Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2392

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
200.175.488/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:760, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot ontruiming. Ordemaatregel strekkende tot toelating van de eigenaar tot het perceel. Langdurig gekraakt perceel dat door grote groep mensen wordt gebruikt om er te wonen en te werken. Afstemming beslissing in kort geding in hoger beroep op inmiddels gewezen bodemvonnis, waarbij de vordering tot ontruiming is afgewezen, omdat niet is gebleken dat de plannen van de eigenaar binnen afzienbare tijd daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Veroordeling van de gebruikers tot toelating van de eigenaar tot het perceel ten behoeve van de verdere uitwerking van zijn plannen. Aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers en hun kinderen is afdoende tegemoetgekomen door de aan de toelating verbonden voorwaarden in het dictum van het in kort geding gewezen vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.175.488/01 KG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/588133 / KG ZA 15-681

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2016

inzake

1 CHIDDA VASTGOED B.V.,

2. AMSTELIMMO B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.J. Bakhuijsen te Amsterdam,

tegen

1. ZIJ DIE VERBLIJVEN OP OF IN DE ONROERENDE ZAAK/REGISTERGOED, OF EEN GEDEELTE DAARVAN, BESTAANDE UIT BEDRIJFSTERREIN MET BIJBEHOREND WATER, DAAROP STAANDE OPSTALLEN, OMVATTEND BEDRIJFSGEBOUWEN EN EEN TWEETAL WONINGEN MET AANHORIGHEDEN, KADE EN VERDERE TOEBEHOREN, STAANDE EN GELEGEN AAN DE [adres] , VOLGENS HET KADASTER PLAATSELIJK BEKEND ALS [adres] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep, niet verschenen,

2 [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

3. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

4. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

5. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

6. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

7. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82]

8. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

9. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

10. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

11. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

12. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

13. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

14. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

15. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

16. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

17. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

18. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

19. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

20. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

21. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82]

22. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

23. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

24. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

25. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

26. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

27. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

28. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

29. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

30. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

31. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

32. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

33. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

34. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

35. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

36. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

37. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

38. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

39. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

40. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

41. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

42. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

43. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

44. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

45. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

46. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82]

47. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

48. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

49. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

50. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

51. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

52. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

53. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

54. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

55. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

56. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

57. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

58. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

59. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

60. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

61. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

62. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

63. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

64. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

65. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

66. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

67. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

68. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

69. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

70. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

71. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

72. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

73. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

74. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

75. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

76. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

77. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

78. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

79. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

80. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

81. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

82. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

tevens appellanten in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

83 [geïntimeerde sub 83] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amsterdam (onttrokken),

84 [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

85. [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

86. [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

87. [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

88. [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

89. [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

90. [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

advocaat: mr. B. Mous te Amsterdam,

91 STICHTING ROBODOCK,

92. STICHTING ADM LEEFT,

93. STICHTING ARNO FOREVER,

94. DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA ZEILKOTTER,

95. STICHTING FAIR FUN,

96. STICHTING SCUMBEAST CREATIE EN DESIGN,

97. DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA ECO LIVE,

98. STICHTING “DE OVERLEVERING”,

99. STICHTING PAPILLON,

100. STICHTING DUIZEND X DUIZEND,

101. STICHTING ANTI-DELUSION MECHANISM,

102. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

103. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

104. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

105. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

106. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

107. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

108. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

109. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

110. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

111. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

112. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

113. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

114. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

115. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

116. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

117. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

118. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

119. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

120. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

121. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

122. [geïntimeerde sub 102 t/m sub 122] ,

alle(n) gevestigd, dan wel wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna ook Chidda c.s. (dan wel afzonderlijk Chidda en Amstelimmo) en de gebruikers (de verschenen geïntimeerden in principaal hoger beroep gezamenlijk) genoemd. De verschenen en niet verschenen geïntimeerden in principaal hoger beroep tezamen zullen ook wel worden aangeduid als geïntimeerden.

Chidda c.s. zijn bij dagvaarding van 10 augustus 2015, hersteld bij exploot van 28 augustus 2015, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2015, in kort geding onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Chidda c.s. als eiseressen in conventie, tevens verweersters in (voorwaardelijke) reconventie en (onder anderen) de verschenen en niet verschenen geïntimeerden als gedaagden in conventie en de in eerste aanleg verschenen gedaagden tevens eisers in (voorwaardelijke) reconventie.

De dagvaarding bevat de grieven. Ter rolle hebben Chidda c.s. geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding.

Tegen geïntimeerden onder 1 en 91 tot en met 122 is verstek verleend.

