van de advocaat-generaal is op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden, mede gelet op de tijdlijn waarin de relevante gebeurtenissen zich hebben voorgedaan, vast komen te staan dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 5 primair tenlastegelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De doodsoorzaak van [slachtoffer 2] staat niet vast en ieder direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij diens dood ontbreekt. De verdediging heeft betoogd dat:

  1. niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] om het leven is gekomen door een dodelijke hoeveelheid medicijnen;

  2. niet worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 2] een dodelijke hoeveelheid medicijnen heeft toegediend;

  3. niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer 2] zelf een dosis medicatie heeft ingenomen. In dat verband is benadrukt dat er aanwijzingen zijn die erop wijzen dat [slachtoffer 2] kampte met lichte depressiviteit en dat in de woning van de verdachte en [slachtoffer 2] ook metterdaad medicijnen aanwezig waren.

Tot slot is gesteld dat het door de rechtbank als belastend uitgelegde internetgedrag van de verdachte niet kan bijdragen aan een bewezenverklaring, onder meer omdat de verdachte hiervoor een uitleg heeft gegeven. De in het dossier geschetste mogelijke motieven voor het om het leven brengen van [slachtoffer 2] zijn onjuist.

Het oordeel van het hof

Inleiding

In de ochtenduren van 22 augustus 2012 is [slachtoffer 2] overleden. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of dit overlijden het gevolg is geweest van opzettelijke levensberoving, al dan niet met voorbedachte raad, door de verdachte.

Toxicologisch onderzoek

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 2] is lichaamsmateriaal veiliggesteld, onder meer leverweefsel. Dit materiaal is vervolgens toxicologisch onderzocht op de aanwezigheid van, onder meer, geneesmiddelen. De toxicoloog [deskundige 2] en apotheker [deskundige 1] hebben onder meer het volgende gerapporteerd:

▪ Het onderzoek heeft de aanwezigheid in het leverweefsel van benzodiazepinen (diazepam, desmethyldiazepam, temazepam, mogelijk oxazepam), opiaten (morfine en codeïne en mogelijk codeïne-6-glucuronide) en paracetamol aangetoond.

▪ Het bewustzijn van [slachtoffer 2] kan door de aangetoonde morfine, codeïne en benzodiazepinen ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed.

▪ Diazepam, temazepam, morfine en codeïne werken allen dempend op het centrale zenuwstelsel. Een combinatie van deze middelen zal onder andere leiden tot een sterkere daling van het bewustzijn en verminderde ademhaling dan afzonderlijk gebruik van deze middelen. Bij een gecombineerd gebruik van deze stoffen zijn lagere doses nodig voor het optreden van toxische effecten, dan bij afzonderlijk gebruik van deze stoffen.

▪ De aangetoonde benzodiazepinen kunnen het dempende effect van opiaten op het centrale zenuwstelsel hebben versterkt.

▪ Diazepam, tempazepam en morfine kunnen normaal alleen verkregen worden op basis van een recept van een arts.

▪ De resultaten van het toxicologisch onderzoek passen beter bij gebruik van diazepam en temazepam dan gebruik van alleen diazepam.

▪ Bij een niet-gewende gebruiker van morfine, codeïne, diazepam en temazepam zullen de effecten bij eenzelfde concentratie sterker optreden dan bij een gewende gebruiker.

De beide deskundigen hebben ter zitting hun bevindingen nader uiteengezet en toegelicht. Ter terechtzitting in eerste aanleg is [deskundige 1] als deskundige gehoord. Daarbij heeft zij onder meer verklaard dat de combinatie van stoffen, die in het leverweefsel van [slachtoffer 2] is aangetroffen, afhankelijk van de dosis kan leiden tot de dood. Datzelfde geldt voor louter morfine. Voorts heeft zij verklaard dat de concentraties van de stoffen ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 2] waarschijnlijk hoger zullen zijn geweest dan de aangetroffen stoffen, omdat de concentraties na overlijden door afbraak afnemen en niet toenemen. Voormelde aangetoonde stoffen zijn geen stoffen die postmortaal worden gevormd. Verder is temazepam een metaboliet van diazepam. Normaliter is de concentratie van temazepam ten opzichte van diazepam vele malen lager. Uit het onderzoek in de onderhavige zaak is gebleken dat de concentraties bijna gelijk waren. Derhalve lijkt het erop dat zowel diazepam als temazepam is gebruikt dan wel ingenomen, aldus [deskundige 1]. In hoger beroep is de toxicoloog [deskundige 2] als deskundige gehoord, waarbij ook hij heeft verklaard dat de aangetroffen stoffen afhankelijk van de dosis kunnen leiden tot de dood, hij voormelde conclusie met betrekking tot de hoogte van de concentraties heeft onderschreven en het waarschijnlijk acht dat temazepam is toegediend of ingenomen.

Nu de conclusies van [deskundige 2] en [deskundige 1] worden gedragen door hun bevindingen, maakt het hof die tot de zijne. Voor het hof staat op grond daarvan buiten redelijke twijfel dat [slachtoffer 2] de stoffen diazepam, temazepam, codeïne, morfine en paracetamol toegediend heeft gekregen dan wel heeft ingenomen.

Vast staat ook dat de verdachte via haar werk in de verpleging toegang had tot medicatie en ook medicijnen, waaronder oxazepam en temazepam, mee naar huis nam.

Laatste contact

Behoudens het contact tussen de verdachte en [slachtoffer 2] heeft [nabestaande 5] als laatste (telefonisch) contact gehad met haar vader en wel op 20 augustus 2012 om 13.37 uur. Daarbij heeft [slachtoffer 2] niets gezegd over zijn gezondheid of er gewag van gemaakt dat hij zich niet goed voelde.

Woonsituatie

De verdachte en [slachtoffer 2] woonden indertijd als enigen in de echtelijke woning.

Mogelijkheid natuurlijk overlijden

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [slachtoffer 2] een goed gezonde man was die erom bekend stond ‘nooit ziek’ te zijn en die niet leed aan enige potentieel levensbedreigende aandoening. Evenmin was aan hem medicatie voorgeschreven.

In het patientendossier van [slachtoffer 2] is ten aanzien van 22 augustus 2012 vermeld:

“Notities anamnese: gisteravond niet lekker en moe. Vanmorgen om 6 uur nog uit bed geweest en honden uitgelaten. Om 7.50 dood op bed. Verhaal van hartinfarct.

Diagnose: natuurlijke dood”. Hieruit leidt het hof af dat de huisarts die [slachtoffer 2] na zijn overlijden zag, [huisarts 2], heeft aangenomen dat laatstgenoemde een natuurlijke dood is gestorven, met als oorzaak een hartstilstand, dit laatste (mede) op grond van de mededelingen van de verdachte dat [slachtoffer 2] kort voor zijn overlijden nog uit bed was geweest.

Later heeft de huisarts tegenover [nabestaande 5] toegelicht dat het hart van een overleden persoon niet meer klopt, zodat sprake is van een hartstilstand en dat ‘het net zo goed iets anders kan zijn geweest’. Hiermee heeft hij, zo begrijpt het hof, willen zeggen dat een andere doodsoorzaak dan een (acute) hartstilstand ook tot de mogelijkheden behoort. Bovendien had de huisarts bij het stellen van deze diagnose, die het hof niet anders kan duiden dan als een waarschijnlijkheidsdiagnose, geen kennis van de aanwezigheid van de later bij onderzoek aangetroffen toxische stoffen.

