Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:2355

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
200.184.220/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2015:204, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. De kamer heeft het verzet van klager tegen de beschikking van de plaatsvervangend-voorzitter waarbij de klacht als kennelijk ongegrond is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard. Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer.

Wetsverwijzingen
Gerechtsdeurwaarderswet 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.184.220/01 GDW

nummer eerste aanleg : 656.2015

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 21 juni 2016

inzake

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

tegen

[naam] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. [naam] , toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats] .

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 22 januari 2016 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 10 november 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:204).

1.2.

De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beschikking van de plaatsvervangend-voorzitter van 30 juni 2015, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 17 februari 2016 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.4.

De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 april 2016. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep

3.1.

Klager heeft een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De plaatsvervangend-voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beschikking de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beschikking is aan klager toegezonden, waarna klager bij e-mailbericht verzet heeft ingesteld tegen deze beschikking. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 29 september 2015. De kamer heeft bij beslissing van 10 november 2015 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet.

3.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft bij verweerschrift in hoger beroep aangevoerd dat klager, gelet op artikel 39, lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Bovendien is klager, gelet op artikel 45, lid 1 Gdw te laat met indiening van zijn beroepschrift, aldus de gerechtsdeurwaarder.

3.3.

Artikel 39, lid 4 Gdw bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken.

3.4.

De beslissing van de kamer dateert van 10 november 2015. Blijkens de stukken is op 13 november 2015 een afschrift van de beslissing aan klager verzonden. Uit de stukken blijkt voorts dat klager de beslissing op of omstreeks 15 november 2015 heeft ontvangen; klager heeft immers op 15 november 2015 een e-mailbericht over deze beslissing aan de kamer gezonden.

3.5.

Ingevolge artikel 45, lid 1 Gdw dient het hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de onder 3.3. bedoelde brief te zijn ingesteld. De beroepstermijn eindigde op maandag 14 december 2015. Het beroepschrift van klager, waarin hij te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, is op 22 januari 2016 bij het hof ingekomen. Dat is dus na het verstrijken van de beroepstermijn. Ter rechtvaardiging van deze termijnoverschrijding heeft klager aangevoerd dat hem door de kamer is medegedeeld dat hij geen hoger beroep kon instellen tegen de beslissing van 10 november 2015 en dat hij, zodra hij op 19 januari 2016 in een telefonisch onderhoud met een medewerker van de Koninklijke Beroepsvereniging van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) naar aanleiding van e-mailcontact (bijlage 3 bij het beroepschrift) had vernomen dat hoger beroep bij het gerechtshof wel degelijk mogelijk was, dat alsnog heeft ingesteld. Hetgeen door klager is aangevoerd vormt geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De aan klager gedane mededeling dat tegen de beslissing op het verzet geen hoger beroep open stond, is immers juist, want in overeenstemming met het bepaalde in artikel 39, lid 4 Gdw.

3.6.

Het hof merkt overigens op dat de kamer naar zijn oordeel op juiste gronden het verzet van klager tegen de beschikking van de plaatsvervangend-voorzitter van 30 juni 2015 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij dat verzet te laat heeft ingesteld. Tegen een dergelijke beschikking kan immers op grond van artikel 39, lid 2 Gdw binnen veertien dagen na verzending van de kennisgeving schriftelijk verzet worden gedaan bij de kamer. De beschikking is op 13 juli 2015 aan klager toegezonden, waarna klager bij e-mailbericht van 29 juli 2015 verzet heeft ingesteld, derhalve twee dagen te laat. Hetgeen klager ter zitting van het hof ter verschoning van deze termijnoverschrijding heeft aangevoerd zou de kamer hebben moeten verwerpen. Dat klager destijds ongeveer negen dagen met vakantie was, zonder iemand te verzoeken om zijn post gedurende die periode voor hem te openen, en dat hij pas op de derde dag na zijn terugkomst de brief van de kamer heeft opengemaakt, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat het een uitnodiging betrof om voor de kamer te verschijnen, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

3.7.

Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 10 november 2015.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2016 door de rolraadsheer.