Daarna zijn de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties, ingediend door mr. Uppal voornoemd namens geïntimeerden 2 tot en met 82 (hierna ook aan te duiden als [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] );

- memorie van antwoord, met een productie, ingediend door mr. Liefting voornoemd namens geïntimeerde 83 (hierna ook aan te duiden als [geïntimeerde sub 83] );

- memorie van antwoord, met een productie, ingediend door mr. Mous voornoemd, namens geïntimeerden 84 tot en met 90 (hierna ook aan te duiden als [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] );

- akte houdende wijziging van eis in incidenteel appel van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] ;

- memorie van antwoord in incidenteel appel van Chidda c.s.

Chidda c.s. en de gebruikers, met uitzondering van [geïntimeerde sub 83] , hebben de zaak ter zitting van 11 april 2016 doen bepleiten, Chidda c.s. en [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] door hun voornoemde advocaten en [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] door hun voornoemde advocaat, alsmede door mrs. M. Schuckink Kool, M.F. van Hulst, M. Wijngaarden en J. Rutteman, advocaten te Amsterdam, allen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Chidda c.s. en de gebruikers hebben nog producties in het geding gebracht. Mr. Liefting voornoemd heeft voorafgaand aan het pleidooi laten weten zich te hebben onttrokken.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Chidda c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering tot ontruiming, met nevenvorderingen, zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

[geïntimeerde sub 83] en [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] hebben ieder voor zich geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben geconcludeerd tot verwerping van de grieven in principaal appel en in incidenteel hoger beroep – na wijziging van eis – primair tot afwijzing van de in eerste aanleg toegewezen vordering van Chidda c.s. en subsidiair, kort gezegd, tot een beperktere toewijzing daarvan, met beslissing over de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep.

Chidda c.s. hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van de grieven en afwijzing van de vordering, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 in het incidentele appel van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] betreft het onder 2.5 vermelde feit, waaraan volgens hen een passage ontbreekt. Het hof zal die passage hieronder toevoegen aan overweging 2.6. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil. De door de voorzieningenrechter opgesomde feiten dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat daarbij, voor zover in hoger beroep van belang, om de volgende feiten.

2.2.

Chidda c.s. zijn sinds 2 mei 1997 eigenaar van Complex Westhaven te Amsterdam, plaatselijk bekend als [adres] en [adres] . Een gedeelte van het complex is omheind en afgesloten door een hekwerk met een toegangspoort. Het gedeelte achter het hek omvat de voormalige ADM-scheepswerf, bestaande uit twee bedrijfsgebouwen – een grote loods en een kantorengebouw – met het bijbehorende terrein, twee bedrijfswoningen en de ADM-haven (hierna: het ADM-terrein). Complex Westhaven omvat verder – buiten de hekken – een groot onbebouwd en gedeeltelijk verhard terrein (hierna: het buitenterrein). Complex Westhaven is in 1970 door de gemeente Amsterdam verkocht aan Amsterdamsche Droogdok Maatschappij N.V., die de juridische eigendom van het complex in 1987 heeft ingebracht in Complex Westhaven B.V. In 1987 is het ADM-terrein voor het eerst gekraakt, om vervolgens in 1992 te worden ontruimd.

2.3.

In de leveringsakte van 2 mei 1997, waarin Complex Westhaven B.V. als verkoper staat genoemd en Chidda c.s. als koper, staat, voor zover relevant, het volgende:

BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN/BIJZONDERE VERPLICHTINGEN.

(…)

Artikel 2

Bestemming

1. Het terrein (…) is bestemd voor het daarop vestigen van een bedrijf, dat ten doel heeft het herstellen en bouwen van schepen, machines en werktuigen met alles wat daartoe behoort, het exploiteren van droogdokken, scheepswerven en de daaraan inherente fabrieken en het verrichten van alle handelingen, welke in de ruimste zin daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn.

(…)

Artikel 20

Verkoop

Indien koper tot verkoop van terrein (…) of een gedeelte daarvan mocht besluiten, is hij verplicht de Gemeente hiervan in kennis te stellen, die alsdan het recht zal hebben en daartoe door koper in de gelegenheid zal worden gesteld als eerste gegadigde het terug te kopen, tegen een prijs, welke alsdan voor vergelijkbare terreinen in de haven zal gelden.

Artikel 21

Verplichtingen van opvolgende eigenaren

1. De hiervoor op de koper gelegde verplichtingen en de hem gestelde verbodsbepalingen zullen op alle opvolgende eigenaren, erfpachters, opstalhouders of vruchtgebruikers toepasselijk zijn.

(…)

Artikel 22

Bepalingen bij verdere overdracht terrein

Bij elke verdere overdracht van het terrein of een gedeelte daarvan in eigendom, dan wel uitgifte daarvan in erfpacht, opstal of vruchtgebruik, zullen ten behoeve der Gemeente in elke daartoe op te maken akte (…) de bepalingen, vervat in de artikelen (…) 2, eerste (…) lid (…) 12, tweede lid, tot en met 21 en in dit artikel (22) worden opgenomen (…)

2.4.