Uit de sectie op het lichaam is gebleken dat er geen anatomische doodsoorzaak is gevonden. Uit het onderzoek dat daarbij aan het hart is gedaan, zijn geen afwijkingen gevonden op grond waarvan het overlijden verklaard kan worden. Het enkele feit dat er geen anatomische doodsoorzaak vastgesteld kan worden, staat aan een bewezenverklaring overigens niet in de weg.

Er is direct na het overlijden geen obductie verricht, (mede) omdat de verdachte na het overlijden van [slachtoffer 2] een wilsverklaring tevoorschijn heeft gehaald die moest doorgaan voor die van [slachtoffer 2], waarin was vermeld dat hij ‘eiste’ dat er bij zijn onverwacht overlijden geen onderzoek zou worden gedaan naar de doodsoorzaak.

Anders dan de verdediging is het hof in het licht van de voorgaande overwegingen van oordeel dat er geen enkele concrete aanleiding is om aan te nemen dat [slachtoffer 2] door een natuurlijke oorzaak is overleden.

Suïcide

[slachtoffer 2] kampte niet met depressieve klachten, althans niet in een noemenswaardige mate. Van hem waren geen suïcidale neigingen bekend, terwijl uit verklaringen bovendien volgt dat zelfdoding onverenigbaar zou zijn geweest met zijn geloofsovertuiging en ook niet te rijmen met de de liefde die hij had voor zijn kinderen, zijn blijdschap over het aanstaande huwelijk van zijn dochter [nabestaande 6], op welk huwelijk hij als getuige aanwezig zou zijn, en de plannen die hij met zijn brocantewinkel had.

Gelet op evengenoemde omstandigheden is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de mogelijkheid van zelfdoding als oorzaak voor het overlijden van [slachtoffer 2] als buitengewoon onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven.

Tussenconclusie doodsoorzaak [slachtoffer 2]

Gelet op de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek en de verklaringen van de deskundigen ter zitting, in onderling verband en samenhang bezien en in aanmerking genomen dat voor een natuurlijke dood geen concrete aanwijzingen zijn gevonden en suïcide niet als reëel scenario kan worden beschouwd, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer 2] is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicijnen.

Mogelijkheid vrijwillige inname

Het hof acht het zeer onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 2] de in zijn lichaam aangetroffen geneesmiddelen zelf heeft ingenomen of zich deze vrijwillig heeft laten toedienen. Daarbij brengt het hof allereerst in herinnering hetgeen over de mogelijkheid van zelfdoding is overwogen. Daarenboven volgt uit de verklaringen van personen die hem na stonden dat [slachtoffer 2] een uitgesproken aversie tegen het gebruik van medicijnen had en dat hij deze als ‘vergif’ beschouwde.

Internetgedrag

In de twee dagen voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer 2] is op de laptop van de verdachte op het internet gezocht naar: ‘midazolam_diazepam_codeïne’, ‘overdosis diazepam’, novorapid dodelijk’, ‘hoe lang blijft midazolam in je bloed’, ‘teveel novorapid hoe herstel je ervan’, ‘overlijden aan teveel novorapid’, ‘overlijden aan 2 pennen novorapid’, ‘overdosis novorapid’, ‘novorapid dodelijk’, ‘midazolam’ en ‘info medicijn midazolam’. Op de avond vóór het overlijden van [slachtoffer 2] is op die laptop ook op internet gezocht naar een ‘grafstuk met zonnebloemen’. Op de rouwkaart die na het overlijden van [slachtoffer 2] is verzonden is vermeld dat hij van zonnebloemen hield.

Uit de internethistorie blijkt tevens dat is gezocht op “hoe lang werkt temazepam”.

Bij deze zoekslagen is op de laptop gebruik gemaakt van het account ‘[verdachte]’, de roepnaam van de verdachte. [nabestaande 2], die lange tijd bij de verdachte en [slachtoffer 2] had ingewoond, heeft verklaard dat de verdachte degene was die op deze laptop werkte, hij nooit heeft gezien dat [slachtoffer 2] er op werkte en dat diens laptop sneller en beter was. De verdachte en [slachtoffer 2] waren als enigen in de woning aanwezig. Om deze redenen acht het hof onaannemelijk dat [slachtoffer 2] of enig ander dan de verdachte deze zoekslagen heeft gemaakt.

Het hof merkt verder op dat opvalt dat de, mitsdien door de verdachte, gebruikte zoektermen en/of onderwerpen in drie verschillende gevallen, te weten diazepam, temazepam en codeïne, medicijnen betreffen waarvan sporen in het leverweefsel van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen. De door de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gegeven verklaring dat zij bedoelde zoektermen samen met [slachtoffer 2] heeft ingevoerd naar aanleiding van een door hem gevonden artikel ‘uit een blad’ over zelfdoding met medicatie en zijn vraag of de verdachte daarover iets wilde uitzoeken, acht het hof geenszins aannemelijk. Allereerst is voor de juistheid daarvan geen aanwijzing gevonden, terwijl de politie wel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van een artikel met die strekking. De verklaring staat dus geheel op zichzelf. Daar komt bij dat deze verklaring niet valt te rijmen met het gegeven dat op 21 augustus 2012 om 8.13 uur ook is nog gezocht naar ‘midazolam’, terwijl [slachtoffer 2] in het scenario van de verdachte op dat moment niet thuis was. Voorts strookt de tekst ‘hoe lang blijft midazolam in je bloed’ niet met verdachtes verklaring dat zij naar aanleiding van een artikel over zelfdoding op zoek was naar nadere informatie. Dat het zoeken naar ‘codeïne’, zoals de verdachte in het verlengde van haar in eerste aanleg afgelegde verklaring heeft verklaard, verband heeft gehouden met de omstandigheid dat haar latere schoondochter [nabestaande 7] in de beleving van [slachtoffer 2] codeïne gebruikte en [slachtoffer 2] hierover verbolgen was, wordt evenzeer onaannemelijk geacht. Ook hier staat de verklaring van de verdachte op zichzelf, immers [nabestaande 7] heeft verklaard geen codeïne te gebruiken en niet eens te weten waarvoor het middel dient.

Voor door de verdediging meer in het algemeen gedane suggestie dat de verdachte de zoekslagen heeft gemaakt in verband met haar beroep, is evenmin enig aanknopingspunt te vinden.

Ten aanzien van de zoektermen ‘grafstuk met zonnebloemen’ heeft de verdachte verklaard dat zij daarnaar heeft gezocht ten behoeve van (het graf van) haar eerste echtgenoot, [slachtoffer 1]. Het hof acht dit ongeloofwaardig, gelet op de verklaring van de begraafplaatsbeheerder die er in het kort op neer komt dat bedoeld graf zelden of nooit werd bezocht. Daarnaast strookt deze uitleg niet met de tekst op de rouwkaart van [slachtoffer 2], inhoudende dat deze van zonnebloemen hield.

