Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2398

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
200.182.207/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Incidenteel arrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:5238.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.182.207/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/595214/KG ZA 15-1234

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2016

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. E. Luijendijk te Amsterdam,

tegen

Woningstichting EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Eigen Haard genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 14 december 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 17 november 2015, onder voormeld zaak- en rolnummer in kort geding gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellante] als gedaagde.

De memorie van grieven, met producties, bevat naast de grieven en een reconventionele vordering een incidentele vordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de hoofdzaak concludeert [appellante] tot vernietiging van het bestreden vonnis, het alsnog afwijzen van de vorderingen van Eigen Haard en het toewijzen van de in hoger beroep ingestelde reconventionele vordering, dit alles met (na)kosten.

Eigen Haard heeft hierop in het incident geantwoord, onder overlegging van producties, en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met (na)kosten.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling in het incident

2.1

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. [appellante] huurt van Eigen Haard de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde). [appellante] houdt Samojeed honden in het gehuurde. Ten tijde van het bestreden vonnis waren dit er acht. Omwonenden hebben geklaagd over overlast vanwege het blaffen van de honden en stank.

Bij het bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - vonnis heeft de voorzieningenrechter [appellante] geboden haar verplichtingen als huurder na te komen en de overlast, veroorzaakt door haar huisdieren, te staken en gestaakt te houden en om binnen zes maanden na betekening van het bestreden vonnis het aantal honden in het gehuurde terug te brengen tot twee en de overige honden uit het gehuurde te verwijderen en verwijderd te houden. Dit alles op straffe van de verbeurte van een dwangsom.

2.2

Ter onderbouwing van haar incidentele vordering heeft [appellante] - samengevat - aangevoerd dat zij belang heeft bij schorsing; bij gegrondverklaring van de grieven is er geen grondslag om het aantal honden terug te brengen tot twee, bij ongegrondverklaring van de grieven zal zij niet bij machte zijn om binnen zes maanden voor een alternatief te zorgen. In dit kader wijst zij op de uiterst geringe kans op een andere sociale huurwoning vanwege enerzijds de negatieve verhuurderverklaring die op 28 januari 2016 is afgegeven door Eigen Haard en anderzijds het feit dat zij geen inkomen heeft. Zij stelt terecht te komen in een onomkeerbare situatie waarin zij gedwongen afstand zal moeten doen van een aantal van haar honden, ook al omdat zij de aan haar opgelegde dwangsom niet zal kunnen betalen. Op deze gronden dient, aldus [appellante] , haar belang zwaarder te wegen dan dat van Eigen Haard, waarbij [appellante] er nog op wijst dat er geen nieuwe klachten zijn binnengekomen sinds het bestreden vonnis.

2.3

Eigen Haard heeft verweer gevoerd, op gronden die hierna, voor zover nodig, zullen worden weergegeven.

2.4

Het hof neemt tot uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep slechts plaats is indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal aan de orde zijn indien de executant, mede gelet op de - voor hem kenbare - belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten (verder: nieuwe feiten) meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

2.5

Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus dat zij zich beroept op nieuwe feiten in de in rechtsoverweging 2.4 bedoelde zin die ertoe leiden dat zij geen andere (passende) huisvesting voor haar en haar acht honden zal kunnen vinden. [appellante] doelt hier (kennelijk) op de negatieve door Eigen Haard afgegeven verhuurdersverklaring en op het feit dat zij geen inkomen geniet. [appellante] ziet hierbij echter over het hoofd dat bij het bestreden vonnis niet de ontruiming van het gehuurde is uitgesproken en dat zij door de tenuitvoerlegging van het vonnis dus niet wordt gedwongen te verhuizen. De omstandigheid dat [appellante] eventueel verbeurde dwangsommen niet zal kunnen voldoen, is evenmin reden tot schorsing van de tenuitvoerlegging omdat de dwangsommen pas zullen worden verbeurd, indien [appellante] niet aan de hoofdveroordeling voldoet. Niet gesteld of aannemelijk geworden is dat een dergelijke voldoening bij [appellante] een noodtoestand zal doen ontstaan.

2.6

Voorts is niet aannemelijk geworden dat Eigen Haard geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voordat in hoger beroep eindarrest zal worden gewezen, nu de overlastsituatie uitsluitend aan [appellante] moet worden toegerekend en zij ook na het bestreden vonnis niet van zins lijkt te zijn iets aan de situatie te doen. Eerder is het omgekeerde het geval, omdat nu uit het door [appellante] in hoger beroep overgelegde rapport van het akoestisch onderzoek d.d. 8 februari 2016 blijkt dat zij inmiddels negen honden in het gehuurde houdt.

2.7

Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

2.8

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door Eigen Haard.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [appellante] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak eindarrest zal worden gewezen;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2016 voor het nemen van een memorie van antwoord door Eigen Haard;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2016.