In oktober 1997 is het ADM-terrein wederom gekraakt. Het terrein is door de krakers omgedoopt tot ‘Krakers Dorp ADM’, waarbij ADM staat voor ‘Amsterdamse Doe-het-zelf Maatschappij’. Op het ADM-terrein wonen en werken thans meer dan 100 mensen. De meeste gebruikers wonen in op het terrein geplaatste caravans, zelfgebouwde hutten, woonwagens en verschillende vaartuigen op het ADM-water. Ook een gedeelte van het buitenterrein is geleidelijk door een groot aantal personen in gebruik genomen. Zij verblijven daar in caravans, auto’s en tenten.

2.5.

Chidda c.s. hebben het ADM-water met ingang van 26 april 2007 op basis van een overeenkomst tot wederopzegging in gebruik gegeven aan de gemeente Amsterdam (Haven Amsterdam). Deze overeenkomst is door Chidda c.s. opgezegd tegen 1 juli 2015.

2.6.

De gemeente Amsterdam (Haven Amsterdam) heeft op 7 juli 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de vereniging Krakend ADM en een aantal individuele gebruikers van het ADM-water en het daaraan grenzende ADM-terrein.

In de vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen dat de individuele gebruikers zich jegens de gemeente verbinden om uiterlijk op 4 januari 2010 de door de gemeente aan hen ter beschikking gestelde tijdelijke plaatsen en ADM-water te verlaten. Met betrekking tot de uiterlijke ontruimingsdatum is daaraan toegevoegd dat deze, indien de gemeente niet vóór 1 januari 2009 de feitelijke beschikkingsmacht over het terrein heeft verkregen, zal verschuiven van 4 januari 2010 naar een datum gelegen één jaar nadat de gemeente alsnog die beschikkingsmacht heeft verkregen.

2.7.

Op 3 juli 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan ‘Amerikahaven’ vastgesteld. Het ADM-terrein heeft daarbij de bestemming Bedrijf-1 en het waterperceel de bestemming Water 2 gekregen. De op de plankaart voor Bedrijf-1 aangewezen gronden zijn bestemd voor havengebonden bedrijven, die vallen in categorie 1, 2, 3, 4 of 5 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Inrichtingen bestemmingsplan Amerikahaven. In de Staat van Inrichtingen is onder meer opgenomen ‘Scheepsbouw, reparatiebedrijven en scheepssloperijen’.

2.8.

Chidda c.s. hebben in augustus 2014 contact gezocht met de gebruikers van het ADM-terrein. Chidda c.s. wilden toegang tot het terrein om dit met derden te bezichtigen, het te inventariseren en werkzaamheden op het terrein uit te voeren, omdat zij doende is een economische invulling aan het terrein te geven. Zij hebben overleg gehad met onder andere [geïntimeerde sub 54] (geïntimeerde 54), bestuurder van de vereniging Krakend Nederland. Dit overleg heeft niet geleid tot afspraken.

2.9.

Bij besluit van 30 april 2015 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Amstelimmo een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een schuifdeur in de oostgevel van de bedrijfsloods op de locatie [adres] .

2.10.

In opdracht van Chidda c.s. is door Rotteveel M4 een ontwikkelingsstudie verricht naar de (her)ontwikkeling van het ADM terrein. Daarbij is het terrein in vijf kavels verdeeld zoals op bijgaand kaartje is aangegeven:

2.11.

Op 22 mei 2015 hebben Chidda c.s. met betrekking tot kavel 2 een huurovereenkomst gesloten met [X] B.V. (hierna [X] ) voor het gebruik van een gedeelte van Complex Westhaven (de loods, groot ca. 3.000 m2 met ca. 50.000 m2 omliggende grond; hierna ook kavel 2). In de huurovereenkomst staat dat het gehuurde door of vanwege huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt als werf voor het repareren, bouwen en demonteren van schepen, machines en werktuigen, en handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn. Ook staat in de huurovereenkomst dat deze is aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 augustus 2015 of zoveel later als verhuurder het gehuurde aan huurder kan opleveren, doch niet later dan 1 oktober 2015, en dat verhuurder, wanneer hij het complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt wil renoveren, dan wel dit (grotendeels) kan verhuren, verpachten en/of verkopen, aan huurder de huurovereenkomst en het gebruik van het gehuurde tussentijds kan opzeggen met een termijn van zes maanden. De huurovereenkomst is door [X] geparafeerd, maar niet ondertekend.

2.12.

Chidda c.s. en [X] hebben op 22 mei 2015 tevens een huurovereenkomst gesloten voor het gebruik van het ADM-water. In de huurovereenkomst staat dat het gehuurde door of vanwege huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt voor het tijdelijk af- en aanmeren van zee- en binnenvaartschepen, duwbakken en coasters, laden en lossen, en handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn. Ook staat in de huurovereenkomst dat deze is aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 augustus 2015 of zoveel later als verhuurder het gehuurde aan huurder kan opleveren en dat verhuurder, wanneer hij het complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt wil renoveren, dan wel dit (grotendeels) kan verhuren, verpachten en/of verkopen, aan huurder de huurovereenkomst en het gebruik van het gehuurde tussentijds kan opzeggen met een termijn van zes maanden.