Wilsverklaring

Het hof stelt aan de hand van de bewijsmiddelen verder het volgende vast. De bewoordingen van genoemde wilsverklaring, die de verdachte kort na het overlijden van [slachtoffer 2] heeft getoond, komen goeddeels overeen met de tekst van voorbeelden van wilsverklaringen die te vinden waren op een website die twee dagen voor het overlijden op de laptop van de verdachte, opnieuw onder het account ‘[verdachte]’ is bezocht. Voor het hof staat daarom buiten twijfel dat de verdachte degene is geweest die de - niet ondertekende - wilsverklaring heeft vervaardigd en wel zonder instemming van [slachtoffer 2]. Immers, door diverse personen uit de nabije omgeving van [slachtoffer 2] is verklaard dat hij helemaal niet bezig was met zijn dood, nooit gewag heeft gemaakt van een wilsbeschikking en dat het opstellen van een dergelijk stuk totaal niet bij hem paste. Het hof kan dit niet anders duiden dan dat de verdachte daarmee heeft beoogd een onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 2] na zijn dood te voorkomen.

E-mails

Op 20 augustus 2012 om 21.30 uur heeft de verdachte een e-mail verzonden aan een kennis van haar, [getuige 4]. Daarin heeft zij beschreven dat [slachtoffer 2] ziek is en heel diep in slaap is. Op dinsdag 21 augustus 2012 om 17:37 uur heeft zij opnieuw een e-mailbericht aan voornoemde [getuige 4] gezonden, waarin zij uiteen heeft gezet dat [slachtoffer 2] voor onderzoek naar het ziekenhuis is geweest, dat het geen hersenbloeding is, dat ze in het ziekenhuis verder niets voor hem konden doen en dat het er ernstig uit ziet en bijna traumatisch is om mee te maken. Voorts heeft zij beschreven dat hij diep in slaap is, niet aanspreekbaar en nog steeds klam en koud.

Adreswijziging overlijdensriscoverzekering

De verdachte heeft op 26 juni 2012 buiten zijn medeweten een overlijdensrisicoverzekering aangevraagd op het leven van [slachtoffer 2] en daartoe zijn handtekening vervalst. Op het aanvraagformulier heeft zij het adres van haar jongste zoon opgegeven als woonadres van haar en [slachtoffer 2], om – zo heeft zij ter zitting erkend – te voorkomen dat [slachtoffer 2] er via post van de verzekeringsmaatschappij achter zou komen dat de verdachte een verzekering op zijn leven had afgesloten. Zij had voor een looptijd van vijf jaren en een verzekerd bedrag van € 250.000,- gekozen omdat [slachtoffer 2] dan niet medisch gekeurd behoefde te worden en evenmin op die manier achter het bestaan van de verzekering zou komen.

Op 20 augustus 2012 om 21.33 uur heeft zij een e-mail verzonden aan [E-mail adres] en daarin vermeld dat zij ‘verhuisd zijn’ en verzocht het adres in de administratie aan te passen in de [adres 2], het werkelijke adres van de verdachte en [slachtoffer 2].

Daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte er op 20 augustus 2012 om 21.33 uur – drie minuten nadat zij haar kennis [getuige 4] had laten weten dat [slachtoffer 2] ziek was en diep in slaap – kennelijk van uit ging dat eventuele post [slachtoffer 2] niet meer onder ogen zou komen. Aan de stelling van de verdachte dat zij meende dat er na de adreswijziging geen post meer zou komen omdat de verzekering al een aantal maanden liep, zoals zij ter zitting heeft verklaard, gaat het hof voorbij nu het deze ongeloofwaardig acht.

Afzeggen dienst

De verdachte verleende destijds zorg aan de hoogbejaarde mevrouw [naam] uit Jistrum (hierna: [naam]) door tussenkomst van de zorginstelling [bedrijf 2]. De andere feitelijke verzorgers van [naam] tijdens deze 24-uurs zorgverlening waren onder meer [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8]. Op 21 augustus 2012 was de verdachte vanaf 11.00 uur ingepland om bij [naam] een dienst te doen. Om 7.40 uur heeft de verdachte telefonisch contact opgenomen met [getuige 6] en heeft zij haar verteld dat haar echtgenoot in het ziekenhuis had gelegen, dat men daar niets meer voor hem kon doen en dat zij hem mee naar huis nam opdat hij daar kon overlijden.

De verdachte heeft vervolgens omstreeks 7.50 uur gebeld met [getuige 7] en haar gezegd dat haar echtgenoot volgens de doktoren ‘niet meer te redden was’. De verdachte heeft zich die ochtend omstreeks 8.30 uur bij [getuige 9] (hierna: [getuige 9]), destijds werkzaam bij [bedrijf 2], telefonisch afgemeld voor de dienst waarop zij was ingepland met de mededeling dat haar echtgenoot ziek was en zij naar het ziekenhuis moest. De verdachte heeft die dag ook nog telefonisch contact gehad met [getuige 8], aan wie zij heeft verteld dat haar echtgenoot opeens erg ziek was geworden, dat hij nu al twee dagen ziek was en dat zij met hem naar het ziekenhuis was geweest, maar men niets had kunnen vinden en dat het nu toch wel erg slecht met haar man ging.

De verdachte heeft die dag ook twee keer gebeld met [getuige 10], de dochter van [naam]. In het eerste gesprek deelde de verdachte haar mede dat zij op de gang van de intensive care stond, dat zij te horen had gekregen dat haar echtgenoot ernstig ziek was, dat zijn functies langzaamaan uitvielen en dat de verwachting was dat hij binnen afzienbare tijd zou overlijden. In de avond heeft zij [getuige 10] verteld dat men in het ziekenhuis niets meer voor haar echtgenoot kon betekenen, dat hij met een ambulance naar huis was gebracht, dat hij niet meer lang te leven had en dat hij te kennen had gegeven thuis te willen sterven.

Vast staat [slachtoffer 2] in de periode van 20 augustus 2012 tot en met het moment van zijn overlijden geen bezoek heeft gebracht aan of is opgenomen in een ziekenhuis of op andere wijze hulp heeft gehad van een arts.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij de mededelingen aan deze personen verzonnen heeft, omdat zij haar dienst wilde afzeggen. Als reden hiervoor heeft zij opgegeven dat [slachtoffer 2] in de nacht van 20 augustus 2012 op 21 augustus 2012 niet thuis was gekomen en zij hem op wilde wachten, omdat zij met hem iets belangrijks te bespreken had. Op de vraag van het hof wat zij met haar echtgenoot moest bespreken, is de verdachte het antwoord schuldig gebleven. In de ter zitting gepresenteerde lezing hield de verdachte op 21 augustus 2012 nog geen rekening met de mogelijkheid dat [slachtoffer 2] binnen korte tijd het leven zou laten.

Het hof bestempelt de ter zitting gegeven lezing van de verdachte als volstrekt ongeloofwaardig. Het hof vermag niet in te zien waarom de verdachte voor het afzeggen van een dienst dergelijke vergaande leugens heeft verzonnen. Deze leugens had zij, indien zij in haar verklaring zou worden gevolgd, later immers weer terug moeten draaien, zodra zou blijken dat haar echtgenoot nog springlevend was. De omstandigheid dat de verdachte niet eens kan verklaren waarover zij haar echtgenoot moest spreken, spreekt boekdelen. Bovendien blijkt uit de verklaring van [getuige 9] dat zij de verdachte na het telefonische contact van omstreeks 8.30 uur uit de planning had gehaald en voor vervanging had gezorgd. Voor verdachte bestond derhalve geen reden meer om [getuige 8] te bellen, althans niet voor het afzeggen van de dienst.