2.13.

Ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis was bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig tussen Chidda c.s. en onder anderen geïntimeerden, waarin Chidda c.s. in conventie ontruiming van Complex Westhaven vorderde.

In die bodemprocedure is op 6 januari 2016 een eindvonnis gewezen.

3 Beoordeling

3.1.

De eerste aanleg van deze procedure

3.1.1.

Chidda c.s. hebben in de eerste aanleg van deze kortgedingprocedure in conventie, samengevat, gevorderd geïntimeerden ieder voor zich te veroordelen tot ontruiming van het ADM-terrein, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en tot betaling van de kosten van de gerechtelijke ontruiming voor zover zij niet vrijwillig en volledig ontruimen. Voorts hebben Chidda c.s. gevorderd dat geïntimeerden ieder voor zich worden veroordeeld haar en de haren op werkdagen van 9.00 uur tot 17.00 uur voor bezichtigingen onbelemmerde en vrije toegang te verlenen tot het ADM-terrein, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.1.2.

[geïntimeerde sub 83] heeft in reconventie, kort gezegd, gevorderd, te bepalen dat Chidda c.s. de aanwezigheid van hem en zijn gezin op het terrein dient te gedogen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.1.3.

[geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben in reconventie – voor het geval de ontruiming zou worden toegewezen – gevorderd Chidda c.s. een geldboete op te leggen voor iedere maand dat het gehuurde door [X] niet in gebruik wordt genomen na 1 oktober 2015.

3.1.4.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder meer overwogen dat de gebruikers zonder recht of titel op het ADM-terrein verblijven en daarmee onrechtmatig jegens Chidda c.s. handelen. De in conventie gevorderde ontruiming is echter afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Ter zake van de niet aan [X] verhuurde onderdelen van het ADM-terrein (het buitenterrein daaronder begrepen) is daartoe overwogen dat Chidda c.s. voor die onderdelen nog geen geïnteresseerden heeft gevonden en de vordering in zoverre prematuur is. Ter zake van de wel aan [X] verhuurde onderdelen (kavel 2 en het ADM-water) heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet waarschijnlijk is dat deze onderdelen op korte termijn in gebruik kunnen worden genomen en dat de gebruikers een zwaarder wegend belang hebben bij het (tijdelijk) voortgezet gebruik van deze kavel dan Chidda c.s. bij de ontruiming daarvan.

3.1.5.

De voorzieningenrechter heeft geïntimeerden in conventie hoofdelijk veroordeeld om, zeer kort weergegeven, toegang te verlenen tot het registergoed, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Deze veroordeling en de daartegen gerichte grief 3 van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] worden hierna, onder 3.8, besproken.

3.1.6.

De vordering in reconventie van [geïntimeerde sub 83] is afgewezen omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij toestemming had van de voormalige eigenaar om op het terrein te wonen. [geïntimeerde sub 83] heeft hiertegen geen incidenteel hoger beroep ingesteld, zodat deze beslissing in hoger beroep niet meer aan de orde is.

3.2.

Tegen de afwijzing van de vordering tot ontruiming in conventie en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Chidda c.s. met acht grieven op. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben in incidenteel hoger beroep in totaal vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis, waarvan grief 1 hiervoor al is besproken. Nadat partijen de processtukken in hoger beroep hadden ingediend, is in de bodemprocedure het vonnis van 6 januari 2016 gewezen.

3.3.

Het in de bodemprocedure gewezen vonnis

3.3.1.

In de bodemprocedure heeft de rechtbank de vordering in conventie van Chidda c.s., strekkende tot ontruiming van het registergoed afgewezen en Chidda c.s. in reconventie veroordeeld de aanwezigheid c.q. het huisrecht van [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] (in het bodemvonnis aangeduid als [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] ) op het terrein toe te laten en te gedogen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.3.2.

De rechtbank heeft, voor zover in dit hoger beroep in de kortgedingprocedure van belang, overwogen dat geïntimeerden zonder recht of titel op het perceel van Chidda c.s. verblijven en dat Chidda c.s. belang hebben bij het kunnen nakomen van de twee huurovereenkomsten met [X] , maar dat de enkele omstandigheid dat er huurovereenkomsten zijn gesloten niet uitsluit dat de ontruiming alsnog tot ongerechtvaardigde leegstand leidt.

3.3.3.

Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de plannen van [X] , die Chidda c.s. hebben toegelicht aan de hand van een zogenoemd informatiedocument van [X] van 12 november 2015 en de verklaring van [X] bij gelegenheid van de comparitie van partijen in de bodemprocedure in eerste aanleg, onvoldoende concreet zijn, dat het terrein in deplorabele staat verkeert en dat daaraan aanzienlijke werkzaamheden moeten worden verricht alvorens het voor ingebruikname geschikt kan worden geacht, dat voor de ontplooiing van het terrein vergunningen zijn vereist, zoals een omgevingsvergunning en een kapvergunning en mogelijk ontheffing op grond van de Flora en Faunawet, welke althans voor het deel binnen de hekken niet zijn aangevraagd en, concluderend, dat onzeker is of de benodigde vergunningen zullen worden verkregen en of [X] binnen afzienbare tijd haar plannen kan uitvoeren. Voorts heeft de rechtbank naar aanleiding van de betwisting door [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] dat de plannen van [X] economisch haalbaar zijn, overwogen dat Chidda c.s. ter zake geen enkele toelichting hebben gegeven, zodat ook in zoverre niet kan worden bepaald of deze plannen binnen afzienbare termijn daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Over het deel van het terrein dat niet aan [X] is verhuurd heeft de rechtbank overwogen dat Chidda c.s. in het geheel niet hebben gedocumenteerd welke bestemming zij aan dit terrein wil geven en op welke termijn zij dit deel ten eigen nutte wil gaan inrichten. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat, in verband met de ongewisheid van de plannen en uitvoerbaarheid daarvan, het risico bestaat dat ongerechtvaardigde leegstand van het terrein zal optreden en overwogen dat de belangen van Chidda c.s. daarom moeten wijken voor de zwaarder wegende belangen van geïntimeerden die (reeds lang) op het terrein wonen en werken.

3.4.

De in kort geding in hoger beroep aan te leggen maatstaf

Nu de rechtbank op 6 januari 2016 vonnis heeft gewezen in de bodemprocedure, dient het hof zijn arrest af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Een uitzondering op dit beginsel is mogelijk indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen.

3.5.

Chidda c.s. en de gebruikers, met uitzondering van [geïntimeerde sub 83] , hebben hun stellingen met betrekking tot de door Chidda c.s. gevorderde ontruiming, in het licht van deze maatstaf, bij gelegenheid van de in hoger beroep gehouden pleidooien nader toegelicht.

3.6.

De vordering tot ontruiming in kort geding van Chidda c.s.

3.6.1.

Chidda c.s. hebben aangevoerd dat het vonnis van de bodemrechter berust op een kennelijke misslag omdat uit de wettelijke voorschriften voortvloeit dat voorafgaand aan het aanvragen van de benodigde kap- en omgevingsvergunningen/ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet en voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden waarbij de grond beroerd wordt, ter plaatse onderzoeken moeten worden verricht. Zonder die onderzoeken kunnen Chidda c.s. de benodigde vergunningen niet aanvragen. Chidda c.s. hebben voorts erop gewezen dat geïntimeerden zich bij aanvang van de vergunde kapwerkzaamheden op het buitenterrein zodanig hebben gedragen dat beveiliging en dagelijks politietoezicht nodig was alvorens tot uitvoering van de werkzaamheden kon worden overgegaan. De aanwezigheid van geïntimeerden is afschrikwekkend voor personen die werkzaamheden moeten verrichten en die eventueel geïnteresseerd zouden zijn in vestiging op het terrein en staat dus in de weg aan de uitwerking van haar plannen en exploitatie van het terrein, aldus Chidda c.s.

3.6.2.

Het hof is van oordeel dat in dit verband niet gesproken kan worden van een kennelijke misslag in het bodemvonnis, reeds omdat daarin onder 6.12 is overwogen dat Chidda c.s. niet heeft toegelicht op welke punten zij wegens het verblijf van geïntimeerden de vergunningaanvragen niet kan voorbereiden. Bovendien is bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep van de zijde van Chidda c.s. verklaard dat geïntimeerden inmiddels geen obstakels meer opwerpen en is voorts gebleken dat partijen inmiddels een modus hebben gevonden om met elkaar tot afspraken te komen. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding af te wijken van het oordeel in het bodemvonnis op grond van het onder 3.4 vermelde afstemmingsbeginsel.

3.6.3.

Chidda c.s. hebben voorts aangevoerd dat de bodemrechter geen rekening heeft kunnen houden met de volgende omstandigheden:

- Chidda c.s. zijn begonnen met het bouwrijp maken van het buitenterrein, nadat (i) de bezwaren van de gebruikers tegen de omgevingsvergunning bij besluit van 24 februari 2016 ongegrond waren verklaard en de vergunning onherroepelijk is geworden en (ii) handhaver Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de bestuursrechter in het kader van de verleende kapvergunning hebben geconstateerd dat van enige overtreding van de Flora- en faunawet door Chidda c.s. niet was gebleken;

- door het verblijf van de gebruikers op kavel 5 en 6 (buitenterrein) kunnen de werkzaamheden niet geheel worden voltooid en kan geen hekwerk om het terrein worden geplaatst, hetgeen nodig is om deze kavels bouwrijp te maken en in te richten voor tijdelijk gebruik daarvan door [X] voor het stallen van materieel, het plaatsen van een havenkantoor en het aanleggen van een weg daarnaartoe, waarvoor voor zover nodig vergunningen zijn verleend;

- [X] heeft per 1 februari 2016 de activa en het personeel van Mammoet Salvage overgenomen en heeft daardoor dringend behoefte aan gebruik van de door haar gehuurde kavels (1 en 2) voor het stallen en afmeren van materieel; [X] houdt Chidda c.s. aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het niet nakomen van de gesloten huurovereenkomsten; zolang het bij het gehuurde behorende terrein van 50.000 m² nog niet bouwrijp kan worden gemaakt, kan het stallen van groot materieel van [X] plaatsvinden op het voorterrein, waardoor de schade voor Chidda c.s. wordt beperkt;

- voor de in productie 19 omschreven werkzaamheden aan de loods (op kavel 2) is geen omgevingsvergunning nodig; voor zover deze wel nodig is, is deze verleend; zodra deze loods ter beschikking komt van Chidda c.s. zal zij het gebruik daarvan aan [X] verlenen en de renovatiewerkzaamheden starten; [X] wil de loods zo spoedig mogelijk in gebruik nemen voor het stallen van ‘klein’ kwetsbaar materieel, welk gebruik vergelijkbaar is met het gebruik dat er thans van wordt gemaakt; de loods wordt niet door de gebruikers bewoond, zodat het ‘huisrecht’ geen rol speelt;

- [X] wil en kan het gehuurde water en de bijbehorende afmeerplekken onmiddellijk na de ontruiming in gebruik nemen, zodat ook in zoverre de schade voor Chidda c.s. kan worden beperkt;

- in het kader van de Flora- en faunawet vinden op dit moment diverse onderzoeken plaats; tot heden zijn geen beschermde soorten of nesten aangetroffen; zo nodig zal een ontheffing worden aangevraagd; de kapvergunning voor het ADM-terrein zal begin juli worden aangevraagd en medio augustus worden verleend.

3.6.4.

Het hof is van oordeel dat uit de door Chidda c.s. overgelegde producties wel kan worden afgeleid dat zij (verdere) stappen hebben ondernomen op het gebied van de aanvraag van vergunningen, waarvan een aantal ook is verleend, maar de stellingen van Chidda c.s. en de overgelegde stukken bieden naar ’s hofs voorlopig oordeel onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.6.5.

De bodemrechter was op de hoogte van de beoogde uitbreiding van de werkzaamheden van [X] na de overname van een marktpartij en de uitbreiding van haar dienstenpakket (bodemvonnis, rechtsoverweging 6.10). Inmiddels is die overname kennelijk gerealiseerd en is de naam van de overgenomen partij bekend. Chidda c.s. hebben ter ondersteuning van hun stellingen gewezen op een zogenoemde werkomschrijving scheepshal ADM-terrein van 16 maart 2016 (productie 19). Dit stuk bevat echter in essentie niet meer dan een opsomming van werkzaamheden ten behoeve van de renovatie van de loods op de aan [X] verhuurde kavel. In aanvulling op het aan de bodemrechter ter beschikking staande informatiedocument van [X] van 12 november 2015 hebben Chidda c.s. thans ook een ‘Ontwikkelingsplan ADM terrein Amsterdam’ van 25 maart 2016 in het geding gebracht. Het gaat hier om een als brochure aan te merken document betreffende (verdere) uitwerking van de plannen van enerzijds Chidda c.s. en anderzijds [X] . Ook met deze stukken is naar het voorlopige oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de plannen van Chidda c.s. en [X] , mede gelet op het bestemmingsplan, daadwerkelijk uitvoerbaar zullen zijn. Het hof acht deze plannen, met inbegrip van voornoemd ontwikkelingsplan, onvoldoende concreet uitgewerkt. Zo wordt in het ontwikkelingsplan vermeld dat Chidda c.s. een intentieverklaring hebben ondertekend met de firma [Y] voor een groot deel van het niet aan [X] verhuurde terrein. Bij pleidooi in hoger beroep is toegelicht dat het gaat om een optie, die behoorlijk bindend is, maar nog wel wat moet worden uitgewerkt. Concrete informatie over de afspraken met [Y] is niet verstrekt. Chidda c.s. hebben bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep voorts aangevoerd dat voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomsten met [X] een onderzoek is verricht naar de economische haalbaarheid van de plannen van [X] , maar daarop betrekking hebbende stukken zijn niet in het geding gebracht. In het ontwikkelingsplan staat summier vermeld wat Chidda c.s. voor ogen staat met de resterende oppervlakte van het terrein, maar zij hebben daarop geen nadere toelichting gegeven, zodat ook over de mogelijkheden tot het realiseren daarvan geen niets concreets voorhanden is.