Het hof is van oordeel dat uit de inhoud van genoemde telefoongesprekken veeleer kan worden afgeleid dat de verdachte op 21 augustus 2012 al kennis droeg van het naderende overlijden van [slachtoffer 2]. Het scenario dat het overlijden van [slachtoffer 2] kort nadat de verdachte aan voornoemde personen had medegedeeld dat hij zou komen te overlijden berust op een toevalligheid, wordt, in onderling verband en samenhang bezien met de overige belastende feiten en omstandigheden, als een theoretische mogelijkheid ter zijde geschoven. Datzelfde geldt voor de e-mails aan [getuige 4], die volgens de verdachte eveneens verzinsels zouden betreffen en door haar zijn bestempeld als een kreet om aandacht. Om dezelfe reden stelt het hof ook die bewering als ongeloofwaardig terzijde.

Eindconclusie omtrent doodsoorzaak [slachtoffer 2]

Concluderend en resumerend is het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – en dan met name gelet op de navolgende omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] genoemde medicijnen heeft toegediend of onvrijwillig heeft doen innemen. Daarbij is ook betrokken dat er geen enkel (tastbaar) aanknopingspunt is om te kunnen denken dat iemand anders dan de verdachte hiervoor verantwoordelijk zou zijn.

Deze omstandigheden zijn dat:

▪ buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer 2] op 22 augustus 2012 is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicijnen,

▪ zeer onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer 2] de in zijn lichaam aangetroffen medicijnen zelf heeft ingenomen of zich deze vrijwillig heeft laten toedienen,

▪ buiten de verdachte niemand contact met [slachtoffer 2] heeft gehad na 20 augustus 2012 te 13.37 uur en slechts de verdachte en [slachtoffer 2] in de echtelijke woning woonden,

▪ de verdachte op 20 en 21 augustus 2012 op internet heeft gespeurd aan de hand van zoektermen en onderwerpen die in drie verschillende gevallen medicijnen betreffen waarvan sporen in het leverweefsel van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen,

▪ de verdachte de avond voor het overlijden van [slachtoffer 2] op internet heeft gezocht naar een grafstuk met zonnebloemen,

▪ de verdachte op 20 en 21 augustus 2012 e-mails heeft verzonden aan een kennis van haar, [getuige 4], waarin zij heeft vermeld dat [slachtoffer 2] ziek was en dat het er ernstig uitzag, waaruit moet worden afgeleid dat zij op dat moment al op de hoogte was van het naderende levenseinde van [slachtoffer 2],

▪ de verdachte, die op 26 juni 2012 valselijk en buiten zijn medeweten een overlijdensrisicoverzekering had afgesloten op het leven van [slachtoffer 2], op 20 augustus 2012 om 21.33 uur een e-mail heeft verzonden naar de tussenpersoon van de verzekeraar om een adreswijziging (te weten: in het juiste, eigenlijke adres in plaats van het eerder valselijk opgegeven adres) door te geven;

▪ de verdachte zonder instemming van [slachtoffer 2] een wilsverklaring heeft opgemaakt die moest doorgaan voor de zijne, waartoe zij klaarblijkelijk op 20 augustus 2012 een website met voorbeeldteksten voor dergelijke wilsverklaringen heeft bezocht en

▪ de verdachte op 21 augustus 2012 tegenover [getuige 10] en haar aan [bedrijf 2] verbonden collega’s uitlatingen heeft gedaan waaruit moet worden afgeleid dat zij op dat moment al op de hoogte was van het naderende levenseinde van [slachtoffer 2].

Voorbedachte raad
Het hof ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof overweegt eerst in algemene zin dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door haar genomen besluit en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, dat sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering.

Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende een langere periode heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Daarbij wijst het hof er in het bijzonder op dat [nabestaande 5] op 20 augustus 2012 omstreeks 13.37 uur het laatste levensteken van [slachtoffer 2] heeft ontvangen. De verdachte heeft die dag vanaf 14.58 uur op internet gezocht op voorbeelden van wilsbeschikkingen. Vanaf 18.27 uur heeft zij diverse malen op internet gespeurd naar informatie over medicijnen, in het bijzonder over de aard en de (dodelijke) werking ervan. Zij heeft die avond om 21.33 uur een e-mail met een adreswjziging in het juiste adres verzonden aan de tussenpersoon van de verzekeraar bij wie zij valselijk een overlijdensrisicoverzekering had afgesloten op het leven van [slachtoffer 2]. Ook op 21 augustus 2012 heeft de verdachte op internet op verschillende momenten naar (de werking van) die medicijnen gezocht en heeft zij even na 13.00 uur die dag gekeken naar grafstukken met zonnebloemen. Verder heeft zij, als gezegd, op 21 augustus 2012 tegenover verschillende personen uitlatingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij op die momenten al op de hoogte was van het nadere levenseinde van [slachtoffer 2]. Op 22 augustus 2012 is [slachtoffer 2] komen te overlijden.

Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte het er op enigerlei wijze toe heeft moeten leiden dat zij over de benodigde hoeveelheid medicijnen kwam te beschikken. Contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn gesteld noch gebleken.


Gelet op dit alles heeft de verdachte tevoren het besluit genomen om [slachtoffer 2] van het leven te beroven en heeft zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan ruimschoots gelegenheid gehad over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Zij is klaarblijkelijk planmatig en berekenend te werk gegaan waarbij zij aandacht heeft besteed aan diverse aspecten ten behoeve van en rondom het overlijden van [slachtoffer 2] (gelet op onder meer de zoekslag naar medicijnen, de wilsverklaring die ertoe strekte onderzoek aan het lichaam te voorkomen en de adreswijziging ten behoeve van de overlijdensrisicoverzekering). Het hof acht daarom bewezen dat zij met voorbedachte raad heeft gehandeld.


Slotoverweging
De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen. Het hof acht de in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen op de wijze als na te melden.

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting in de woning aan de [adres 1] te Sambeek. De advocaat-generaal heeft zich daarbij - kort en zakelijk weergegeven - gebaseerd op de getuigenverklaringen van [getuige 11] (hierna: [getuige 11]) en [getuige 12] (hierna: [getuige 12]), de bevindingen omtrent de aankoop van flessen terpentine, alsmede de verklaring van de verdachte waaruit blijkt dat zij kort voor de brand in de woning is geweest. De advocaat-generaal heeft er verder op gewezen dat de verdachte omtrent de brandstichting zeer wisselende verklaringen heeft afgelegd. Alternatieve scenario’s zijn in de optiek van de advocaat-generaal niet aannemelijk geworden.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde brandstichting bij gebrek aan overtuigend bewijs. De verdediging heeft daartoe – kort en zakelijk – aangevoerd dat op grond van de bevindingen in het dossier de mogelijkheid open blijft dat een ander dan de verdachte de brand heeft gesticht. Daarbij is de verdediging er vanuit gegaan dat de verdachte om 11.00 uur al weer in haar auto op weg was van de woning aan de [adres 1] naar haar eigen huis en dat de brand tussen 11.10 en 11.12 uur is gesticht. Die mogelijkheid is aannemelijk, niet-ongeloofwaardig en niet in grote mate onwaarschijnlijk, aldus de verdediging.

Het oordeel van het hof
Aan de hand van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen komt het hof tot de volgende vaststelling van feiten, overwegingen en gevolgtrekkingen.

De verdachte heeft in oktober 2012 een relatie gekregen met [slachtoffer 3] (hierna te noemen: [slachtoffer 3]), wonende aan de [adres 1] te Sambeek. Om die reden is zij op 2 april 2013 vanuit Franeker naar de [adres 3] verhuisd. De verdachte verbleef feitelijk echter veelal in de woning van [slachtoffer 3]. Op 5 juni 2013 is er brand in de woning van [slachtoffer 3] gesticht, waarna de woning nagenoeg is uitgebrand.

De vraag die voorligt of de verdachte op strafbare wijze bij de brandstichting betrokken is.

De verdachte heeft op 5 juni 2013 om 10.18 uur bij bouwmarkt Gamma te Boxmeer vier flessen terpentine van ieder 1 liter gekocht. Rond 10.38 uur heeft zij bij haar woning in Vortum-Mullem gesproken met [getuige 11]. Na dit gesprek is zij in haar zwarte Peugeot 208 naar het huis aan de [adres 1] in Sambeek gereden. Daar heeft zij de rolluiken naar boven gedaan om naar binnen te kunnen en na het verlaten van de woning heeft zij de rolluiken weer dichtgedaan. De reistijd van Vortum Mullem naar Sambeek bedraagt ongeveer zes minuten. Getuige [getuige 13] heeft om 10.30 à 10.45 uur waargenomen dat de rolluiken van de woning aan de [adres 1] open waren.

Om 11.14 uur hebben de hulpdiensten de melding gekregen van de woningbrand. Kort daarvoor had de melder, [getuige 14], wonende aan de [adres 4] in Sambeek, uit de dakkapel van de woning aan de [adres 1] een zwarte rookpluim zien komen. Hij is daarop meteen naar binnen gelopen om 112 te bellen. Zijn vrouw, de eerdergenoemde [getuige 12], was kort voor de melding boven in haar woning en heeft toen door een raam naar buiten gekeken. Zij zag toen een klein model Peugeot, zwart van kleur, wegrijden bij de woning aan de [adres 1], met daarin een bestuurder waarvan zij de ontblote arm kon zien. De auto reed in de richting van het centrum van Sambeek. [getuige 12] is daarna bij haar man in de tuin gaan zitten. Vervolgens zag zij rook en vuur komen uit het raam op de eerste verdieping van de woning aan de [adres 1]. Tussen het moment waarop zij de Peugeot zag wegrijden en het moment waarop zij de brand bemerkt, is zeer weinig tijd verstreken. De brandweer was om 11.22 uur ter plaatse.
Bij het sporenonderzoek in de woning van [slachtoffer 3] aan de [adres 1] zijn op een vijftal plaatsen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen. Daarvan zijn op de boven- en benedenverdieping in totaal vijf monsters genomen, die voor nader onderzoek zijn overgebracht naar het NFI. Het NFI heeft gerapporteerd dat in alle vijf monsters vluchtige stoffen zijn aangetoond die van een aardoliedestillaat afkomstig zijn. De aangetoonde combinatie van stoffen wijst op een ‘product van subklasse terpentine’. Verder is gebleken dat er in de woning verscheidene afzonderlijke brandhaarden zijn geweest.

Op het aanrecht in de keuken van de woning is een aangebroken fles met opschrift ‘Gamma terpentine’ aangetroffen. In de kofferbak van de zwarte Peugeot van de verdachte, die op 5 juni 2013 om 13.21 uur in beslag is genomen, is een vuilniszak gevonden, met daarin onder meer een plastic tas van bouwmarkt Gamma, twee lege flessen en één volle fles met het opschrift ‘Gamma terpentine’. Verder staat vast dat de verdachte die ochtend mouwloze bovenkleding heeft gedragen en dat zij in het bezit is van een zwarte Peugeot 208, waarmee zij die ochtend ook naar de woning aan de [adres 1] is gereden.

De verdachte heeft hier op de terechtzitting in hoger beroep tegenover gesteld dat zij de brand niet heeft gesticht, maar dat zij die ochtend na het gesprek met [getuige 11] naar de woning van [slachtoffer 3] is gegaan, een vuilniszak heeft gehaald en een deel van de zojuist gekochte terpentine heeft overgegoten in een grotere flacon. De terpentine had zij nodig, omdat zij aan het schilderen was in haar eigen huis en in dat van [slachtoffer 3]. Daarna is zij weer vertrokken naar haar eigen huis, maar reed daarbij niet weg in de door [getuige 12] beschreven richting, maar in de richting van Boxmeer. Zij heeft in de auto op de radio het nieuwsbulletin van 11.00 uur gehoord, aldus de verdachte.

Het hof acht deze lezing niet geloofwaardig. Allereerst wordt aan die geloofwaardigheid afbreuk gedaan doordat de verdachte op 7 juni 2013 tegenover de rechter-commissaris een op cruciale punten afwijkende verklaring heeft afgelegd. Zo heeft zij toen verklaard dat zij na 8.45 uur niet meer terug is geweest in de woning aan de [adres 1] en heeft zij als verklaring voor de in de auto aangetroffen terpentine gegeven dat zij ‘afgelopen vrijdag’ (het hof begrijpt dat zij hier 31 mei 2013 bedoelt) verf had meegenomen naar de woning van [slachtoffer 3], dat daarbij een blik verf was omgevallen en dat zij dat met terpentine had schoongemaakt. Daarbij komt dat zij op de terechtzitting geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de omslachtigheid van de aankoop van vier kleinere flacons terpentine en het overgieten daarvan in één grote flacon en evenmin voor de noodzaak om juist op de ochtend van 5 juni 2013 tot die aankoop over te gaan, terwijl zij eerder die ochtend door haar huisarts drains uit haar borsten had laten verwijderen, hetgeen met het nodige bloedverlies gepaard was gegaan. Tot slot is gebleken dat de route die de verdachte bij haar vertrek uit de woning zegt te hebben gereden impliceert dat zij zonder enige noodzaak een omweg van ruim 1 kilometer zou hebben gemaakt, hetgeen weinig aannemelijk voorkomt.

Alternatieve scenario’s zijn naar het oordeel van het hof evenmin aannemelijk geworden. Uit het vooronderzoek is namelijk gebleken dat [slachtoffer 3] en zijn ex-partner, die allebei nog eigenaar van de woning aan de [adres 1] waren, sluitende alibi’s hebben voor de tijdspanne waarin de brand is gesticht. Ook voor de betrokkenheid van andere personen dan de twee evengenoemden biedt het dossier geen aanknopingpunten en evenmin voor de niet-onderbouwde suggestie van de verdediging dat een onbekende derde tegen betaling in opdracht van [slachtoffer 3] het huis in brand kan hebben gestoken.

Bij deze stand van zaken acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting, met gemeen gevaar voor goederen tot gevolg. Nu daarmee ook de verklaring van de verdachte dat zij in haar auto het nieuwsbulletin van 11.00 uur heeft gehoord wordt gelogenstraft, worden alle tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A:
1. meer subsidiair.
zij in de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 februari 2004 te Enkhuizen, opzettelijk [slachtoffer 1], zijnde verdachtes echtgenoot, tot wiens onderhoud en verzorging verdachte krachtens wet verplicht was, die [slachtoffer 1] in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft verdachte in voornoemde periode toen

- die [slachtoffer 1] niet uit een stoel kon opstaan en vervolgens door een van zijn zoons en verdachte naar bed was gebracht en daarna

- die [slachtoffer 1] zwaar lag te ademen en te rochelen en

- die [slachtoffer 1] moest braken en ernstig heeft gebraakt (onder meer bloed) en