3.6.6.

Bij deze stand van zaken bestaat onvoldoende aanleiding af te wijken van de beslissing die is gegeven in het bodemvonnis. De omstandigheid dat [X] Chidda c.s. aansprakelijk houdt voor het niet tijdig ter beschikking stellen van de gehuurde kavel en het ADM-water, kan in het licht van de vorige overweging niet tot een ander oordeel leiden. Dat geldt ook voor hetgeen Chidda c.s. overigens – mede ter toelichting op de grieven 1 tot en met 8 in principaal hoger beroep – hebben aangevoerd. Voor een ontruiming van een deel van het terrein bestaan in het licht van het voorgaande evenmin aanknopingspunten. De grieven in principaal hoger beroep falen; de stellingen van Chidda c.s. leiden niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3.7.

[geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben bij deze uitkomst van het principaal hoger beroep geen belang bij bespreking van grief 2 in incidenteel appel, betreffende hun stelling dat de huurovereenkomsten met [X] c.s. schijnovereenkomsten zijn.

3.8.

De veroordeling tot het verlenen van toegang tot het terrein aan Chidda c.s.

3.8.1.

[geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] zijn met grief 3 in incidenteel hoger beroep opgekomen tegen de hiervoor in rechtsoverweging 3.1.5 vermelde beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overweging. Deze kwestie is niet aan de orde geweest in de bodemprocedure. De maatstaf als bedoeld in rechtsoverweging 3.4 is derhalve niet van toepassing.

3.8.2.

De voorzieningenrechter heeft geïntimeerden in conventie, samengevat, hoofdelijk veroordeeld om, nadat zij daartoe minimaal 24 uur van tevoren van Chidda c.s. per e-mail (aan [geïntimeerde sub 54] of aan een in onderling overleg af te spreken andere gebruiker) een aankondiging hebben ontvangen met daarin het tijdstip en de namen van de bezoekers, Chidda c.s. en de hunnen op de/het door hun aangegeven dag/tijdstip toegang te verlenen tot het onderhavige registergoed, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag of gedeelte daarvan dat zij hieraan niet voldoen, met een maximum van € 50.000,=. Daartoe heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 5.12 van het bestreden vonnis, kort gezegd, overwogen dat Chidda c.s. als eigenaar het recht hebben hun eigendom te bezichtigen en dat zij daarbij een gerechtvaardigd en spoedeisend belang hebben omdat zij doende zijn het ADM-terrein te verhuren en bezichtigingen noodzakelijk zijn om de plannen met betrekking tot de verhuur aan [X] van kavel 2 nader te concretiseren en geïnteresseerde huurders in staat te stellen zich een beeld te vormen van de andere kavels van het ADM-terrein. Chidda c.s. dienen toegang tot het terrein te krijgen om de plannen te kunnen uitwerken, maar vrije en onbelemmerde toegang op de door hun gevorderde uren grijpt teveel in in de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers die op het terrein wonen en werken. Aldus nog steeds het bestreden vonnis.

3.8.3.

[geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben na wijziging van eis in incidenteel hoger beroep primair gevorderd dat de vordering van Chidda c.s. alsnog geheel wordt afgewezen en subsidiair dat Chidda c.s. minimaal vier dagen van tevoren de aankondiging moeten hebben gedaan en [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] Chidda c.s. en de hunnen maximaal twee maal per maand toegang hoeven te verlenen, welke toegang is beperkt tot de enkele bezichtiging, niet-ingrijpende metingen boven de oppervlakte en het maken van beeldopnamen in het kader van ‘het nader concretiseren van de plannen met betrekking tot de verhuur aan [X] van kavel 2 en het in staat stellen van geïnteresseerde huurders, door middel van een enkele bezichtiging, tot het zich vormen van een beeld van de andere kavels van het ADM-terrein’, met uitsluiting van toegang tot de zich op het registergoed bevindende woningen. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben daartoe aangevoerd dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 5.12 van het bestreden vonnis de belangen van partijen tegen elkaar heeft afgewogen, waarbij aan de zijde van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK in het geding zijn. De getroffen voorziening is echter te onbepaald, als gevolg waarvan dat partijen van mening verschillen over de reikwijdte van de aan [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] opgelegde verplichting. Dat leidt tot een onwerkbare situatie. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben voorts erop gewezen dat Chidda c.s. in de eerste aanleg van deze procedure slechts toelating hebben gevorderd voor bezichtigingen, zodat de veroordeling slechts daarop betrekking kan hebben. Voor zover de voorzieningenrechter heeft beoogd een verder strekkende voorziening te geven is zij daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, aldus [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82]

3.8.4.

Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter niet buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Weliswaar hebben Chidda c.s. in de ingestelde vordering alleen gerefereerd aan toelating voor bezichtigingen, maar de rechtsstrijd van partijen omvatte ook de door Chidda c.s. gevorderde ontruiming. Was deze vordering toegewezen dan hadden Chidda c.s. na de ontruiming de volledige beschikking over hun eigendom gehad en hadden zij hun plannen ongehinderd verder kunnen uitwerken. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] maken zonder recht of titel gebruik van het terrein dat Chidda c.s. in eigendom toebehoort. De voorzieningenrechter en de bodemrechter hebben echter geoordeeld dat de plannen van Chidda c.s. en [X] onvoldoende concreet zijn om geïntimeerden tot ontruiming te veroordelen, omdat niet voldoende duidelijk is dat de plannen daadwerkelijk uitvoerbaar zullen zijn en niet is uitgesloten dat ontruiming tot leegstand zal leiden. Chidda c.s. kunnen hun plannen alleen maar concreter en overtuigender maken wanneer zij in de gelegenheid zijn deze verder uit te werken en zij hebben daarbij als eigenaar een gerechtvaardigd belang. Voor de uitwerking van de plannen van Chidda c.s. is mede noodzakelijk dat zij de voor het aanvragen van vergunningen benodigde rapportage en werkzaamheden kunnen (laten) verrichten, waartoe ook behoort het verrichten van bodemonderzoek. De rechtbank heeft in het bodemvonnis Chidda c.s., naar aanleiding van de daartoe strekkende verweren van geïntimeerden, voorgehouden dat zij onvoldoende hebben gedaan ter voorbereiding van het verkrijgen van de benodigde vergunningen en heeft daarbij aandacht besteed aan de mogelijkheid dat het verblijf van geïntimeerden voor Chidda c.s. problemen kan opleveren bij het uitwerken van hun plannen. Ook uit het bestreden vonnis valt af te leiden dat de voorzieningenrechter zich hiervan rekenschap heeft gegeven. Voor zover de voorzieningenrechter bij de getroffen ordemaatregel meer heeft toegewezen dan was vervat in de vordering tot toelating van Chidda c.s., moet deze maatregel worden uitgelegd als de toewijzing van het mindere ten opzichte van de (afgewezen) vordering tot ontruiming, hetgeen de voorzieningenrechter kennelijk voor ogen heeft gestaan. De voorzieningenrechter is derhalve binnen de rechtsstrijd van partijen gebleven.

3.8.5.

Dat aan Chidda c.s. en de hunnen desverzocht na 24 uur toelating moet worden verleend voor de verdere uitwerking van hun plannen, moge door [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] worden ervaren als een inbreuk op hun privacy en in verband met de korte termijn ook als lastig te organiseren, maar dat is onvoldoende om de mogelijkheden van Chidda c.s verder in te perken. Aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] en de belangen van hun kinderen is, naar het oordeel van het hof, afdoende tegemoetgekomen door de aan de toelating verbonden voorwaarden in het dictum van het bestreden vonnis. Het hof is voorts van oordeel dat de veroordeling tot toelating, mede in het licht van het voorgaande, voldoende duidelijk en bepaald is. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep hebben [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] verklaard dat, na de aanvankelijk gerezen problemen, op dit moment het maken van afspraken niet meer tot problemen leidt. Voorts is van de zijde van Chidda c.s. gesteld dat zij de aankondiging steeds ruim van tevoren doet. Niet aannemelijk is geworden dat dit in de toekomst anders zal zijn.

3.8.6.

De conclusie is dat grief 3 in het incidentele appel van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] faalt. Hun (gewijzigde) primaire en subsidiaire vorderingen in incidenteel appel zijn niet toewijsbaar.

3.9.

[geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] hebben ten slotte, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Chidda c.s., niet aannemelijk gemaakt dat de dagvaarding in eerste aanleg niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels is uitgebracht. Grief 4 in incidenteel hoger beroep faalt dan ook.

3.10.

De grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Chidda c.s. worden als in het ongelijk gestelde partij belast met de kosten van het geding in principaal hoger beroep. [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] dienen, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

In principaal en in incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Chidda c.s. in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] begroot op € 311,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris, aan de zijde van [geïntimeerde sub 83] op € 311,= aan verschotten en € 894,= aan salaris, aan de zijde van [geïntimeerde sub 84 t/m sub 90] op € 311,= aan verschotten en € 2.682,= aan salaris en aan de zijde van geïntimeerden onder 1 en 91 tot en met 122 op nihil, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Chidda c.s. begroot op € 1.341,= voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering van [geïntimeerde sub 2 t/m sub 82] in incidenteel hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J.E. Molenaar en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2016.