- die [slachtoffer 1] niet meer aanspreekbaar was en in bewusteloze toestand verkeerde,

niet een huisarts of een (medewerk(st)er van een) arts van een ziekenhuis/Spoedeisende Hulp geconsulteerd en/of gealarmeerd en/of ingeschakeld en/of doen of laten alarmeren en/of inschakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer 1]

en zodoende die [slachtoffer 1] de nodige medische zorg onthouden, zulks terwijl vorenstaand nalaten van verdachte de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.
zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 juli 2012 te Franeker een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en een "Niet-rokersverklaring" en een "Aanvullend vragenformulier" - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk

- op die formulieren/verklaring een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en een andere plaats van ondertekening vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en de werkelijke plaats van ondertekening en

- die formulieren/verklaring ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 2],

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 juli 2012 te Franeker en/of elders in Nederland telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die geschriften, te weten een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en een "Niet-rokersverklaring" en een "Aanvullend vragenformulier" heeft ingediend bij [bedrijf 1] ten behoeve van een overlijdensrisicoverzekering en bestaande die valsheid hierin dat

- die formulieren/verklaring met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering waren ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2] en (daarbij)

- op die formulieren/verklaring een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van de verzekerde en een andere plaats van ondertekening stond vermeld, dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van de verzekerde en de werkelijke plaats van ondertekening;

4.

zij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2012 te Franeker en/of elders in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen [bedrijf 1] heeft bewogen tot het aangaan van een overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst en de afgifte van verzekeringsgeld, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk ten behoeve van het verkrijgen en later uitkeren van een overlijdensrisicoverzekering

- een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering en een "Niet-rokersverklaring" en een "Aanvullend vragenformulier" ondertekend met een handtekening die door moest gaan voor de handtekening van [slachtoffer 2] en

- op die formulieren/verklaring met betrekking tot die overlijdensrisicoverzekering een andere woonplaats en/of een ander adres en/of een ander telefoonnummer en/of een ander e-mailadres van [slachtoffer 2] en een andere plaats van ondertekening vermeld dan de werkelijke woonplaats en/of het werkelijke adres en/of het werkelijke telefoonnummer en/of het werkelijke e-mailadres van [slachtoffer 2] en de werkelijke plaats van ondertekening en vervolgens

- die formulieren/verklaring ingediend bij [bedrijf 1] en

- op 21 augustus 2012 een adreswijziging aan [bedrijf 1] doorgegeven met betrekking tot de woonplaats van [slachtoffer 2] en

- ten behoeve van de uitkering van die overlijdenrisicoverzekering bij [bedrijf 1] schriftelijk via het "Formulier ter verkrijging van uitkering (B)" melding gemaakt van het overlijden van die [slachtoffer 2] op 22 augustus 2012 en

- aldus zich gepresenteerd als [slachtoffer 2], waardoor [bedrijf 1] werd bewogen tot het aangaan van die schuld en vervolgens na het overlijden van die [slachtoffer 2] tot uitkering van verzekeringsgeld (250.000 euro) op 26 oktober 2012 op grond van eerdergenoemde, valselijk tot stand gekomen overlijdensrisicoverzekeringsovereenkomst;

5. primair.

zij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012 te Franeker opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2], te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte in voornoemde periode met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 2] één of meer hoeveelheden toxische stoffen, te weten Diazepam en Temazepam en Morfine en Codeïne en Paracetamol toegediend en/of doen innemen en/of anderszins handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van die [slachtoffer 2], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

zaak B
zij op 5 juni 2013 te Sambeek opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk op meer plaatsen in die woning terpentine op/over meerdere zich in die woning bevindende (brandbare) goederen gegoten/gesprenkeld en vervolgens op die plaatsen in die woning

- die terpentine en

- die met terpentine, overgoten/besprenkelde (brandbare) goederen, in brand gestoken,

ten gevolge waarvan die zich in die woning bevindende goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van die woning en die woning te duchten was.

Hetgeen in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in hulpeloze toestand laten, terwijl het de dood ten gevolge heeft.

Het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op:

oplichting.

Het in zaak A onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Noord-Nederland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en het in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 subsidiair, 2, 3 4 en 5 primair en het in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft het hof verzocht af te zien van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Daartoe is aangevoerd dat weliswaar een persoonlijkheidsstoornis bij de verdachte is vastgesteld, maar er geen uitspraak kan worden gedaan over een eventueel verband tussen die stoornis en de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. Verder wordt betwist, zo begrijpt het hof de stellingen van de verdediging, dat wordt voldaan aan het gevaarscriterium. De verdediging heeft geen expliciet standpunt ingenomen over het opleggen van een straf.

Het oordeel van het hof

Strafoplegging

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, alsook haar draagkracht, dit laatste in verband met na te melden beslissing omtrent het beslag. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

In 2004 heeft de verdachte haar eerste echtgenoot [slachtoffer 1] opzettelijk in hulpeloze toestand gelaten, ten gevolge waarvan hij - op vijfenveertigjarige leeftijd - is overleden. Terwijl de lichamelijke toestand van haar man zienderogen achteruit ging, heeft zij, in de wetenschap dat hij zou sterven, nagelaten medische hulp in te schakelen, terwijl de omstandigheden daartoe dringend noopten en zij dat aan haar echtgenoot ook verplicht was. In die zin kan de dood van haar echtgenoot de verdachte dan ook worden toegerekend, waardoor zij in zoverre ook verantwoordelijk is voor het grote verdriet dat diens dood zijn nabestaanden, waaronder de kinderen die hij samen met de verdachte had, heeft berokkend. Aldus heeft zij zich schuldig gemaakt aan een misdrijf van zeer serieus te nemen ernst, hetgeen tot uitdrukking komt in de strafbedreiging van een gevangenisstraf van negen jaren.

De verdachte heeft zich in 2012 schuldig gemaakt aan de moord op haar tweede echtgenoot [slachtoffer 2]. Daarbij heeft zij hem een combinatie van medicijnen toegediend en/of andere handelingen verricht die schadelijk waren voor zijn gezondheid, ten gevolge waarvan hij het leven heeft moeten laten. Daarbij is de verdachte uiterst geraffineerd en planmatig te werk gegaan. Zij heeft deze echtgenoot het meest fundamentele recht van een mens, het recht op leven, ontnomen. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. De nabestaanden van [slachtoffer 2], zijn moeder, zijn dochters en broers in het bijzonder, is onnoemelijk veel en onherstelbaar leed aangedaan. Zij moeten leren leven met de wetenschap dat de verdachte hun geliefde moedwillig het leven heeft benomen. Bij dit alles komt nog dat de verdachte zich bij haar handelen kennelijk (mede) heeft laten leiden door haar zucht naar financieel gewin. Kort voor het overlijden van haar echtgenoot heeft zij immers buiten zijn medeweten een levensverzekering op zijn naam afgesloten met behulp van valselijk opgemaakte documenten die moesten doorgaan voor stukken die door haar echtgenoot waren ingevuld en ondertekend. Na zijn overlijden is de verzekeringsmaatschappij overgegaan tot uitkering van de verzekeringspenningen ten bedrage van € 250.000; de verdachte heeft zich dus ook nog schuldig gemaakt aan oplichting van de verzekeraar, met alle financiële gevolgen voor die instelling van dien.

Tot slot heeft de verdachte zich in 2013 schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning van haar nieuwe partner. De woning en de zich daarin bevindende inboedel is daarbij goeddeels verloren gegaan. Dit heeft voor haar partner grote materiële en financiële consequenties gehad, maar tevens kan worden aangenomen dat hij hiervan nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden, ook omdat de verdachte het in haar door hem gestelde vertrouwen in een uitzonderlijke mate heeft beschaamd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en op de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt.

Het hof heeft er acht op geslagen dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 mei 2016, niet eerder is veroordeeld, hoewel uit dit uittreksel wel blijkt dat zij een transactie heeft aanvaard ten aanzien van door haar gepleegde verduistering in dienstbetrekking dan wel diefstal.

Ten aanzien van de vordering tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging

Juridisch kader

Een verdachte bij wie, tijdens het begaan van een feit, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º, Sr én de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. Daarbij kan worden bevolen dat die verdachte van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen zulks vereist.

De maatregel van terbeschikkingstelling ziet enerzijds op maatschappelijke beveiliging en anderzijds op re-integratie van de ter beschikking gestelde door middel van behandeling en/of verpleging. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en het bevel tot dwangverpleging in het onderhavige geval mogelijk en aangewezen is. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Persoon van de verdachte

Omtrent de persoon van de verdachte is op 19 augustus 2014 gerapporteerd door psychiater [deskundige 3] en psycholoog [deskundige 4], beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). De verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van dit rapport.

Op 8 september 2015 heeft het hof bevolen dat de gedragsdeskundigen [deskundige 3] en [deskundige 4] een actualiserend rapport omtrent de persoon van de verdachte zouden opstellen. De verdachte heeft aan deze nadere rapportage om haar moverende redenen niet willen meewerken, zo blijkt uit een brief van deze deskundigen van 17 december 2015 en het verhandelde op de terechtzitting in hoger beroep op 30 mei 2016. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 37a, derde lid, jo. artikel 37, tweede en derde lid, Sv, zal het hof bij zijn beslissing omtrent het opleggen van de maatregel letten op hetgeen in het rapport van 19 augustus 2014 is vervat.

In het PBC-rapport van 19 augustus 2014 is opgenomen dat tijdens het onderzoek een goed algemeen beeld is verkregen van het functioneren van de verdachte op relevante terreinen, maar er is ook een aantal hiaten gebleven in de (controleerbare) informatie over persoonlijkheidsaspecten en de levensloop, waardoor het zicht op onder meer de vroegkinderlijke ontwikkeling en het aangaan van eerste vriendschappelijke en intieme relaties niet geheel helder is geworden. Niettemin is – onder (veel) meer – het volgende gerapporteerd.

De verdachte, een gemiddeld intelligente vrouw die te maken heeft gehad met emotionele en pedagogische verwaarlozing in de vroege jeugd, is behept met een (ernstige) persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, afhankelijke en vermijdende trekken. Deze stoornis was bij de verdachte aanwezig ten tijde van het plegen van (alle) ten laste gelegde feiten.

De verdachte komt, meer bepaald, uit het onderzoek naar voren als een vrouw met weinig eigen autonomie die steeds een ander (ouder, partner, autoriteit van de kerk) nodig heeft om haar identiteit vorm te geven. Deze identiteitszwakte hangt samen met haar zwak geïntegreerde (onrijpe) persoonlijkheidstructuur. Gezien de ernst en duurzaamheid van de afwijkende innerlijke ervaringen en gedragspatronen die bestaan vanaf haar adolescentie wordt er voldaan aan de criteria voor de genoemde stoornis. Door haar lage zelfwaardering en de neiging om zich te onderwerpen aan anderen, is zij relationeel kwetsbaar, omdat zij te weinig eigen is en zich aanpast aan anderen ten koste van zichzelf. Binnen een relatie met een partner die de regie heeft kan zij zich niet lang staande houden, zonder het verlies van haar autonomie. Vanuit de vroege affectieve tekorten en het actuele gevoel van tekortkoming claimt zij haar recht op verzorging. Als haar partner niet aan haar verwachtingen blijkt te kunnen voldoen, raakt zij gekwetst en teleurgesteld. Zij vindt het echter moeilijk om uit een disfunctionele relatie te stappen uit angst om alleen te zijn, althans omdat zij de ander ook echt nodig heeft om zichzelf vorm te kunnen geven.

Vanuit haar (zeer) zwakke persoonlijkheidsstructuur verdraagt zij onlust en spanning slecht en probeert zij door primitieve afweer (loochening, ontkenning en externalisering) en fragmentatie te overleven, waarbij verschillende werelden en waarheden naast elkaar bestaan die niet geïntegreerd kunnen worden, omdat dit te bedreigend is en waarschijnlijk leidt tot desintegratie of mogelijk zelfs psychose. Er kan bij haar mitsdien worden gesproken van dissociatieve fenomenen. Zij maakt als primitieve afweer ook veelvuldig gebruik van leugens en wel in die mate dat sprake is van pathologisch liegen c.q. pseudologica fantastica. Verder heeft zij een sterke aandachtsbehoefte. Zij wil graag aardig gevonden worden en zet de realiteit gemakkelijk naar haar hand om als het ware te overleven op dat moment en desintegratie te voorkomen. Daardoor heeft haar geweten vaak onvoldoende grip op haar gedrag. Zij weet bijvoorbeeld dat stelen niet mag, maar ziet het op dat moment als een middel om aan een andere situatie te ontsnappen en dus als een gerechtvaardigd middel. In haar adolescentie is haar gewetensfunctie onvoldoende geïnternaliseerd. Zij onttrok zich vanaf haar vijftiende en zestiende levensjaar steeds meer aan het toezicht van haar ouders en vertoonde disfunctioneel gedrag (liegen, stiekem dingen doen, stelen), hetgeen persisteert gedurende de daaropvolgende jaren. Haar gewetensfunctie is vanaf de volwassen leeftijd dan ook lacunair te noemen.

Oordeel hof

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog omtrent het bestaan van genoemde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten worden gedragen door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Dat haar gewetensfunctie lacunair is vindt voorts bevestiging in het feit dat verdachte heeft erkend zich in 2010 en 2011 schuldig te hebben gemaakt aan de toeeïgening van geld en medicijnen van patiënten die zij onder haar hoede had, ten aanzien waarvan zij de reeds genoemde transactie heeft voldaan.

Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat de gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat zij tijdens hun onderzoek onvoldoende zicht hebben gekregen op de eventuele beweegredenen, gevoelens en gedragingen van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten om een uitspraak te kunnen doen over een eventueel verband tussen de gediagnostiseerde stoornis en de haar ten laste gelegde feiten, indien bewezen, en evenmin over de mate waarin die stoornis in haar handelen dan heeft doorgewerkt. Er zijn volgens de deskundigen daarom veel delictscenario’s mogelijk, die elk kunnen variëren in de mate waarin de geconstateerde persoonlijkheidspathologie een rol heeft gespeeld. Zo kan er bij de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten sprake zijn geweest van een meer financieel opportunistisch motief of juist van een sterke ongezonde relatiedynamiek, waar zij geen uitweg meer voor zag. Om die redenen is het de deskundigen ook niet mogelijk gebleken de recidivekans te bepalen en te adviseren over de eventuele (behandel)maatregelen om die kans te reduceren.

Aangezien de persoonlijkheidspathologie van de verdachte door de betrokken deskundigen als ernstig wordt betiteld en deze ten tijde van alle bewezenverklaarde feiten bestond, gaat het hof ervan uit dat deze persoonlijksheidspathologie bij de totstandkoming van met name de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 5 primair en in zaak B bewezen verklaarde feiten een rol heeft gespeeld. Meer specifiek acht het hof aannemelijk dat de verdachte, ongeacht haar drijfveren, heeft kunnen overgaan tot het plegen van genoemde uitermate ernstige feiten, omdat haar (lacunaire) geweten haar daarvan kennelijk telkens niet heeft weerhouden. Het hof acht mitsdien een direct verband aanwezig tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten. Het hof gaat er voorts van uit dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte niet geheel kunnen worden toegerekend.

Mede in het licht daarvan is hof van oordeel dat nu

- de verdachte met de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 5 primair en in zaak B ten laste gelegde feiten tot op heden tot driemaal toe tot het plegen van uitzonderlijk ernstige misdrijven is gekomen, telkens jegens haar partner van dat moment,

- de verdachte ook naar eigen zeggen niet goed alleen kan zijn en zich zonder partner eigenlijk niet staande kan houden en

- gebleken is dat de verdachte na het overlijden van haar eerste en haar tweede echtgenoot telkens binnen korte tot zeer korte tijd een nieuwe relatie heeft aangeknoopt,

het hof het bestaan van een ernstig recidivegevaar reëel acht, welk gevaar verband houdt met de hiervoor genoemde psychische stoornis en wel van dien aard is dat de veiligheid van anderen, meer specifiek: haar toekomstige partners, de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. Anders gezegd: afgestraft en onbehandeld blijft de verdachte naar het oordeel van het hof een té groot gevaar voor de Nederlandse samenleving. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten, de door de deskundigen vastgestelde aard en de ernst van de bij verdachte aanwezige stoornis en voornoemd wezenlijk geacht recidivegevaar, acht het hof de verpleging van overheidswege noodzakelijk en de mogelijkheid om verdachte in een alternatief, minder vergaand behandelkader te (doen) plaatsen niet aan de orde.

Slotoverwegingen

Het hof stelt samenvattend vast dat, mede gelet op de conclusies van het PBC-rapport van 19 augustus 2014 en de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 5 bewezen verklaarde feiten, aan de wettelijke eisen als genoemd in artikel 37a Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van die feiten immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, de door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte.

De maatregel zal worden opgelegd wegens moord en overtreding van artikel 257 Sr, misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof acht, alles overziend, naast de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging oplegging van een gevangenisstraf van zestien jaren passend en geboden. Daarbij wijkt het hof af van de door de advocaat-generaal geëiste gevangenisstraf, omdat het hof meer dan de advocaat-generaal in matigende zin rekening houdt met de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte, waardoor de feiten haar niet volledig kunnen worden toegerekend, en de omstandigheid dat de opgelegde maatregel naar alle waarschijnlijkheid ook al een langdurige vrijheidsbeneming en –beperking mee zal brengen.

Beslag

Personenauto [kenteken]

Het in zaak B ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de hierboven genoemde in beslag genomen en niet teruggegeven voertuig van het merk Peugeot, type 208. Bovendien is aannemelijk dat het voertuig geheel of grotendeels uit de baten van het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde verkregen. De Peugeot behoort de verdachte toe en is derhalve vatbaar voor verbeurdverklaring. Het hof zal dan ook tot verbeurdverklaring overgaan, waarbij de aanschafwaarde van het op 29 oktober 2012 aangekochte voertuig van € 20.000 (PD map 1, p. 2536) in aanmerking genomen is.

Computer

Het in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de hierboven genoemde in beslag genomen en niet teruggegeven computer. De computer behoort de verdachte toe en is derhalve vatbaar voor verbeurdverklaring. Het hof zal dan ook tot verbeurdverklaring overgaan.

Vordering Raborekening [rekeningnummer 1]

Uit de stukken blijkt dat het door [bedrijf 1] uitgekeerde geld aan de verdachte, te weten een bedrag van € 250.000,00 voor een deel te weten €200.000,00, door de verdachte op 29 november 2012 is doorgestort op een rekening van de Rabobank Land van Cuijk & Maasduinen met het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], waarna [slachtoffer 3] diezelfde dag een deel ten bedrage van € 190.000,00 heeft overgemaakt op spaarrekening [rekeningnummer 1] (thans: [rekeningnummer 3]) met dezelfde tenaamstelling (PD map 1, p. 2588). Vervolgens is op 17 januari 2014 op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering beslag gelegd op voornoemde rekening tot een creditsaldo van € 134.500,00.

Nu uit de stukken volgt dat op verschillende momenten vermenging van het aan de verzekeringspenningen te liëren bedrag met bestaande saldi en latere stortingen op voornoemde rekeningen heeft plaatsgevonden en het hof niet met een voldoende mate van zekerheid kan vaststellen wat de omvang van het tegoed is (zo was op 28 oktober 2013 nog ‘slechts’ sprake van een creditsaldo van € 34.500,00, PD map 1, p. 2632), kan het hof op grond van de beschikbare gegevens niet vaststellen wie de rechthebbenden zijn op het onder beslag liggende tegoed. Het hof zal te dien aanzien daarom de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1].

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 250.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 50.000,00, gelet op de mogelijkheid van teruggave van maximaal € 200.000,00 aan de benadeelde partij van geld dat op genoemde spaarrekening in beslag is genomen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist, in het bijzonder ook niet de aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenis, het ontstaan van de schade, de initiële omvang daarvan (€ 250.000) en het causale verband met die gebeurtenis. In zoverre ligt de vordering dus voor toewijzing gereed.

De verdediging heeft wel aangetekend dat op het bedrag van € 250.000 een bedrag van € 160.000 in mindering moet worden gebracht, omdat het openbaar ministerie ten belope van laatstgenoemd bedrag beslag heeft gelegd op de spaarrekening van [slachtoffer 3].

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat op het bedrag van € 250.000 een bedrag € 134.500 in mindering moet worden gebracht, omdat laatstgenoemd bedrag het saldo van de spaarrekening van [slachtoffer 3] ten tijde van de beslaglegging was.

Het hof herhaalt dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat de omvang van het tegoed op de litigieuze spaarrekening was en evenmin wie redelijkerwijs rechthebbenden op (delen van) het tegoed zijn. Daarom is er geen aanleiding het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag te matigen en zal de vordering integraal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Indien en zover de Staat en/of de benadeelde partij de mening zijn toegedaan dat (een deel) van het saldo op de litigieuze spaarrekening aan de verdachte toebehoort, kan na het onherroepelijk worden van dit arrest getracht worden langs de gebruikelijke executoriale wegen het door de verdachte aan de Staat te betalen bedrag c.q. de som van de aan de benadeelde partij toegewezen vordering op dat saldo te verhalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 157, 225, 255, 257, 289 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer 18/750224-13) onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer 18/750224-13) onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en het in zaak B (parketnummer 18/730061-14) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A (parketnummer 18/750224-13) onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 primair en in zaak B (parketnummer 18/730061-14) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

-1 personenauto, kenteken [kenteken], merk Peugeot, type 208 (goednummer 1542916);

-1 computer, kleur wit, merk Sony, type pcg-7tm (goednummer 1554787).

Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- de vordering op Coöperatie Coöperatieve Rabobank Land van Cuijk & Maasduinen U.A. te Boxmeer, te weten het credit saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 3] tot een bedrag van € 134.500,00.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1].

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 1] ter zake van het in zaak A met parketnummer 18/750224-13 onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250.000,00 (tweehonderdvijftigduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 1]., ter zake van het in zaak A met parketnummer 18/750224-13 onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250.000,00 (tweehonderdvijftigduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2016.

=========================================================================

[....]